Hoofdstuk 4                                            Download Hoofstuk 4 (WORD)

De Rechten van de Mens

Instrumenten voor de rechten van de mens
    • Het Internationaal Statuut van de rechten van de mens
    •
Bepaling van de universele rechten
    •
Economische, sociale en culturele rechten
    •
Burgerrechten en politieke rechten
     Andere verdragen
     Andere regelgeving
     Conferentie voor de rechten van de mens
Het mensenrechtenapparaat

    De Mensenrechtencommissie
     Hoge VN-Commissaris voor de Rechten van de Mens
Bevordering en bescherming van de mensenrechten
    Speciale rapporteurs en werkgroepen
     Recht op ontwikkeling
     Arbeidsrecht
     De strijd tegen discriminatie
        Apartheid
        Racisme
        De rechten van vrouwen    •  Vrouwenconferenties
        De rechten van het kind
         Bescherming van minderheden
        Inheemse volkeren
        Andersvaliden
        Migrerende werknemers
Jusititiebeleid
     Prioriteiten voor de toekomst


Een van de grote verwezenlijkingen van de VN is de gestage totstandkoming van een uitgebreid mensenrechtenstelsel – een universeel, internationaal beschermd pakket rechtsregels waarbij alle landen zich kunnen aansluiten en waarnaar alle mensen kunnen streven. De organisatie heeft een uitgebreide reeks internationaal aanvaarde rechten gedefinieerd, met inbegrip van economische, sociale, culturele, politieke en burgerlijke rechten en heeft ook mechanismen opgezet om deze rechten te bevorderen en te beschermen, en om regeringen te steunen bij hun plichten ter zake.

Dit juridisch kader is gebaseerd op het VN-Handvest en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, die respectievelijk in 1945 en 1948 door de Algemene Vergadering werden aangenomen. Sindsdien heeft de VN de wetgeving inzake de mensenrechten steeds verder verbreed: ze omvat nu specifieke normen voor vrouwen, kinderen, andersvaliden, minderheden, migranten en andere kwetsbare bevolkingsgroepen. Al deze mensen hebben nu rechten die hen beschermen tegen discriminerende praktijken die van oudsher bestonden in vele gemeenschappen.

Deze rechten zijn uitgebreid met baanbrekende besluiten van de Algemene Vergadering, die geleidelijk hun universaliteit en ondeelbaarheid hebben vastgelegd, evenals de verwevenheid van de mensenrechten met ontwikkeling en democratie. Voorlichtingscampagnes wijzen mensen op hun onvervreemdbare rechten, terwijl met opleidingsprogramma's en technisch advies talrijke nationale justitiële en strafrechtelijke systemen worden versterkt. Het controlesysteem van de VN voor de naleving van de bepalingen van de mensenrechtenverdragen heeft inmiddels dankzij zijn opmerkelijke samenhang veel gewicht in de lidstaten.

De Hoge VN-Commissaris voor de Rechten van de Mens is verantwoordelijk voor het versterken en coördineren van de inspanningen van de VN ter bescherming en bevordering van de mensenrechten van alle mensen in de wereld. Voor de Secretaris-Generaal vormen de mensenrechten het centrale thema dat alle VN-activiteiten op sleutelgebieden als vrede en veiligheid, ontwikkeling, humanitaire hulp en economische en sociale aangelegenheden onderling verbindt. Vrijwel elk VN-orgaan en elke gespecialiseerde organisatie zijn op enigerlei wijze betrokken bij de bescherming van de mensenrechten.


Instrumenten voor de rechten van de mens

Op de Conferentie van San Francisco (1945) die leidde tot de oprichting van de VN, bundelden 40 niet-gouvernementele organisaties (NGO's) die vrouwen, vakbonden, etnische organisaties en religieuze groeperingen vertegenwoordigden, hun krachten met delegaties uit vooral kleinere landen, en ijverden ze voor meer specifieke bepalingen inzake mensenrechten dan andere landen hadden voorgesteld. Deze doortastende lobby heeft ervoor gezorgd dat in het Handvest van de Verenigde Naties duidelijke bepalingen rond de mensenrechten zijn opgenomen en heeft zo de basis gelegd voor de internationale wetgeving zoals die in de naoorlogse periode gestalte heeft gekregen.

Zo bevestigt de Preambule van het Handvest expliciet het 'vertrouwen in de fundamentele rechten van de mens, in de waardigheid en de waarde van de menselijke persoon, in gelijke rechten voor mannen en vrouwen, alsmede voor grote en kleine naties'. Artikel 1 stelt als een van de vier belangrijkste doelstellingen van de VN 'het bevorderen en stimuleren van eerbied voor de rechten van de mens en voor de fundamentele vrijheden voor allen, zonder onderscheid naar ras, geslacht, taal of godsdienst'. Andere voorzieningen verplichten staten in samenwerking met de VN actie te ondernemen om te komen tot universele naleving van de rechten van de mens.



Het Internationaal Statuut van de rechten van de mens

Drie jaar na de oprichting van de VN heeft de Algemene Vergadering de hoeksteen gelegd van het huidige rechtsstelsel voor de mensenrechten met de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, een document dat moest gelden als 'het algemeen streefdoel voor alle volkeren'. De Verklaring werd op 10 december 1948 aanvaard‚ de datum die nu wereldwijd wordt herdacht als Internationale dag van de rechten van de mens. De dertig artikelen van de Verklaring omvatten de fundamentele burgerrechten en de culturele, economische, politieke en sociale rechten waarvan alle mensen in alle landen moeten kunnen genieten (zie inzet).

Volgens deskundigen hebben de bepalingen van de Universele Verklaring het gewicht van andere internationale rechtsregels omdat ze zo wijdverbreid worden aanvaard en gebruikt om het optreden van staten te meten. Veel landen die recent onafhankelijk zijn geworden, vermelden de Universele Verklaring expliciet in hun basiswetgeving of grondwet of hebben de bepalingen ervan opgenomen.

De belangrijkste juridisch bindende mensenrechteninstrumenten die onder auspiciën van de VN tot stand zijn gekomen, zijn het Internationaal verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en het Internationale verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Deze verdragen‚ in 1966 aangenomen door de Algemene Vergadering‚ verruimen de inhoud van de Universele Verklaring door deze rechten te vertalen in juridisch bindende bepalingen, terwijl comités toezien op de naleving van deze rechten door staten die partij zijn bij de verdragen.

De Universele verklaring, de twee internationale verdragen over de rechten van de mens en de facultatieve protocollen bij het Internationale verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten vormen samen het Internationaal Statuut van de rechten van de mens, vaak ook aangeduid met de Engelse term International Bill of Human Rights.


Bepaling van de universele rechten

De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens is de hoeksteen van het huidige stelsel van mensenrechten dat zich in de loop der jaren heeft ontwikkeld.

Artikelen 1 en 2 van de Verklaring bevestigen dat ‘alle mensen vrij en gelijk in waardigheid en rechten worden geboren’ en aanspraak kunnen maken op alle in de Verklaring vervatte rechten en vrijheden ‘zonder onderscheid naar ras, kleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status’.

Artikelen 3 tot en met 21 van de Verklaring verwoorden de burgerrechten en de politieke rechten, met inbegrip van:

• het recht op leven, vrijheid en onschendbaarheid van de persoon;
• het verschoond blijven van slavernij of horigheid;
• het verschoond blijven van folteringen of van onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing;
• het recht om als persoon erkend te worden voor de wet, het recht op daadwerkelijke rechtshulp; het verschoond blijven van willekeurige arrestatie, detentie of verbanning; het recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onpartijdige en onafhankelijke rechterlijke instantie; het recht om voor onschuldig gehouden te worden totdat schuld is bewezen;
• het verschoond blijven van willekeurige inmenging in zijn persoonlijke aangelegenheden, in zijn gezin, zijn tehuis of briefwisseling; verschoond blijven van aanvallen op zijn eer en reputatie; het recht op bescherming door de wet tegen zulke aanvallen;
• bewegingsvrijheid; het recht op asiel; recht op een nationaliteit;
• het recht om te trouwen en een gezin te stichten, het recht op eigendom;
• vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; vrijheid van mening en van meningsuiting;
• het recht op vrijheid van vreedzame vereniging en vergadering;
• het recht om deel te nemen aan het bestuur van zijn land en het recht om toegelaten te worden tot overheidsdiensten.

Artikelen 22 tot en met 27 van de Verklaring bestrijken de economische, sociale en culturele rechten waarop alle mensen aanspraak kunnen maken: • het recht op sociale zekerheid;

• het recht op arbeid; het recht op gelijk loon voor gelijkwaardig werk; het recht om vakbonden op te richten en zich erbij aan te sluiten;
• het recht op rust en op eigen vrije tijd;
• het recht op een levensstandaard die hoog genoeg is voor zijn gezondheid en welzijn;
• het recht op onderwijs;
• het recht om deel te nemen aan het culturele leven van de gemeenschap.

De slotartikelen 28 tot 30 erkennen dat iedereen het recht heeft op een sociale en internationale orde waarin de rechten zoals geformuleerd in de Verklaring ten volle kunnen worden gerealiseerd; dat deze rechten alleen beperkt mogen worden met het doel de rechten en vrijheden van anderen veilig te stellen; en dat iedereen verplichtingen heeft in de gemeenschap waarin hij of zij leeft.

 


Economische, sociale en culturele rechten

Het Internationaal verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten werd in 1976 van kracht en 148 staten zijn partij bij het verdrag. De mensenrechten die het verdrag wil bevorderen of beschermen zijn:
• het recht om te werken onder billijke en gunstige omstandigheden;
• het recht op sociale bescherming, op een toereikende levensstandaard en op de hoogst haalbare niveaus van lichamelijk en geestelijk welzijn;
• het recht op onderwijs en het genot van de voordelen van culturele vrijheid en wetenschappelijke vooruitgang.

Het verdrag voorziet in de verwezenlijking van deze rechten zonder enig onderscheid. In 1985 richtte de ECOSOC het Comité voor economische, sociale en culturele rechten op dat toezicht houdt op de tenuitvoerlegging van het verdrag door de staten die er partij bij zijn. Dit 18 deskundigen tellende orgaan bestudeert verslagen die via speciale procedures worden ingediend en bespreekt ze met vertegenwoordigers van de betrokken regeringen. Het Comité doet ook aanbevelingen aan staten die partij zijn bij het verdrag op basis van rapporten die deze landen zelf indienen. Het Comité doet ook in algemene zin uitspraken ter nadere bepaling van het begrip mensenrechten en aanverwante thema’s, en van de stappen die de verdragsluitende partijen dienen te ondernemen om de bepalingen van de Verklaring hun beslag te doen krijgen.

Burgerrechten en politieke rechten

Het Internationale verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Eerste facultatieve protocol bij dit verdrag werden in 1976 van kracht: 151 staten hebben het verdrag onderschreven, 104 het protocol.

• Het verdrag betreft rechten als bewegingsvrijheid; gelijkheid voor de wet; het recht op een rechtvaardig proces en op vermoeden van onschuld; vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; vrijheid van mening en meningsuiting; vreedzame samenkomst; vrijheid van vereniging, deelname in bestuurszaken en verkiezingen; en de bescherming van de rechten van minderheden.
• Het verbiedt willekeurige beroving van het leven; foltering, wrede of onterende behandeling of bestraffing; slavernij en dwangarbeid; willekeurige arrestatie of detentie en willekeurige inmenging in particuliere aangelegenheden; oorlogspropaganda en het pleiten voor rassen- of godsdiensthaat.

Het verdrag heeft twee protocollen. Het Eerste facultatieve protocol (1966) is een procedureel document dat voorziet in het petitierecht van individuen die beantwoorden aan de toelaatbaarheidscriteria. Het Tweede facultatieve protocol (1989) boekstaaft de materiële plichten op weg naar de afschaffing van de doodstraf. Hierbij zijn 50 staten partij.

Krachtens het verdrag is er een 18 leden tellend Comité voor de rechten van de mens in het leven geroepen dat de verslagen bestudeert die verdragsluitende staten periodiek indienen over maatregelen die werden getroffen voor de tenuitvoerlegging van het verdrag. Het Comité behandelt ook klachten van individuen die beweren dat een staat de in het verdrag neergelegde rechten schendt. Het Comité bespreekt de klachten in besloten vergaderingen. Brieven en andere documenten blijven vertrouwelijk. De conclusies van het Comité worden echter wel openbaar gemaakt en opgenomen in het rapport dat het jaarlijks opstelt voor de Algemene Vergadering.




Andere verdragen

De Universele Verklaring leidde tot 80 andere VN-verdragen en -verklaringen over uiteenlopende kwesties. Zeven van deze verdragen voorzien in toezicht op de naleving van de bepalingen. Staten die partij zijn bij een van deze verdragen, stemmen ermee in dat onafhankelijke deskundigen toezien op hun wetgeving en handelwijze inzake mensenrechten:

De Universele Verklaring en andere VN-instrumenten liggen ook aan de basis van regionale verdragen zoals het Europese Verdrag inzake de rechten van de mens, het Amerikaanse verdrag inzake de rechten van de mens en het Afrikaanse handvest inzake de rechten van mensen en volken.



Andere regelgeving

Naast deze verdragen heeft de VN nog tal van andere normen en regels ter bescherming van de mensenrechten aangenomen. Deze 'verklaringen', 'gedragscodes' en 'principes' zijn geen verdragen die door staten worden ondertekend. Niettemin hebben ze een belangrijke invloed, omdat ze op zeer zorgvuldige wijze zijn opgesteld door staten en met brede consensus zijn onderschreven. Hieronder volgen de belangrijkste:

Andere belangrijke, niet in verdragen vastgelegde normen zijn de Standaard minimumregels voor gevangenen (1957), de Fundamentele principes over de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht (1985), de Principes inzake de bescherming van alle personen verkerend in enige vorm van detentie of gevangenschap (1988) en de Verklaring over de bescherming van alle personen tegen onvrijwillige verdwijning (1992).




Het mensenrechtenapparaat

De Mensenrechtencommissie

De Mensenrechtencommissie, opgericht in 1946, is het belangrijkste VN-orgaan voor de bescherming en bevordering van de rechten van de mens. Deze Commissie biedt algemene beleidsondersteuning, bestudeert mensenrechtenkwesties, ontwikkelt nieuwe internationale normen en ziet wereldwijd toe op de naleving van de mensenrechten. Als belangrijkste intergouvernementeel VN-beleidsorgaan voor de mensenrechten, is de Commissie bevoegd mensenrechtensituaties waar ook ter wereld te bespreken, en informatie van staten, NGO's en andere bronnen te onderzoeken.

De Commissie is een forum waar staten, intergouvernementele organisaties en NGO’s hun bezorgdheid over mensenrechtenkwesties kunnen verwoorden. De Commissie bestaat uit 53 leden (verkozen voor een termijn van drie jaar) en vergadert jaarlijks gedurende zes weken in Genève. Staten en NGO's leggen dan informatie voor over zorgwekkende situaties, dikwijls gevolgd door repliek van de betrokken regeringen. Naar aanleiding daarvan kan de Commissie deskundigen aanstellen of onderzoeksmissies instellen, anderszins onderzoek ter plaatse organiseren, besprekingen voeren met regeringen, hulp bieden en bewezen schendingen veroordelen.

Als een specifieke situatie ernstig genoeg lijkt, kan de Commissie een onderzoek gelasten door een groep onafhankelijke experts (werkgroep) of een individu (speciale rapporteur/vertegenwoordiger). Op basis van de informatie die deze deskundigen verstrekken, roept de Commissie de betrokken regering op noodzakelijke veranderingen door te voeren.

Speciale rapporteurs en werkgroepen

De speciale rapporteurs en werkgroepen voor de mensenrechten staan in de frontlinie van de strijd voor de bescherming van de mensenrechten. Zij onderzoeken schendingen en treden op in individuele gevallen en noodsituaties via zogeheten ‘speciale procedures’. Mensenrechtdeskundigen zijn onafhankelijk. Zij werken op persoonlijke titel voor maximaal zes jaar en worden daarvoor niet vergoed. Het aantal deskundigen neemt gestaag toe. Momenteel lopen er zo’n 30 mandaten in het kader van speciale procedures.

Bij de voorbereiding van hun rapporten aan de Mensenrechtencommissie en de Algemene Vergadering gebruiken deze deskundigen alle mogelijke middelen, met inbegrip van individuele berichten en informatie van NGO's. Ze kunnen ook gebruik maken van een urgent action-procedure om op het hoogst mogelijke niveau gesprekken te voeren met regeringen. Een belangrijk deel van hun onderzoek verrichten zij ter plaatse, waar zij gesprekken voeren met slachtoffers en overheden en bewijsmateriaal vergaren. De verslagen worden openbaar gemaakt en geven zo ruchtbaarheid aan schendingen en de verantwoordelijkheid van regeringen op het vlak van de bescherming van de mensenrechten.

Deze deskundigen onderzoeken, controleren en rapporteren in het openbaar over mensenrechtensituaties in specifieke landen of over belangrijke mensenrechtenschendingen in de hele wereld.

  • Rapporteurs, onafhankelijke deskundigen en vertegenwoordigers voor specifieke landen verslaan de situatie in Afghanistan, Boeroendi, Cambodja, Cuba, de Democratische Republiek Kongo, Haïti, Irak, Liberia, Myanmar, de bezette Palestijnse gebieden en Somalië. Daarnaast heeft de Secretaris-Generaal het mandaat om te rapporteren over Cyprus, Oost-Timor, Kosovo en de bezette Arabische gebieden.
  • Er zijn ook speciale rapporteurs, vertegenwoordigers en werkgroepen die zich specifiek richten op een thema. Deze deskundigen brengen onder meer verslag uit over gedwongen en onvrijwillige verdwijningen, standrechtelijke executies, folteringen, willekeurige opsluiting, rassendiscriminatie, geweldpleging tegen vrouwen, kinderhandel, religieuze onverdraagzaamheid, ontheemden, rechterlijke onafhankelijkheid, reïntegratie en schadeloosstelling van slachtoffers, de problematiek rond huursoldaten, structurele beleidsbijstelling en buitenlandse schulden, extreme armoede, de schadelijke gevolgen van het illegale vervoeren en lozen van giftige en gevaarlijke producten en afval, en over het recht op ontwikkeling, onderwijs, voedsel, huisvesting en gezondheid.

In 1947 heeft de Mensenrechtencommissie de Subcommissie ter bevordering en bescherming van de mensenrechten opgericht (voorheen de ‘Subcommissie ter voorkoming van discriminatie en ter bescherming van minderheden’ geheten). De subcommissie komt jaarlijks bijeen en bestaat uit 26 deskundigen die op persoonlijke titel, en dus niet als vertegenwoordiger van hun regering, opereren. Oorspronkelijk legde de subcommissie zich toe op kwesties rond discriminatie en de bescherming van minderheden, maar in de loop der jaren breidde het bereik van de activiteiten zich uit tot andersoortige mensenrechtenkwesties. De subcommissie verricht veel onderzoek, vooral in verband met de ontwikkeling van rechtsregels, en doet aanbevelingen aan de Mensenrechtencommissie. Ook NGO's zijn betrokken bij het werk van de subcommissie.

De drie belangrijkste werkgroepen van de Subcommissie houden zich bezig met inheemse volkeren, met hedendaagse vormen van slavernij en met minderheden.

Hoge VN-Commissaris voor de Rechten van de Mens

De Hoge VN-Commissaris voor de Rechten van de Mens draagt de hoofdverantwoordelijkheid voor alle VN-activiteiten op het vlak van de mensenrechten. De Hoge commissaris wordt benoemd voor een periode van vier jaar en is belast met veel taken: de Hoge Commissaris is verantwoordelijk voor de bevordering en bescherming van het genot van alle mensenrechten; het vergroten van internationale samenwerking rond de mensenrechten; het stimuleren en coördineren van mensenrechtenactiviteiten binnen het VN-systeem; hulp bieden bij de ontwikkeling van nieuwe normen op het vlak van de mensenrechten; en het aanmoedigen van de ratificatie van de mensenrechtenverdragen. De Hoge Commissaris is ook bevoegd om te reageren op ernstige schendingen van de mensenrechten en om actie te ondernemen teneinde schendingen te voorkomen.

Op 25 februari 2004 keurde de Algemene Vergadering de benoeming goed van Louise Arbour (Canada) als Hoge VN-Commissaris voor de Rechten van de Mens. Van oktober 1996 tot september 1999 vervulde Arbour de zware taak van hoofdaanklager bij de straftribunalen voor voormalig Joegoslavië en voor Rwanda. Haar vierjarige ambtsperiode als Hoge Commissaris begon op 1 juli, nadat zij in juni haar functie bij het Canadese hooggerechtshof had neergelegd. Haar voorganger, Sergio Vieira de Mello (Brazilië), kwam op 19 augustus 2003 om het leven bij een aanslag op het VN-hoofdkantoor in Bagdad, waar hij de VN-missie in Irak leidde. Bertrand Ramcharan (Guyana) nam daarna tijdelijk de functie van Hoge Commissaris waar.

De Hoge Commissaris handelt onder leiding en op gezag van de Secretaris-Generaal en brengt verslag uit aan de Mensenrechtencommissie en – via ECOSOC – aan de Algemene Vergadering. Met het doel de naleving van mensenrechten en het voorkomen van schendingen te bevorderen, treedt de Hoge Commissaris in dialoog met regeringen. Binnen het VN-systeem werkt de Hoge Commissaris aan het stroomlijnen van het VN-apparaat om de doeltreffendheid te verhogen.

Het Bureau van de Hoge Commissaris voor de Rechten van de Mens is de belangrijkste VN-eenheid voor mensenrechtenactiviteiten. Het bureau doet ook dienst als secretariaat voor de Mensenrechtencommissie, de verdragsorganen (comités van deskundigen die toezien op de naleving van de verdragen) en voor andere mensenrechtenorganen binnen de VN. Het Bureau verricht ook activiteiten in het veld en verleent advies en technische steun. Het Bureau heeft een reguliere begroting, maar een aantal activiteiten wordt gefinancierd uit extrabudgettaire bronnen.

De Hoge Commissaris heeft specifieke stappen ondernomen om de samenwerking en coördinatie met andere VN-organen die actief zijn op het vlak van de mensenrechten te institutionaliseren. Het gaat hier om UNICEF, UNESCO, UNDP, UNHCR en de Vrijwilligers van de VN. Op het vlak van vrede en veiligheid werkt het Bureau ook nauw samen met de departementen van het Secretariaat van de VN. Het Bureau maakt deel uit van de Interagentschappelijke Vaste Commissie die het optreden van de internationale gemeenschap bij humanitaire rampen coördineert.

Educatie en informatie. De VN beschouwt educatie als een fundamenteel recht en een van de meest doeltreffende instrumenten bij de bevordering van de mensenrechten. Via educatie over mensenrechten‚ formeel of informeel‚ probeert men te komen tot een universele 'mensenrechtencultuur' met vernieuwende opleidingsmethoden, verspreiding van kennis en verandering van mentaliteit.

Het VN-decennium voor mensenrechteneducatie (1995-2004) streeft ernaar mensen in de hele wereld bewuster te maken van het belang van deze materie en ijvert voor een wereldomspannende mensenrechtencultuur. Veertig landen hebben intussen de aandacht voor mensenrechten op scholen opgevoerd door het onderwerp onder meer in het onderwijspakket op te nemen. Verschillende landen voeren nationale actieplannen en betrekken nationale instanties bij deze inspanningen.

De website van OHCHR is een belangrijke bron van informatie over de mensenrechten (www.unhchr.ch).

Wereldconferentie voor de rechten van de mens

De tweede Wereldconferentie voor de rechten van de mens (Wenen, 1993) heeft de algemeengeldigheid en centrale rol van de mensenrechten herbevestigd.

De Conferentie heeft spanningen aan het licht gebracht op tal van vlakken, zoals nationale soevereiniteit, het universele karakter, de rol van NGO's en het vraagstuk van de onpartijdigheid en het aselectief optreden bij de toepassing van internationale normen inzake de mensenrechten. In de Verklaring en het Actieprogramma van Wenen hebben 171 landen verklaard dat de mensenrechten 'een gerechtvaardigde bekommernis van de internationale gemeenschap' zijn geworden en dat 'alle mensenrechten universeel, ondeelbaar, onderling afhankelijk en verweven’ zijn.

De Verklaring stelt dat staten, ongeacht hun politieke, economische en culturele bestel, verplicht zijn alle mensenrechten en fundamentele vrijheden te bevorderen en beschermen, rekening houdend met het gewicht van nationale en regionale bijzonderheden, en met verschillende historische, culturele en religieuze achtergronden.

'Democratie, ontwikkeling en respect voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden zijn onderling van elkaar afhankelijk en versterken elkaar wederzijds,’ aldus de Verklaring, die zo het recht op ontwikkeling als een universeel recht evenals de onlosmakelijke relatie tussen mensenrechten en ontwikkeling herbevestigt.




Bevordering en bescherming van de mensenrechten

De rol en het bereik van de VN-activiteiten op het vlak van de bevordering en bescherming van mensenrechten blijven groeien. Waarborgen dat de menselijke waardigheid van 'de volken van de Verenigde Naties'‚ in wier naam het Handvest is geschreven, ten volle wordt gerespecteerd, geldt als de centrale opdracht. Het VN-apparaat is internationaal op veel fronten actief:




Recht op ontwikkeling

Het principe van gelijke kansen voor ontwikkeling is verankerd in het Handvest en in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. De Verklaring inzake het recht op ontwikkeling, in 1986 door de Algemene Vergadering aangenomen, geldt als een keerpunt omdat het hierdoor als een onvervreembaar recht werd erkend dat alle individuen en alle volken deelnemen aan, bijdragen tot en genieten van economische, sociale, culturele en politieke ontwikkeling.

Technisch samenwerkingsprogramma

De rechten van de mens worden het best beschermd als ze zijn geworteld in een lokale cultuur. Daarom voert de VN haar inspanningen op om deze rechten op nationaal en plaatselijk niveau te bevorderen en te beschermen. Internationale normen voor mensenrechten hebben immers pas zin als ze zijn opgenomen in nationale wetgeving en worden ondersteund door overheidsinstellingen.

Maar op nationaal niveau zijn er nog veel obstakels die het universele genot van de rechten van de mens in de weg staan. Veel lidstaten beschikken niet over de benodigde infrastructuur om de rechten van hun ingezetenen te bevorderen en te beschermen. Dit is vooral het geval in landen die kampen met (de nasleep van) verwoestende burgeroorlogen of humanitaire crises.

De VN heeft daarom haar adviserende taken en technische samenwerkingsprogramma's uitgebreid tot een breder kader waarin ze zich ook inspant voor de bevordering van democratie, ontwikkeling en mensenrechten, en voor een vergroting van knowhow om nationale wetgeving en overheidsoptreden te harmoniseren conform deze rechten.

Het Technisch samenwerkingsprogramma voor de mensenrechten, onder toezicht van het Bureau van de Hoge Commissaris, beheert jaarlijks ongeveer 50 projecten in 30 landen. Deze projecten lopen vooral in ontwikkelingslanden en jonge democratieën. Het Programma heeft een jaarlijkse begroting van 9 miljoen dollar en wordt hoofdzakelijk gefinancierd met vrijwillige bijdragen (in 2002 bedroegen die 7,6 miljoen dollar).

Het programma weerspiegelt nationale ontwikkelingsdoelen en de door de VN gecoördineerde steun om die doelen te verwezenlijken. Het spoort aan tot ratificatie van mensenrechteninstrumenten en ondersteunt de tenuitvoerlegging daarvan. Daarbij ligt de nadruk op vier specifieke gebieden: rechtsbedeling, educatie rond mensenrechten, de opbouw van nationale instellingen en de formulering van nationale actieplannen. Er is speciale aandacht voor economische, sociale en culturele rechten; het recht op ontwikkeling; racisme; de rechten van inheemse volken; de handel in vrouwen en kinderen; seksegerelateerde kwesties; en de rechten van vrouwen en kinderen.

OHCHR kan niet in alle landen aanwezig zijn en ontwikkelt daarom regionale strategieën ter bevordering van intergouvernementele samenwerking, het delen van ervaring en de ontwikkeling van beleid en programma’s. De regionale vertegenwoordigingen van OHCHR fungeren als kenniscentra die oplossingen aanreiken voor vragen op nationaal niveau.
Behalve nationale en regionale programma's steunt het Bureau ook de implementatie van het hervormingsprogramma voor de VN van de Secretaris-Generaal, dat de mensenrechten aanmerkt als de rode draad in de activiteiten van het VN-systeem. OHCHR begeleidt de integratie in nationale wetgeving van mensenrechtennormen en is actief betrokken bij het opbouwen van knowhow. Het Bureau kiest voor het mensenrechtenperspectief bij beleidsanalyses en -planning, en bij de ontwikkeling van beleid en methoden.


De Verklaring van Wenen, die tot stand kwam op de Tweede wereldconferentie voor de mensenrechten (1993), andere slotverklaringen van belangrijke VN-conferenties en de Millenniumverklaring benadrukken het recht op ontwikkeling. In 1998 richtte de Mensenrechtencommissie hiervoor een tweevoudig mechanisme op: een werkgroep die toeziet op de vooruitgang, hindernissen analyseert en strategieën ontwikkelt voor de implementatie van het recht op ontwikkeling, en een onafhankelijke deskundige inzake het recht op ontwikkeling die verslag uitbrengt over de vorderingen bij de tenuitvoerlegging van het recht op ontwikkeling.



Arbeidsrecht

De Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) is het gespecialiseerde VN-orgaan dat zich bezighoudt met het omschrijven en beschermen van de arbeidsrechten. Zijn drieledige Internationale Arbeidsconferentie‚ bestaande uit vertegenwoordigers van regeringen, van werkgevers en van werknemers, heeft 185 verdragen en 194 aanbevelingen goedgekeurd betreffende alle arbeidgerelateerde kwesties en aldus een internationaal normensysteem gecreëerd. Terwijl haar aanbevelingen voorzien in advies over beleid, wetgeving en procedures, verplichten de verdragen staten die deze verdragen ratificeren, de bepalingen toe te passen.

Er zijn verdragen en aanbevelingen tot stand gekomen over zaken als arbeidspolitiek, industriële betrekkingen, werkgelegenheidsbeleid, arbeidsomstandigheden, sociale zekerheid, veiligheid en gezondheid op het werk, maar ook over het waarborgen van essentiële mensenrechten op de werkplek en over kwesties als werkgelegenheid voor vrouwen, kinderen en voor bijzondere groepen als migrerende werknemers en andersvaliden.
De controleprocedure van ILO die de toepassing van verdragen in wetgeving en praktijk moet waarborgen, steunt op een objectieve beoordeling door onafhankelijke experts en op onderzoek naar specifieke situaties door de tripartite ILO-organen. Er bestaat ook een speciale procedure voor het onderzoeken van klachten betreffende inbreuken op het recht van vereniging.

ILO stond aan de basis van veel baanbrekende verdragen:

De Algemene Vergadering heeft ook een aantal maatregelen genomen om de rechten van gastarbeiders te vrijwaren.



De strijd tegen discriminatie

Apartheid

De afschaffing van de apartheidspolitiek in Zuid-Afrika is een van de belangrijkste successen waarmee de VN heeft aangetoond in staat te zijn belangrijke onrechtvaardigheden in de wereld te bestrijden. Al in de eerste jaren van haar bestaan raakte de VN betrokken bij de strijd tegen apartheid – de politiek van geïnstitutionaliseerde rassenscheiding en discriminatie die de Zuid-Afrikaanse regering voerde.

Toen in 1994 de nieuw verkozen president van Zuid-Afrika, Nelson Mandela, de Algemene Vergadering toesprak, merkte hij op dat de Algemene Vergadering voor het eerst in 49 jaar werd toegesproken door een Zuid-Afrikaanse president die deel uitmaakt van de Afrikaanse meerderheid. Hij verwelkomde de overwinning op de apartheid met de volgende woorden: 'Deze historische ommezwaai is in grote mate te danken aan de inspanningen die de Verenigde Naties zich heeft getroost voor de afschaffing van de apartheid, van deze misdaad tegen de menselijkheid.'

In 1966 had de VN apartheid al veroordeeld als een misdaad tegen de menselijkheid, die niet verenigbaar was met het Handvest noch met de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Het vraagstuk heeft vanaf 1948 tot de afschaffing in 1994 geregeld op de agenda van de Algemene Vergadering gestaan:

De VN heeft altijd haar volledige steun verbonden aan de overgang van het apartheidsregime naar de niet op rassenonderscheid gebaseerde democratie die volgde na ondertekening in 1990 van een nationaal vredesakkoord door de regering en de belangrijkste politieke partijen. Twee resoluties van de Veiligheidsraad in 1992 benadrukten de rol van de internationale gemeenschap bij het bespoedigen van de voorgenomen overgang.

Ter ondersteuning van het vredesakkoord stationeerde de Veiligheidsraad een VN-waarnemersmissie in Zuid-Afrika (UNOMSA). Deze missie hield toezicht bij de verkiezingen van 1994 die hebben geleid tot de installatie van een niet op rassenonderscheid gebaseerde regering en democratie. De eerste niet-raciale, democratische grondwet van Zuid-Afrika werd van kracht en maakte een einde aan het apartheidsregime.



Racisme

In 1963 nam de Algemene Vergadering de VN-verklaring over de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie aan. De verklaring bekrachtigt de fundamentele gelijkheid van alle mensen en verklaart dat discriminatie op grond van ras, kleur of etnische oorsprong een schending is van de in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens vervatte rechten en een hinderpaal vormt voor vriendschappelijke en vreedzame betrekkingen tussen landen en volken.

Twee jaar later aanvaardde de Algemene Vergadering het Internationaal verdrag over de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie. Deelnemende landen verplichten zich ertoe gerechtelijke, wettelijke en bestuurlijke maatregelen te nemen om rassendiscriminatie te voorkomen en te bestraffen.

In 1993 riep de Algemene Vergadering het Derde decennium van de strijd tegen racisme en rassendiscriminatie (1993-2003) uit en maande zij alle staten tot maatregelen – vooral op het vlak van wetgeving, openbaar bestuur, educatie en informatie – om nieuwe vormen van racisme te bestrijden.

In datzelfde jaar benoemde de Mensenrechtencommissie een speciale rapporteur voor hedendaagse vormen van racisme, rassendiscriminatie, xenofobie en aanverwante onverdraagzaamheid. Hij kreeg het mandaat voorvallen te onderzoeken van hedendaagse vormen van racisme, rassendiscriminatie, alle vormen van discriminatie van zwarten, Arabieren en moslims, xenofobie, antisemitisme en aanverwante vormen van onverdraagzaamheid, evenals de maatregelen van regeringen om dit te beteugelen.

In 2001 werd op initiatief van de Algemene Vergadering in Zuid-Afrika de derde Wereldconferentie tegen racisme, rassendiscriminatie, xenofobie en aanverwante onverdraagzaamheid gehouden. Deze conferentie boog zich over praktische maatregelen ter uitroeiing van racisme en over inspanningen voor preventie, voorlichting en bescherming, en nam de Verklaring en het actieprogramma van Durban aan. De vorige conferenties hadden in 1978 en 1983 in Genève plaats.



De rechten van vrouwen

Al sinds haar ontstaan in 1945 ijvert de VN voor de gelijke behandeling van vrouwen. De organisatie speelt een centrale rol in de internationale strijd voor de bevordering en bescherming van de rechten van vrouwen en in het streven naar gelijke toegang van vrouwen tot het openbare leven en tot kansen op alle mogelijke vlakken van economische en sociale ontwikkeling.

De Commissie voor de status van de vrouw staat aan de basis van internationale richtlijnen en regels voor de gelijke behandeling van vrouwen en de uitbanning van discriminatie tegen vrouwen. De belangrijkste zijn het Verdrag over de uitbanning van discriminatie van de vrouw (1979) en het Facultatieve Protocol bij dit verdrag (1999). De Commissie stelde ook de Verklaring over de uitbanning van geweld tegen vrouwen op die in 1993 werd aangenomen door de Algemene Vergadering en een duidelijke definitie geeft van geweld als 'fysiek, seksueel en psychisch geweld in de sfeer van de familie of de gemeenschap, gepleegd of gedoogd door de staat.

De Commissie voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen, bestaande uit 23 onafhankelijke deskundigen en ondersteund door de Divisie voor de vooruitgang van vrouwen van het VN-Secretariaat, ziet toe op de implementatie van het verdrag door middel van het bestuderen van individuele verslagen en het instellen van onderzoeken krachtens de voorzieningen van het Optionele Protocol. (Voor de rechten van de vrouw, zie ook www.un.org/womenwatch)


Vrouwen en ontwikkeling. Va haar operationele organen werkt de VN actief aan meer medezeggenschap van vrouwen, vooral op het vlak van ontwikkelingsactiviteiten (zie ook hoofdstuk 3). Naast het werk van het Secretariaat, meer bepaald het Departement voor de vooruitgang van vrouwen (DAW), en de gespecialiseerde organisaties, fondsen en programma's, zijn er twee organen die zich exclusief met vrouwenkwesties bezighouden: het VN-ontwikkelingsfonds voor vrouwen (UNIFEM) en het Internationaal onderzoeks- en opleidingsinstituut voor de vooruitgang van vrouwen (INSTRAW). Beide organen werden opgericht ter ondersteuning van programma's en projecten gericht op een verbetering van de levenskwaliteit van vrouwen (zie hoofdstuk 3).

(Voor de rechten van de vrouw, zie ook www.un.org/womenwatch).



De rechten van het kind

Jaarlijks sterven miljoenen kinderen aan ondervoeding en ziekte. Talloze andere zijn het slachtoffer van oorlogen en extreme vormen van uitbuiting en misbruik, ook op seksueel gebied. UNICEF is het enige VN-orgaan met het specifieke mandaat om op te komen voor de rechten van het kind. Het Fonds streeft naar de universele naleving van de bepalingen van het Verdrag over de rechten van het kind waarin universele ethische principes en internationale wettelijke gedragsnormen tegenover kinderen zijn neergelegd.

In 2000 aanvaardde de Algemene Vergadering twee Facultatieve protocollen bij het verdrag: het ene verbiedt de rekrutering van kinderen onder achttien jaar voor gewapende conflicten of deelname aan vijandigheden; het andere versterkt het verbod op en bestraffing van kinderhandel, -prostitutie en -pornografie.

Het Comité voor de rechten van het kind dat krachtens het verdrag werd opgericht, komt geregeld bijeen om te beoordelen of de verdragsluitende landen vooruitgang boeken bij het nakomen van hun verplichtingen. Het Comité doet ook voorstellen en aanbevelingen aan regeringen en de Algemene Vergadering over manieren waarop de doelstellingen van het verdrag kunnen worden verwezenlijkt.

Op het vlak van kinderarbeid streeft de VN de volgende doelstellingen na: werkende kinderen beschermen tegen uitbuiting en arbeidsomstandigheden die hun fysieke en mentale gezondheid in gevaar kunnen brengen; hen minstens toegang bieden tot bepaalde minimumniveaus van onderwijs, gezondheidszorg en voeding; en op lange termijn het geleidelijk afschaffen van kinderarbeid.



Bescherming van minderheden

Wereldwijd behoren naar schatting één miljoen mensen tot minderheden. Er zijn bewijzen dat veel minderheden het voorwerp zijn van discriminatie en uitsluiting, en vaak ook slachtoffer zijn van gewelddadige conflicten.

Bij het verwezenlijken van de gerechtvaardigde idealen van nationale, etnische, religieuze en taalkundige groepen, zijn duidelijke belangen gediend. Het gaat daarbij niet alleen om de bescherming en instandhouding van culturele diversiteit, maar ook om bevordering van stabiele gemeenschappen.

Sinds de oprichting staan de rechten van minderheden hoog op de mensenrechtenagenda van de VN. De bescherming van de rechten van minderheden wordt specifiek gewaarborgd door artikel 27 van het Internationaal verdrag over burgerrechten en politieke rechten en de principes van niet-discriminatie die de basis vormen van alle VN-mensenrechtenwetgeving.
De Verklaring over de rechten van mensen behorend tot nationale, etnische, godsdienstige en taalkundige minderheden werd in 1992 aangenomen door de Algemene Vergadering en heeft de activiteiten van de VN op het vlak van de mensenrechten nieuw leven ingeblazen. In 1995 heeft de Mensenrechtencommissie op verzoek van haar Subcommissie goedkeuring verleend aan de oprichting van een Werkgroep voor minderheden – het enige forum waartoe ook vertegenwoordigers van minderheden toegang hebben. Deze werkgroep probeert de minderheden te bereiken opdat ook zij hun stem kunnen laten horen in VN-vergaderingen en hun problemen kenbaar kunnen maken of zelfs aanbevelingen kunnen om hun situatie te verbeteren. De werkgroep moet oplossingen formuleren voor minderhedenvraagstukken en praktische maatregelen voorstellen ter bevordering en bescherming van de rechten van minderheden.



Inheemse volkeren

De VN houdt zich meer en meer bezig met de problematiek van inheemse volkeren, de meest benadeelde bevolkingsgroepen in de wereld. Deze volken beschrijft men ook wel met de termen 'oorspronkelijke volken', aborigines of oer-autochtonen. Er zijn minstens 5000 inheemse bevolkingsgroepen; het betreft 300 miljoen mensen in meer dan 70 landen op vijf continenten. Velen zijn uitgesloten van besluitvormingsprocessen, staan in de marge van de samenleving, worden uitgebuit, gedwongen geassimileerd en zijn het slachtoffer van onderdrukking, foltering en moord als ze opkomen voor hun rechten. Uit angst voor vervolging slaan ze op de vlucht en verbergen soms hun eigen identiteit, daarbij hun taal en tradities verloochenend.

In 1982 richtte de Subcommissie van de Mensenrechtencommissie een werkgroep voor inheemse volkeren op, die de ontwikkelingen op het vlak van de rechten van inheemse volkeren volgt en internationale normen hieromtrent stimuleert. De Werkgroep stelde voor de Algemene Vergadering een ontwerptekst op voor een Universele verklaring voor de rechten van inheemse volkeren. Deze ontwerpverklaring ligt nu ter beoordeling voor aan de Mensenrechtencommissie.

In 2000 heeft de ECOSOC het Vaste forum voor inheemse kwesties als suborgaan in het leven geroepen. Dit 16 deskundigen tellende forum, met een evenredige vertegenwoordiging van overheden en deskundigen inzake inheemse volkeren, adviseert de ECOSOC, helpt bij de coördinatie van VN-activiteiten en bespreekt de problemen van inheemse volkeren wat betreft ontwikkeling, cultuur, milieu, gezondheid en mensenrechten. In mei 2002 had de eerste zitting van het Forum plaats.

De Milieutop van 1992 heeft gehoor gegeven aan de gezamenlijke noodkreet van inheemse volkeren over de verloedering van hun land en leefmilieu. Zowel UNDP, UNICEF, IFAD, UNESCO, de Wereldbank als WHO voeren programma's die zich richten op specifieke inheemse volkeren en streven naar betere een gezondheidssituatie, alfabetisering en milieubehoud in hun stamlanden.

Aan het einde van het Internationaal jaar voor de inheemse volkeren (1993) riep de Algemene Vergadering het Internationale decennium voor de inheemse volkeren van de wereld (1994-2004) uit, met het doel via samenwerkingsverbanden de levensomstandigheden van inheemse volkeren te verbeteren.



Andersvaliden

Meer dan 600 miljoen mensen – ongeveer 10 procent van de wereldbevolking en voor 80 procent wonend in ontwikkelingsgebieden - lijdt aan een of andere fysieke, mentale of zintuiglijke handicap.Andersvaliden nemen vaak niet deel aan de samenleving. Er is sprake van discriminatie op verschillende niveaus, gaande van het ontzeggen van onderwijs tot meer subtiele vormen zoals segregatie en isolering door het instellen van fysieke en sociale barrières. Ook de samenleving lijdt hieronder, omdat de verwaarlozing van het potentieel van mensen met een handicap de mensheid verarmt. Om het begrip invaliditeit te veranderen is er een verandering van waarden nodig en een beter begrip op alle niveaus van de samenleving.

Al van begin af aan zet de VN zich in voor een verbetering van de status van andersvaliden en van hun levensomstandigheden. De bekommernis om het welzijn en de rechten van andersvaliden is vervat in de principes voor de oprichting van de VN, die immers uitgaan van de rechten en fundamentele vrijheden van de mens en van de gelijkwaardigheid van alle mensen.

In de jaren zeventig kreeg het concept mensenrechten voor andersvaliden meer internationale draagwijdte. Met de aanvaarding van de Verklaring over de rechten van mentaal gehandicapten (1971) en de Verklaring over de rechten van invaliden (1975) bepaalde de Algemene Vergadering dat deze mensen recht hebben op gelijke behandeling en op voorzieningen die hun sociale integratie bevorderen.

Het Internationaal Jaar voor Mindervaliden (1981) leidde tot de goedkeuring door de Algemene Vergadering van het Wereldactieprogramma voor mindervaliden, een beleidskader voor het bevorderen van de rechten van andersvaliden. Het Programma omschrijft twee doelstellingen voor internationale samenwerking: gelijke kansen en volledige deelname van andersvaliden aan het sociale leven en aan ontwikkeling.

Een belangrijk gevolg van het Decennium van de VN voor mindervaliden (1983-1992) was de goedkeuring door de Algemene Vergadering in 1993 van de Standaardregels inzake gelijke kansen voor mensen met een handicap. Deze regels zijn een beleidsinstrument en vormen de basis voor technische en economische samenwerking.

In 1991 heeft de Algemene Vergadering nog een nieuwe reeks regels aangenomen ter bescherming van mensen met een mentale handicap: de Principes voor de bescherming van personen met een psychische aandoening en de verbetering van de gezondheidszorg.

In 1994 heeft de Algemene Vergadering haar steun verbonden aan een langetermijnstrategie voor de verdere tenuitvoerlegging van het Wereldactieprogramma. De strategie stelt 'een samenleving voor iedereen' als uiteindelijk doel. Toegankelijkheid, werkgelegenheid en sociale voorzieningen en vangnetten zijn punten die de Vergadering in 1997 uitriep tot speerpunten van beleid.

In 2003 heeft de Vergadering besloten een aanvang te maken met de formulering van het ‘Allesomvattend en geïntegreerd internationaal verdrag ter bescherming en bevordering van de rechten en de waardigheid van personen met een handicap’. Dit ter ondersteuning van de inspanningen om het doel te realiseren van volledige deelname en gelijke behandeling van mensen met een handicap in het maatschappelijke leven en in ontwikkelingsbeleid.

VN-activiteiten. Steeds meer gegevens duiden op de noodzaak om kwesties rond andersvaliden te benaderen in de context van nationale ontwikkeling, en wel binnen het bredere kader van de mensenrechten. De VN werkt samen met regeringen, NGO's, academische instellingen en vak- en brancheorganisaties om het bewustzijn te vergroten en nationale deskundigheid op te bouwen om het beleid rond andersvaliden in een breed mensenrechtenperspectief te plaatsen.

De toenemende publieke aandacht voor andersvaliden onderstreept het belang van een verbetering van voorlichting, opvang en bestuurlijke mechanismen ter bevordering van een gelijkekansenbeleid. De VN biedt steeds meer hulp aan landen om de nodige expertise te verwerven teneinde een gehandicaptenbeleid te kunnen voeren in het licht van meer algemene ontwikkelingsdoelen. (voor meer informatie, zie www.un.org/esa/socdev/disabled en www.unhchr.ch/disability/index.htm)



Migrerende werknemers

Steeds meer mensen steken hun landsgrenzen over op zoek naar werk. Een nieuw mensenrechtenverdrag was noodzakelijk om de discriminatie van migrerende werknemers ('gastarbeiders') te beteugelen. In 1990 heeft de Algemene Vergadering na tien jaar onderhandelen het Internationale verdrag ter bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinsleden aanvaard. Het verdrag:

Op 1 juli 2003 is dit verdrag van kracht geworden. Het Comité voor migrerende werknemers, dat toezicht houdt op de naleving van het verdrag in de staten die partij zijn, kwam in maart 2004 voor het eerst bijeen.


Jusititiebeleid

De VN streeft ernaar de bescherming van de mensenrechten ook op justitieel niveau aan te scherpen. Als individuen voorwerp zijn van onderzoek door staatsinstellingen of als ze worden aangehouden, onder voorarrest geplaatst, aangeklaagd, berecht of gevangengezet, dan moeten bij deze rechtgang te allen tijde hun mensenrechten zijn gewaarborgd.

De VN heeft normen en regels geformuleerd die moeten strekken tot voorbeeld voor nationale wetgeving in verband met de behandeling van gevangenen, de bescherming van jonge gedetineerden, vuurwapengebruik door de politie, het optreden van ordehandhavers, de rol van advocaten en het openbaar ministerie, en de rechterlijke onafhankelijkheid. Veel normen zijn tot stand gekomen binnen de VN-Commissie voor misdaadpreventie en strafrecht en het Centrum voor internationale misdaadpreventie.

OHCHR voert een technisch hulpprogramma dat zich richt op educatie inzake mensenrechten van wetgevers, rechters, advocaten, wetshandhavers, gevangenisfunctionarissen en strijdkrachten.



Prioriteiten voor de toekomst

Ondanks alle inspanningen van de VN worden in de hele wereld de mensenrechten nog massaal geschonden. Vijftig jaar na aanvaarding van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens blijven schendingen van alle mogelijke mensenrechten tot het nieuws van de dag horen. Deze media-aandacht is deels toe te schrijven aan een groter bewustzijn van de mensenrechten en aan het scherpere toezicht op belangrijke mensenrechtenkwesties, met name kindermisbruik, geweld tegen vrouwen en bepaalde inbreuken die tot voor kort op basis van bepaalde tradities maatschappelijk werden aanvaard.

Zeker, de maatregelen ter bescherming en bevordering van de mensenrechten zijn strenger dan ooit en sluiten steeds nauwer aan bij de strijd om sociale rechtvaardigheid, economische ontwikkeling en democratie. In zijn hervormingsprogramma voor de VN verklaarde Secretaris-Generaal Kofi Annan dat de mensenrechten de rode draad zouden gaan vormen in het beleid en de verschillende programma’s. En dat is een feit. Het doortastend optreden van de Hoge Commissaris voor de Rechten van de Mens en de groeiende samenwerking en coördinatie binnen het VN-systeem vormen het concrete bewijs van de toegenomen daadkracht van de VN in de strijd voor de mensenrechten.



UNIC Logo
Terug  Home  Terug naar boven