Terug - Economische en Sociale Ontwikkeling

Duurzame ontwikkeling

   

Agenda 21
Wereldtop voor duurzame ontwikkeling
Milieuactie
Klimaatverandering en opwarming van de aarde
Kleine eilandstaten
Duurzaam bosbeheer

Woestijnvorming
Biodiversiteit, vervuiling en overbevissing

Bescherming van het mariene milieu
Weer, klimaat en water
Natuurlijke hulpbronnen en energie
Nucleaire veiligheid

In de eerste decennia van het bestaan van de VN verschenen er maar zelden milieuproblemen op de internationale agenda. Het werk van de organisatie richtte zich met name op de ontginning en het gebruik van natuurlijke rijkdommen en op garanties dat met name de ontwikkelingslanden zelf de controle zouden houden over hun eigen natuurlijke rijkdommen. In de jaren zestig is een aantal verdragen gesloten over de vervuiling van de zee, in het bijzonder door olie. Maar sindsdien baart het stijgende aantal gevallen van milieuvervuiling op mondiale schaal de internationale gemeenschap grote zorg ten aanzien van de gevolgen van die ontwikkeling op het wereldmilieu en op het menselijk welzijn. De VN speelt een belangrijke rol bij het definiëren van milieuproblemen en bij het bevorderen van het concept ‘duurzame ontwikkeling’.

De relatie tussen economische ontwikkeling en de teloorgang van het milieu kwam op de VN-Conferentie inzake het menselijke leefmilieu (Stockholm, 1972) voor het eerst op de internationale agenda. Na de conferentie besloten regeringen tot de oprichting van het Milieuprogramma van de VN (UNEP) dat nog steeds ’s werelds belangrijkste milieuorganisatie is.

In 1973 werd het Soedan-Sahel Agentschap van de VN (UNSO) opgericht om de inspanningen te coördineren waarmee men woestijnvorming in West-Afrika een halt poogt toe te roepen. Maar er werd niet veel werk gemaakt van de behandeling van milieukwesties in de nationale economische planning en besluitvorming. Over het algemeen is het milieu er verder op achteruitgegaan en problemen als de opwarming van de planeet, het gat in de ozonlaag en watervervuiling zijn in ernst toegenomen. Ook de vernietiging van natuurlijke rijkdommen loopt in een hoog tempo op.

In de jaren tachtig werden tussen lidstaten belangrijke onderhandelingen gevoerd over milieukwesties, die onder meer hebben geleid tot verdragen over de bescherming van de ozonlaag en het beheer van giftige afvalstoffen. De Wereldcommissie voor milieu en ontwikkeling (in 1983 opgericht door de Algemene Vergadering) slaagde erin de wereld opnieuw bewust te maken van de dringende noodzaak van een nieuw concept van ontwikkeling die het economische welzijn van huidige en toekomstige generaties waarborgt en daarbij de natuurlijk hulpbronnen waarvan alle ontwikkeling afhankelijk is, beschermt. Het rapport dat de Commissie de Algemene Vergadering in 1987 heeft voorgelegd, introduceerde het nieuwe concept duurzame ontwikkeling als een alternatief voor een ontwikkeling die louter uitgaat van ongelimiteerde economische groei.

Conferenties over duurzame ontwikkeling

Op de VN-Conferentie over Milieu en Ontwikkeling (Rio de Janeiro, 1992), beter bekend geworden als de ‘Milieutop’ of Earth Summit, concludeerden wereldleiders dat de bescherming van het milieu en sociale en economische ontwikkeling fundamenteel waren voor duurzame ontwikkeling op basis van de ‘Principes van Rio’. Om deze duurzame ontwikkeling te realiseren, hebben zij toen het wereldomspannende programma Agenda 21 goedgekeurd.

Met Agenda 21 hebben regeringen een minutieuze blauwdruk geschreven voor actie die de wereld uit het huidige, niet-duurzame model van economische groei moet halen en die tot activiteiten moet leiden die het milieu beschermen en de natuurlijke rijkdommen – waarvan groei en ontwikkeling afhankelijk zijn – vernieuwen. Het actieprogramma doet ook aanbevelingen om de rol van belangrijke groepen te versterken – vrouwen, vakbonden, boeren, kinderen en jongeren, inheemse volken, de wetenschappelijke gemeenschap, plaatselijke overheden, onderneming, bedrijfstakken en NGO’s – in het streven naar duurzame ontwikkeling.

In 1997 heeft de Algemene Vergadering een speciale zitting (Earth Summit +5) gehouden over de implementatie van Agenda 21. Lidstaten waren het niet eens over de internationale financiering van duurzame ontwikkeling, maar benadrukten dat de uitvoering van Agenda 21 dringender was dan ooit. Het slotdocument van de zitting voorzag in aanbevelingen ter zake, waaronder: overeenstemming over bindende plafonds voor het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen die klimaatverandering veroorzaken; het krachtiger nastreven van duurzame patronen van energieproductie, -verdeling en -verbruik; en het prioritair nastreven van armoedebestrijding als basisvoorwaarde voor duurzame ontwikkeling.

De VN-top voor duurzame ontwikkeling (Johannesburg, 2002) heeft de vooruitgang geëvalueerd die was geboekt sinds de Milieutop van 1992. De ‘Verklaring van Johannesburg over duurzame ontwikkeling’ en het 54 bladzijden tellende ‘Plan van Uitvoer’ herbevestigden het cruciale belang van duurzame ontwikkeling en maakten de weg vrij voor de aanpak van de meest dringende problemen. Er werden afspraken gemaakt over specifieke, tijdgebonden doelen, met inbegrip van nieuwe streefdoelen in verband met de bevordering van volksgezondheid, het gebruik en de productie van chemicaliën, het behoud en herstel van visvoorraden en het beperken van het verlies aan biodiversiteit. Speciale aandacht ging naar de specifieke behoeften van Afrika en kleine eilandstaten, terwijl ook nieuwe kwesties zoals duurzame productie- en consumptiepatronen, energie en mijnbouw scherper in de kijker werden gesteld.

Na evaluatie van dit rapport, riep de Algemene Vergadering op tot de VN-Conferentie over milieu en ontwikkeling – de Earth Summit of Milieutop.

Momenteel klinkt de noodzaak voor behoud en bescherming van het milieu door in vrijwel alle VN-activiteiten. Dynamische samenwerkingsverbanden tussen de VN en regeringen, NGO’s, de wetenschappelijke gemeenschap en het bedrijfsleven zorgen voor nieuwe kennis en concrete actieplannen tegen internationale milieuproblemen. De VN benadrukt dat milieubescherming integraal deel moet uitmaken van alle economische en sociale ontwikkelingsactiviteiten. Ontwikkelingsdoelen zijn alleen te verwezenlijken als het milieu wordt beschermd.



Agenda 21

Met de goedkeuring van Agenda 21 tijdens de Milieutop, een uitgebreid actieplan voor universele duurzame ontwikkeling, hebben regeringen in 1992 een historische stap voorwaarts gezet in het veiligstellen van de toekomst van onze planeet.
Met Agenda 21 schreven regeringen een minutieuze blauwdruk voor actie die de wereld uit het huidige niet-duurzame model van economische groei moet halen en die tot activiteiten moet leiden die het milieu beschermen en die de natuurlijke rijkdommen – waarvan groei en ontwikkeling afhankelijk zijn – vernieuwen. Agenda 21 besteedt vooral veel aandacht aan de bescherming van de atmosfeer; de strijd tegen ontbossing, erosie en woestijnvorming; het voorkomen van lucht- en watervervuiling; de uitputting van de visstand; en aan een veilig beheer van giftige afvalstoffen.

Agenda 21 legt ook de nadruk op ontwikkelingsfactoren die het milieu belasten: armoede en buitenlandse schuld in de ontwikkelingslanden; onverantwoord productie- en consumptiegedrag; demografische druk; en de structuur van de internationale economie. Het actieprogramma doet ook aanbevelingen om de rol van belangrijke groepen te versterken – vrouwen, vakbonden, boeren, kinderen en jongeren, inheemse volken, de wetenschappelijke gemeenschap, plaatselijke overheden, onderneming, bedrijfstakken en NGO’s – in het streven naar duurzame ontwikkeling.

De VN heeft belangrijke stappen ondernomen om het concept ‘duurzame ontwikkeling’ te integreren in alle relevante beleidslijnen en programma’s. Inkomensgenererende projecten houden steeds meer rekening met milieueffecten. Ontwikkelingsprogramma’s richten zich meer dan ooit op vrouwen die een cruciale rol vervullen als producenten van goederen, diensten en voedsel, en als beschermers van het milieu. De morele en sociale noodzaak van armoedebestrijding krijgt een nog dringender karakter door het besef dat armoedebestrijding en de toestand van het milieu onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden.

In 1992 stelde de Algemene Vergadering de Commissie voor duurzame ontwikkeling in om zich te verzekeren van volledige internationale steun voor de doelstellingen van Agenda 21. Het is een 53 leden tellende, functionele commissie van ECOSOC die toeziet op de implementatie van Agenda 21 en de overige Earth Summit-akkoorden, met inbegrip van de conclusies van de Wereldtop voor duurzame ontwikkeling van 2002, en daarover verslag uitbrengt. De Commissie stimuleert een actieve en constante dialoog met regeringen, de burgersamenleving en internationale organisaties met het doel zo partnerschappen op te bouwen om sleutelkwesties inzake duurzame ontwikkeling aan te pakken en de mileu- en ontwikkelingsactiviteiten binnen het VN-systeem te stroomlijnen.

De Divisie voor duurzame ontwikkeling van DESA doet dienst als secretariaat voor de Commissie en ziet toe op de implementatie van Agenda 21, op het Programma voor de verdere implementatie van Agenda 21 en het Plan van Uitvoer van Johannesburg. De Divisie beantwoordt verzoeken voor beleidsondersteuning en biedt technische ondersteuning bij de opbouw van kennis en kunde in verband met duurzame ontwikkeling. De Divisie verleent ook diensten op het vlak van analyses en voorlichting.

Menselijk gedrag veranderen

De verwezenlijking van duurzame ontwikkeling impliceert een verandering van onze productie- en consumptiepatronen: wat we produceren, hoe we het produceren en hoeveel we consumeren. Methoden om dit met name in de geïndustrialiseerde wereld te verwezenlijken, verschenen op de Milieutop voor het eerst op de internationale agenda. Sindsdien stuurt de Commissie voor duurzame ontwikkeling een programma aan dat in samenwerking met organisaties binnen en buiten het VN-systeem het gedrag van individuele consumenten, gezinnen, industriële concerns, ondernemingen en overheden moet beïnvloeden. Zo stond de commissie aan de basis van de uitbreiding van de VN-richtlijnen ter bescherming van de consument met een hoofdstuk over de bevordering van duurzame ontwikkeling.

In 2002 herbevestigde de Wereldtop over duurzame ontwikkeling het belang van dergelijke activiteiten. De Top constateerde dat het veranderen van onhoudbare consumptie- en productiepatronen essentieel was voor duurzame ontwikkeling. Wereldleiders hernieuwden hun belofte om sneller veranderingen in die richting te treffen en de geïndustrialiseerde landen namen hierbij het voortouw met maatregelen op het vlak van ontwikkeling en implementering van beleid; het vergroten van ‘eco-efficiency’; het stimuleren van schonere productiemethoden; het verhogen van het bewustzijn en het benadrukken van de collectieve verantwoordelijkheid. Het bedrijfsleven en de industrie, regeringen, consumentenverenigingen, internationale organisaties, de academische gemeenschap en NGO’s namen deel aan de besprekingen van deze kwesties.

Minder bronnen aanboren en minder verspillen is het devies. Dit beperkt de kosten en vergroot de winst. Het behoud van natuurlijke rijkdommen en het indammen van de vervuiling beschermt het milieu en zorgt dat ook toekomstige generaties kunnen genieten van de rijkdommen van onze planeet.


Wereldtop voor duurzame ontwikkeling

De Wereldtop voor duurzame ontwikkeling (Johannesburg, Zuid-Afrika, van 26 augustus tot 4 september 2002) boog zich over hetgeen er na de Milieutop van 1992 was verwezenlijkt en welke nieuwe uitdagingen en kwesties waren ontstaan. Het was een ‘implementatietop’ die de doelen, beloften en afspraken van Agenda 21 in concrete, haalbare acties moest omzetten.

De Top was een vergaarbekken van een breed spectrum aan belangen. Er waren meer dan 22.000 deelnemers onder wie 100 staatshoofden, 8000 vertegenwoordigers van NGO’s, het bedrijfsleven en andere belangrijke groeperingen, en 4000 persmensen. Minstens evenveel mensen namen deel aan evenementen in de marge van de Top.

Lidstaten keurden de Verklaring van Johannesburg over duurzame ontwikkeling goed, evenals het Plan van Uitvoer waarin de prioriteiten werden geformuleerd. De Top herbevestigde dat duurzame ontwikkeling centraal stond op de internationale agenda en maakte de weg vrij voor praktische maatregelen op lange termijn die nodig waren om de meest dringende problemen in de wereld aan te pakken. Het concept duurzame ontwikkeling werd uitgebreid en versterkt, met name op het vlak van de relatie tussen economische en sociale ontwikkeling en het behoud van natuurlijke rijkdommen.

Er werden afspraken gemaakt over specifieke, tijdgebonden doelen, met inbegrip van nieuwe streefdoelen in verband met de bevordering van de volksgezondheid, het gebruik en de productie van chemicaliën, het behoud en herstel van visvoorraden en het beperken van het verlies aan biodiversiteit. Nieuwe kwesties zoals duurzame productie- en consumptiepatronen, energie en mijnbouw werden scherper in de kijker gesteld, terwijl er veel aandacht ging naar de specifieke behoeften van Afrika en kleine eilandstaten in ontwikkeling. Een uniek en belangrijk resultaat van de top was dat de internationale afspraken werden aangevuld met een reeks vrijwillige samenwerkingsinitiatieven voor duurzame ontwikkeling


Financiering van duurzame ontwikkeling

Op de Milieutop kwam men overeen dat de overheden en het bedrijfsleven van de afzonderlijke landen het grootste deel van de financiering van Agenda 21 op zich zouden nemen. Daarbij zag men echter in dat er bijkomende en nieuwe externe fondsen nodig zijn om de ontwikkelingslanden te steunen bij het invoeren van duurzame ontwikkelingspraktijken en de internationale bescherming van het milieu.

Het Mondiaal Milieusteunpunt (GEF), opgericht in 1991 en hervormd in 1994, kreeg tweemaal de taak deze fondsen te kanaliseren. In 1994 zegden 34 landen 2 miljard dollar toe aan het GEF en in 1998 schonken 36 landen nog eens 2,75 miljard extra. In 2002 fourneerden 32 landen bijna 3 miljard dollar voor de komende vier jaar. De GEF-fondsen vormen de belangrijkste middelen om de doelstellingen te verwezenlijken van de verdragen over biodiversiteit, over klimaatveranderingen en over organische verontreinigende stoffen die moeilijk afbreekbaar zijn.

GEF-projecten – voornamelijk uitgevoerd door UNDP, UNEP en de Wereldbank – beschermen en maken op duurzame wijze gebruik van biologische diversiteit, houden zich bezig met de klimaatverandering op aarde, verhelpen milieuschade in internationale wateren, elimineren geleidelijk stoffen die de ozonlaag aantasten, bestrijden bodemaantasting en droogte, en verminderen en elimineren de productie en het gebruik van bepaalde moeilijk afbreekbare vervuilende stoffen van organische herkomst.

Momenteel financiert het GEF 1200 projecten in 140 ontwikkelingslanden en overgangseconomieën. Het stelde 4,5 miljard dollar ter beschikking en haalde 13 miljard extra op via cofinanciering van projecten door begunstigde overheden, internationale ontwikkelingsorganisaties, het bedrijfsleven en NGO’s.

In 1991 werd er een multilateraal fonds in het leven geroepen om ontwikkelingslanden te helpen bij het nakomen van hun verplichtingen conform het Protocol van Montreal – het internationale verdrag gericht op de uitbanning van stoffen die de ozonlaag aantasten. Sindsdien heeft het Fonds voor meer dan 1,5 miljard dollar steun verleend aan 130 ontwikkelingslanden. Ongeveer 4000 projecten van het fonds die werden uitgevoerd door UNDP, UNEP, UNIDO, de Wereldbank en een aantal bilaterale regeringsinstanties, resulteerden in de geleidelijke eliminatie van ongeveer 180.000 ton ozonaantastende stoffen.



Milieuactie

Het hele VN-systeem houdt zich op verschillende manieren bezig met milieubescherming, maar het VN-Milieuprogramma (UNEP) is het belangrijkste orgaan op dit gebied. Als het ‘milieugeweten’ van het VN-systeem beoordeelt UNEP de toestand van het milieu in de hele wereld en identificeert het problemen die internationale samenwerking vereisen. UNEP helpt bij de formulering van internationale milieuwetgeving en helpt bij de integratie van de milieufactor in het sociale en economische beleid en de programma’s van het VN-systeem.

Onder het motto ‘Environment for Development’ helpt UNEP landen ook bij problemen die ze niet alleen kunnen oplossen. Het vormt in die zin een forum om consensus te bereiken en internationale afspraken te maken. Zo probeert UNEP ook het bedrijfsleven en de industrie, de wetenschappelijke en academische wereld, NGO’s, maatschappelijke organisaties en andere partners aan te moedigen mee te werken aan duurzame ontwikkeling.

Een van de taken van UNEP is het vergroten van wetenschappelijke kennis en informatie over het milieu. Onderzoek en de bundeling van milieu-informatie – door UNEP gestimuleerd en gecoördineerd op regionaal en mondiaal niveau – resulteerde in een reeks rapporten over de toestand van het milieu. Verslagen als Global Environment Outlook uit 2002 maakten de wereld attent op dringende milieuproblemen. Een aantal van deze rapporten heeft aanleiding gegeven tot internationale onderhandelingen over verscheidene milieuverdragen.

Via een internationaal netwerk van onderzoekscentra, met inbegrip van het netwerk Global and Regional Integrated Data (GRID) en het World Conservation and Monitoring Centre, bevordert en coördineert UNEP het verzamelen en verspreiden van gedegen wetenschappelijke data en informatie op mondiaal en regionaal niveau. Beleidsvormers, wetenschappers en leden uit het maatschappelijk speelveld kunnen via UNEP.net ook online toegang krijgen tot specifieke regionale en sectorgebonden milieu-informatie.

Het Programma voor regionale zeeën van UNEP, dat inmiddels in 140 landen loopt, beoogt de bescherming van zeeën en oceanen, en roept op tot een verantwoord gebruik van mariene hulpbronnen. Het programma richt zich op de bescherming van gemeenschappelijke mariene hulpbronnen met 13 verdragen of actieplannen. Het meest recente heeft betrekking op de noordoostelijke zone van de Grote Oceaan. UNEP verzorgt het secretariaat voor regionale verdragen en actieplannen in Oost-Afrika, West- en Centraal-Afrika, de Middellandse Zee, het Caribisch gebied, de Oost-Aziatische zeeën en het noordwestelijke gedeelte van de Grote Oceaan.

Zo’n 70 procent van het aardoppervlak bestaat uit kustwateren, oceanen en zeeën. Deze zijn essentieel voor het leven op onze planeet. Industrieel afval, mijnbouw, landbouwactiviteiten en uitstoot van motorvoertuigen, soms duizenden kilometers landinwaarts, zijn verantwoordelijk voor de meeste vervuiling. Het in 1995 onder auspiciën van UNEP aangenomen Internationale actieprogramma ter bescherming van het mariene milieu tegen activiteiten aan land, wordt beschouwd als een mijlpaal in de internationale inspanningen voor de bescherming van oceanen, riviermondingen en kustwateren tegen vervuiling door menselijke activiteit op het vasteland. Het Programma – met een Coördinatiebureau in Den Haag – houdt zich bezig met misschien wel de grootste bedreiging voor het mariene milieu: de lozing van chemicaliën, milieuverontreinigende stoffen en rioolwater in zee.

De in Parijs gevestigde Divisie voor technologie, industrie en economie van UNEP speelt een belangrijke rol bij de inspanningen van de VN om beleidsmakers bij overheden, industrie en bedrijfsleven aan te moedigen om over te stappen op schonere en veiligere beleidsopties, strategieën en werkwijzen, op een doeltreffender gebruik van natuurlijke hulpbronnen en op het terugdringen van de risico’s van vervuiling voor mens en milieu. De divisie stimuleert de overstap naar veilige, schone en milieuvriendelijke technologieën, met name wat betreft planologie en drinkwatervoorziening; helpt landen bij het opbouwen van knowhow op het vlak van het adequaat beheren van chemicaliën en van de verbetering van de chemische veiligheid wereldwijd; steunt de geleidelijke afschaffing van stoffen die de ozonlaag aantasten in ontwikkelingslanden en overgangseconomieën; helpt beleidsmakers om op energiegebied beter onderbouwde keuzes te maken, die rekening houden met alle kosten op ecologisch en maatschappelijk vlak; en werkt samen met regeringen en het bedrijfsleven aan de integratie van de aandacht voor het milieu in bedrijfsvoering, werkwijzen en producten.

UNEP Chemicaliën biedt landen toegang tot informatie over giftige chemicaliën; helpt landen bij de uitbouw van systemen om op veilige wijze chemicaliën te produceren en te gebruiken, en chemisch afval te verwerken; en steunt internationale en regionale initiatieven die noodzakelijk zijn om de risico’s rond chemicaliën te beperken of te elimineren.

UNEP en FAO stonden aan de basis van de onderhandelingen over het Verdrag inzake voorafgaande geïnformeerde toestemmingsprocedures voor bepaalde gevaarlijke chemicaliën en pesticiden in het internationaal handelsverkeer (het ‘PIC-verdrag’ van Rotterdam van 1998). Dit verdrag geeft invoerende landen het recht te beslissen welke chemicaliën ze willen ontvangen en chemicaliën te weigeren die ze niet veilig kunnen beheren. UNEP speelde ook een belangrijke rol bij de afronding in 2001 van het Verdrag van Stockholm voor moeilijk afbreekbare vervuilende stoffen van organische herkomst – een juridisch bindende overeenkomst om de uitstoot en lozing te beperken en chemicaliën uit te bannen die moeilijk afbreekbaar zijn, zich gemakkelijk verspreiden, zich ophopen in het vetweefsel van levende organismen en giftig zijn voor mens en dier. Het gaat hier om zeer giftige pesticiden, industriële chemicaliën en nevenproducten die zeer mobiel zijn en zich opstapelen in de voedselketen.

In de loop der jaren is UNEP opgetreden als katalysator voor onderhandelingen over andere internationale akkoorden die het uitgangspunt vormen voor inspanningen van de VN om de achteruitgang van onze planeet een halt toe te roepen en dat proces ten goede te doen keren. Het historische Protocol van Montreal (1987) en de latere amendementen daarop zijn gericht op het behoud van de ozonlaag in de hogere atmosfeer. Het Verdrag over het internationaal transport en de lozing van gevaarlijke afvalstoffen (Bazel, 1989) beperkt het gevaar van vervuiling door giftig afval.

Het Verdrag over de internationale handel in bedreigde diersoorten (1973) ondervindt wereldwijd erkenning als instrument om de handel in wilde dieren te beteugelen. UNEP steunde Afrikaanse landen bij de totstandkoming van de Akkoorden van Lusaka betreffende juridische samenwerking in verband met de illegale handel in wilde dieren en planten (1994). Het Verdrag inzake biologische diversiteit (1992) en het Protocol van Cartagena inzake bioveiligheid (2000) beogen de bescherming en het duurzaam en billijk gebruik van ‘s werelds rijke verscheidenheid aan planten, dieren en micro-organismen. UNEP hielp ook mee aan de onderhandelingen rond en de tenuitvoerlegging van de verdragen over woestijnvorming en klimaatverandering.



Klimaatverandering en opwarming van de aarde

Het is bewezen dat de mens verantwoordelijk is voor de ophoping van broeikasgassen in de atmosfeer die een geleidelijke opwarming van de aarde tot gevolg hebben. Kooldioxide wordt gevormd door de verbranding van fossiele brandstoffen bij het opwekken van energie of bij het kappen en verbranden van bossen. Volgens het Intergouvernementele panel voor klimaatverandering voorspellen klimaatmodellen dat tegen 2100 de temperatuur wereldwijd 1,4 tot 5,8 °C zal zijn gestegen. Dit is beduidend meer dan om het even welke klimaatverandering die zich de laatste 10.000 jaar heeft voorgedaan en zal aanzienlijke gevolgen hebben voor het milieu op aarde.

Ter voorkoming van de opwarming werd in 1992 in Rio het Raamverdrag over klimaatverandering opgesteld en ondertekend. Krachtens dit verdrag verplichten de geïndustrialiseerde landen zich tot een beperking van de uitstoot in de atmosfeer van kooldioxide en andere broeikasgassen – in 2000 moest het niveau van 1990 weer zijn bereikt. Deze landen, samen verantwoordelijk voor 60 procent van de jaarlijkse kooldioxide-uitstoot, kwamen ook overeen technologie en informatie door te geven aan ontwikkelingslanden, zodat ook zij adequaat kunnen reageren op de problemen van de klimaatverandering. In mei 2004 hadden 189 landen het verdrag geratificeerd.

Het Intergouvernementele panel voor klimaatverandering (IPCC), een gezamenlijk initiatief van UNEP en WMO, steunt de besprekingen in VN-verband. Het panel, een wereldwijd netwerk van 2500 vooraanstaande wetenschappers en deskundigen, evalueert het wetenschappelijk onderzoek op dit vlak. In 1989 leidden hun bevindingen – menselijke activiteiten zouden medeverantwoordelijk kunnen zijn voor de klimaatverandering – tot onderhandelingen over het Verdrag over klimaatverandering. In 2001 concludeerde het panel, dat inmiddels beschikte over nieuwe en krachtige computermodellen, dat ‘er nieuwe en krachtiger bewijzen waren voor het gegeven dat de afgelopen vijftig jaar gemeten opwarming van de aarde is toe te schrijven aan menselijke activiteiten’.

Het bewijs dat de IPCC-wetenschappers voorlegden loog er niet om: het doel van 1992 zou, ook al zou het op tijd worden bereikt, opwarming van de planeet en aanverwante problemen niet kunnen voorkomen. De uitstoot moest nog drastischer worden beperkt. In 1997 kwamen de landen die het verdrag hadden geratificeerd in het Japanse Kyoto bij elkaar en keurden een juridisch bindend Protocol goed waarin de geïndustrialiseerde landen zich ertoe verplichtten de gezamenlijke uitstoot van zes broeikasgassen tussen 2008 en 2012 met 5,2 procent te verminderen. Uitgangspunt was opnieuw het niveau van 1990. Het Protocol voorziet ook in verschillende innoverende mechanismen om de kosten voor het terugdringen van de uitstoot te verlagen.


Afbraak van de ozonlaag

De ozonlaag is een dunne gaslaag in de hogere atmosfeer (ongeveer 12 tot 45 kilometer boven de grond) die het aardoppervlak beschermt tegen schadelijke ultraviolette straling. Verhoogde blootstelling aan UV-stralen kan huidkanker veroorzaken en planten, algen, de voedselketen en het ecosysteem op onze planeet ernstige schade berokkenen.

UNEP coördineerde de besprekingen en beheert nu het historische Verdrag van Wenen voor de bescherming van de ozonlaag (1985), het Protocol van Montreal (1987) en de Amendementen daarop. Krachtens deze akkoorden verbieden industrielanden de productie en verkoop van CFK’s, een chemische stof die de ozonlaag afbreekt. De productie in de geïndustrialiseerde landen moet tegen 2010 volledig zijn stopgezet. Er zijn ook schema’s opgesteld voor de geleidelijke uitbanning van andere stoffen die de ozonlaag aantasten.

In 2002 bevestigde een onderzoek van UNEP en WMO naar de afbraak van de ozonlaag, uitgevoerd door meer dan 250 wetenschappers uit de hele wereld, de doeltreffendheid van het Protocol van Montreal. Volgens het evaluatierapport bereikte de totale hoeveelheid van stoffen die de ozonlaag aantasten in het onderste gedeelte van de atmosfeer een hoogtepunt in 1994 en is er sindsdien sprake van een geleidelijke afname. Waren er geen maatregelen getroffen in het kader van het Protocol, dan zou de afbraak van de ozonlaag nu veel ernstiger zijn en nog tientallen jaren voortduren. Maar ook al zorgt het Protocol voor een vermindering van het gebruik en de uitstoot van de gevaarlijke stoffen, de invloed van de chemicaliën die zich al in de atmosfeer bevinden, maakt dat de aantasting van de ozonlaag de komende jaren toch zal doorzetten.

Wetenschappers voorspellen dat de beschermende ozonlaag zich in de nabije toekomst zal herstellen en in 2050 weer helemaal intact zal zijn, mits de bepalingen van het Protocol rigoureus worden opgevolgd.



Kleine eilandstaten

Veertig kleine eilandstaten en eilandgebieden in ontwikkeling kampen met vergelijkbare problemen en kwetsbaarheden. Hun ecologische kwetsbaarheid, omvang, beperkte rijkdommen en afwezigheid op de internationale markten maken dat ze geen baat ondervinden van de globalisering, hetgeen een belangrijke hinderpaal is bij hun sociaal-economische ontwikkeling. Daarom is duurzame ontwikkeling een unieke uitdaging voor de kleine eilandstaten en voor de internationale gemeenschap in zijn geheel. Sinds de Milieutop van 1992 worden deze eilandstaten beschouwd als ‘een geval apart inzake milieu en ontwikkeling’.

De Wereldconferentie over de duurzame ontwikkeling van kleine eilandstaten in ontwikkeling (Barbados, 1994) heeft een actieprogramma aangenomen dat voorzag in beleidssuggesties, actie en maatregelen op alle niveaus ter ondersteuning van de duurzame ontwikkeling van deze landen. In 1999 evalueerde de Algemene Vergadering de tenuitvoerlegging van het programma en riep ze op tot verdere actie op specifieke gebieden. In 2005 zal de internationale gemeenschap nogmaals de vooruitgang toetsen tijdens een internationale vergadering in Mauritius, waar men naar verwacht verdere praktische maatregelen zal treffen.



Duurzaam bosbeheer

Sinds de aanvaarding door de Milieutop in 1992 van een niet-bindende verklaring over het beheer van de bossen, is er qua internationaal bosbeleid belangrijke vooruitgang geboekt. Binnen en buiten het VN-systeem zijn veel initiatieven van de grond gekomen. Van 1995 tot 2000 waren het Intergouvernementeel panel voor bossen en het Intergouvernementele forum voor bossen – beide ressorterend onder de Commissie voor duurzame ontwikkeling – de belangrijkste intergouvernementele fora voor de ontwikkeling van het bosbeleid.

In oktober 2000 richtte de ECOSOC het VN-forum voor bossen op, een intergouvernementeel orgaan waarvan alle landen ter wereld lid zijn. Het forum moet het beheer, behoud en de duurzame ontwikkeling van bossen bevorderen en de politieke goodwill in dit verband vergroten. Het Forum komt jaarlijks bijeen om prioritaire problemen te bespreken en de vooruitgang te toetsen wat betreft de tenuitvoerlegging van initiatieven van eerdere intergouvernementele lichamen.

Op uitnodiging van de ECOSOC hebben de hoofden van relevante internationale organisaties een 14 leden tellend Collaborative Partnership on Forests opgericht dat streeft naar meer samenwerking en coördinatie bij de verwezenlijking van de doelen van het VN-forum voor bossen en de implementatie van duurzaam bosbeheer wereldwijd.



Woestijnvorming

Volgens ramingen van UNEP wordt een kwart van het land op onze planeet bedreigd door woestijnvorming. Het probleem heeft directe gevolgen voor 250 miljoen mensen en brengt de middelen van bestaan van meer dan een miljard mensen in gevaar doordat landbouw- en weidegrond verschraalt. Woestijnvorming wordt beïnvloed door droogte, maar menselijke activiteiten zoals te intensieve bebouwing en begrazing, ontbossing en slechte irrigatie zijn meestal de grootste boosdoeners.

Een VN-verdrag, het Verdrag ter bestrijding van woestijnvorming in landen die kampen met ernstige droogte en/of woestijnvorming, voornamelijk in Afrika (1994), wil dit probleem aanpakken. Dit verdrag is door 186 landen ondertekend en vormt het kader voor alle activiteiten rond de bestrijding van woestijnvorming. Het verdrag richt zich op de verbetering van de landbouwproductie, op de verbetering van landbouwgrond en op het behoud en beheer van bouwland en waterbronnen. Het streeft naar de medewerking van plaatselijke bevolkingen en het bieden van faciliteiten waarmee zijzelf de verslechtering van het land kunnen omkeren. Het verdrag voorziet in criteria voor de voorbereiding van nationale actieprogramma’s in de betrokken landen en dicht NGO’s een belangrijke rol toe bij de voorbereiding en uitvoering van de actieprogramma’s.

Verscheidene VN-agentschappen helpen bij de bestrijding van woestijnvorming. UNDP biedt subsidies voor de bestrijding van woestijnvorming via het Drylands Development Centre in Nairobi, dat helpt bij de ontwikkeling van beleid, technisch advies biedt en programma’s steunt gericht op de beheersing van woestijnvorming en op het beheer van dorre gebieden. Een speciaal IFAD-programma heeft 400 miljoen dollar ingezameld – en nog eens een extra 350 miljoen via cofinanciering – voor projecten in 25 Afrikaanse landen die worden bedreigd door woestijnvorming. Ook de Wereldbank organiseert en financiert programma’s ter bescherming van kwetsbare dorre gebieden en ter verhoging van de landbouwproductiviteit op duurzame basis. FAO bevordert de duurzame ontwikkeling van de landbouw door regeringen op tal van gebieden praktische steun te verlenen. UNEP steunt regionale actieprogramma’s, beoordeelt gegevens, en creëert knowhow en bewustzijn in verband met deze problematiek.



Biodiversiteit, vervuiling en overbevissing

Biodiversiteit – de verscheidenheid van planten- en diersoorten – is essentieel voor het overleven van de mens. het Verdrag over biologische diversiteit (1992) heeft tot doel de verschillende planten- en diersoorten en hun habitat te beschermen en te behouden. De 180 verdragsstaten verplichten zich tot het behoud van de biodiversiteit, het waarborgen van de duurzame ontwikkeling ervan en tot een rechtvaardige verdeling van de opbrengsten van het gebruik van genetische hulpbronnen. In 2000 werd een protocol aangenomen over het veilige gebruik van genetisch gemanipuleerde organismen.

Het Verdrag tegen de internationale handel in bedreigde diersoorten (1973), gecoördineerd door UNEP, beoogt de bescherming van bedreigde soorten. De 162 lidstaten komen geregeld bijeen om de lijst bij te werken van planten- en diersoorten (en producten daarvan zoals ivoor) die beschermd zouden moeten worden door quota’s of een effectief verbod. Het Verdrag van Bonn inzake de bescherming van trekkende diersoorten (1979) en een reeks aanverwante overeenkomsten beogen de bescherming van trekkende diersoorten (en hun habitats) op het land, in de lucht en in de zee. Eind 2003 waren 84 staten partij bij dit verdrag.

Zure regen. Zure regen, veroorzaakt door de uitstoot van zwaveldioxide door de industrie, werd in een groot deel van Europa en Noord-Amerika sterk verminderd dankzij het Verdrag inzake vérdragende, grensoverschrijdende luchtvervuiling (1979). Het verdrag telt 48 lidstaten en wordt beheerd door de Economische Commissie voor Europa van de VN.

Gevaarlijke afvalstoffen en chemicaliën. Het Verdrag van Bazel over het internationaal transport en de lozing van gevaarlijke afvalstoffen werd in 1989 door de lidstaten goedgekeurd en betreft de behandeling van de 3 miljoen ton gevaarlijke afvalstoffen die jaarlijks worden geëxporteerd. UNEP beheert dit verdrag waarbij 157 staten partij zijn en dat in 1995 werd verscherpt met het verbod op het uitvoeren van giftige afvalstoffen naar ontwikkelingslanden, omdat die vaak niet beschikken over de technologie voor een veilige verwerking ervan. In 1999 aanvaardden regeringen het Protocol van Bazel betreffende aansprakelijkheid en schadevergoeding dat de financiële aansprakelijkheid regelt bij het illegale of onvoorziene lozen van giftig afval..

Vissen in volle zee. De overbevissing en dreigende uitputting van veel commercieel waardevolle vissoorten en de stijging van illegale, ongereglementeerde en niet gerapporteerde visvangst op open zee, maakten dat regeringen opriepen tot maatregelen voor het behoud en duurzaam beheer van visvoorraden die door grote delen van de oceaan migreren of zich in de territoriale wateren van meer dan één land ophouden. Het VN-verdrag over zwervende en migrerende visvoorraden van 1995 dat in december 2001 van kracht werd, voorziet in een regime voor het behoud en beheer van deze bestanden met het oog op het langdurig voortbestaan van de soorten.



Bescherming van het mariene milieu


Twee derde van het aardoppervlak bestaat uit zeeën en oceanen en de bescherming van die wateren is een van de belangrijkste doelen van de VN. Het werk van UNEP, vooral de vele inspanningen ter bescherming van het mariene milieu, heeft de aandacht van de wereld op de oceanen en zeeën gevestigd. De Internationale Maritieme Organisatie (IMO) is het gespecialiseerde orgaan van de VN dat verantwoordelijk is voor maatregelen ter voorkoming van vervuiling door schepen en voor het verhogen van de veiligheid in de internationale scheepvaart. Ondanks een spectaculaire groei van de internationale scheepvaart daalde de door schepen veroorzaakte olievervuiling in de jaren tachtig met 60 procent. Het olieverlies is de laatste twee decennia beduidend verder afgenomen. Dit is deels toe te schrijven aan betere methoden om het lozen van afval te beheersen, deels aan scherpere controlemogelijkheden dankzij verdragen.

In 1954 werd het baanbrekende Internationale verdrag ter voorkoming van zeevervuiling door olie goedgekeurd. In 1959 nam IMO de verantwoordelijkheid voor het verdrag op zich. Eind jaren zestig noopten een aantal ongevallen met tankers tot verdere maatregelen. Sindsdien heeft IMO veel maatregelen ontwikkeld ter voorkoming van ongevallen op zee en olieverlies, ter beperking van de gevolgen daarvan en ter bestrijding van zeevervuiling, met inbegrip van het lozen in zee van op het land geproduceerd afval.

De belangrijkste verdragen zijn: het Internationale Verdrag voor interventie op open zee ingeval van olierampen (1969); het Verdrag ter voorkoming van zeevervuiling door het lozen van afval en andere stoffen (1972) en het Internationale verdrag inzake paraatheid, reactie en samenwerking bij olievervuiling (1990).

IMO pakte ook het probleem aan van mogelijke milieuschade door routineonderhoud zoals het schoonmaken van olietanks en het lozen van afval uit de machinekamer – in termen van tonnage een grotere bedreiging dan ongelukken. De belangrijkste maatregel op dit vlak is het Internationale verdrag ter voorkoming van zeevervuiling door schepen van 1973, in 1978 gewijzigd door het Protocol (MARPOL 73/78). Dit verdrag bestrijkt niet alleen onbedoelde en operationele olievervuiling, maar ook vervuiling door chemicaliën, verpakte goederen, afvalwater en vuilnis. Volgens de Amendementen bij het Verdrag (1992) moeten alle nieuwe tankers zijn uitgerust met dubbelwandige scheepsrompen of met een voorziening die de vracht even doeltreffend beschermt bij een aanvaring of stranding.

Twee IMO-verdragen – het Internationale verdrag over burgerlijke aansprakelijkheid voor schade door olievervuiling (CLC) en het Internationale verdrag ter oprichting van een internationaal fonds voor schade door olievervuiling (FUND) – voorzien in een systeem voor schadevergoeding aan personen die financiële schade lijden ten gevolge van vervuiling. De verdragen, goedgekeurd in 1969 en 1971, en herzien in 1992, zorgen ervoor dat slachtoffers van olievervuiling eenvoudiger en sneller dan ooit schadeloos worden gesteld.



Weer, klimaat en water

De Wereld Meteorologische Organisatie (WMO) coördineert internationale wetenschappelijke activiteiten – van weersvoorspelling tot onderzoek naar klimaatverandering en vroege waarschuwing voor natuurfenomenen – om de gebruikersgemeenschap, waaronder ook de lucht- en scheepvaart, te voorzien van tijdige en accurate weersinformatie en andere diensten. De activiteiten van WMO dragen bij tot veiligheid van het leven en eigendom, economische en sociale ontwikkeling, en de bescherming van het milieu.

Binnen het VN-systeem is WMO de gezaghebbende wetenschappelijke spreekbuis voor atmosfeer en klimaat. De organisatie bevordert wereldwijde samenwerking bij de oprichting van netwerken van stations voor meteorologische, hydrologische en andere waarnemingen; stimuleert een snelle uitwisseling van weerberichten; de standaardisering van meteorologische waarnemingen en uniforme publicatie van waarnemingen en statistieken; bevordert het gebruik van de meteorologie in de lucht- en scheepvaart, bij waterproblemen, in de landbouw en voor andere weersgevoelige sociaal-economische activiteiten; moedigt operationele hydrologie aan; en bevordert onderzoek en opleiding.

Het Wereldweerprogramma is het basisprogramma van WMO en biedt de allerlaatste internationale weersinformatie via waarnemings- en telecommunicatiesystemen in de lidstaten. Dit geschiedt met 16 satellieten, 3000 luchtvaartuigen, 10.000 waarnemingsstations op de grond, 7300 stations aan boord van schepen en 900 vaste en drijvende boeien voorzien van geautomatiseerde weerstations. Elke dag worden via supersnelle verbindingen informatie en weerkaarten doorgegeven via 3 mondiale, 34 regionale en 187 nationale meteorologische centra, die samenwerken bij de voorbereiding van weeranalyses en voorspellingen. Zo kunnen schepen, vliegtuigen, onderzoekers, de media en het grote publiek voortdurend beschikken over de laatste weersgegevens.

WMO stond aan de basis van complexe overeenkomsten over internationale weernormen, codes, maatregelen en communicatiemethoden. Het Programma Tropische Orkanen helpt meer dan 50 landen in de gevarenzones met het beperken van schade en slachtoffers dankzij betere voorspellings- en waarschuwingssystemen en rampenplannen. Het WMO-programma voor de preventie en beperking van natuurrampen waarborgt de integratie van verscheidene WMO-activiteiten op dit vlak en coördineert die met aanverwante activiteiten van internationale, regionale en nationale organisaties, met inbegrip van instanties voor civiele bescherming. Het programma biedt ook wetenschappelijke en technische steun voor de respons van WMO bij rampen.

Het Wereldklimaatprogramma verzamelt en bewaart klimaatgegevens en helpt regeringen bij hun planning bij veranderende omstandigheden. Deze informatie kan de economische en sociale planning verbeteren en de kennis van klimatologische processen bevorderen. Het programma waarschuwt regeringen maanden op voorhand voor mogelijk ingrijpende klimaatveranderingen (bijvoorbeeld de fenomenen El Niño en La Niña) en de gevolgen daarvan, en voor veranderingen veroorzaakt door de natuur of de mens die belangrijke gevolgen kunnen hebben voor menselijke activiteiten. Om alle beschikbare informatie over klimaatverandering te vergaren, hebben WMO en UNEP in 1988 het Intergouvernementeel panel voor klimaatverandering opgericht.

Het Programma voor atmosferisch milieuonderzoek coördineert onderzoek naar de structuur en samenstelling van de atmosfeer; de fysieke en chemische eigenschappen van wolken; weersveranderingen; tropische meteorologie; en weersvoorspellingen. Het helpt lidstaten bij onderzoeksprojecten, de verspreiding van wetenschappelijke informatie en het toepassen van onderzoeksresultaten voor weersvoorspelling en andere technieken. Via het Wereldatmosfeerprogramma, een mondiaal netwerk van 340 stations in 80 landen, controleert het programma de niveaus van broeikasgassen, ozon, radionucliden en andere sporen van gassen en deeltjes in de atmosfeer.

Weerschade in de landbouw loopt in sommige landen soms op tot 20 procent van de jaarlijkse productie. Het Programma voor toegepaste meteorologie helpt landen bij de toepassing van meteorologische gegevens ter bescherming van het leven en eigendommen, en is ook een instrument bij sociale en economische ontwikkeling. Het streeft naar een verbetering van de nationale weerdiensten; veiliger verkeer over water en door de lucht; het beperken van de gevolgen van woestijnvorming; het verbeteren van de landbouw; en het beheer van water-, energie- en andere hulpbronnen. In de landbouw bijvoorbeeld kan via accuraat meteorologisch advies schade veroorzaakt door droogte, plagen en ziekten aanzienlijk worden beperkt.

Het Programma voor hydrologie en watervoorziening houdt zich bezig met de beoordeling, het beheer en het behoud van waterbronnen in de hele wereld. Het bevordert internationale samenwerking bij de inventarisatie van waterbronnen en bij de ontwikkeling van hydrologische netwerken en diensten, met inbegrip van gegevensvergaring en -verwerking, hydrologische voorspellingen en waarschuwingen, en het aanbieden van hydrologische en meteorologische gegevens voor constructiedoeleinden. Het programma stimuleert onder meer de samenwerking tussen landen voor gezamenlijke waterreservoirs en verzorgt gespecialiseerde voorspellingen in frequent door overstroming geteisterde gebieden om leven en eigendom beter te kunnen beschermen.

WMO’s Ruimteprogramma werd opgericht ter ondersteuning van het mondiale waarnemingssysteem van het World Weather Watch programma en andere door WMO gesteunde programma’s en aanverwante waarnemingssystemen. Het programma heeft tot doel voortdurend betere informatie, producten en diensten te bieden en deze wereldwijd beter toegankelijk en praktisch bruikbaar te maken. Het Programma voor onderwijs en opleiding stimuleert de uitwisseling van wetenschappelijke informatie via cursussen, seminars en conferenties, loopbaanontwikkeling, het in circulatie brengen van nieuwe technieken en opleidingsmaterialen, en de ondersteuning van opleidingscentra. Jaarlijks nemen honderden deskundigen uit de hele wereld deel aan specialisatiecursussen.

Het Programma voor technische samenwerking helpt ontwikkelingslanden aan technische knowhow en uitrusting om hun meteorologische en hydrologische diensten te verbeteren. Het bevordert de overdracht van technologie en van meteorologische en hydrologische knowhow en informatie. Het Regionale programma ondersteunt de implementatie van programma’s en activiteiten met een regionaal karakter via acht regionale en subregionale WMO-kantoren.




Natuurlijke hulpbronnen en energie

De VN houdt zich al lang bezig met hulp aan landen bij het beheer van hun natuurlijke hulpbronnen. In 1952 verklaarde de Algemene Vergadering dat ontwikkelingslanden ‘het recht hebben vrij te beschikken over het gebruik van hun natuurlijke hulpbronnen’ en dat ze deze bronnen moeten inzetten om hun economische ontwikkelingsplannen in het belang van het land te realiseren.

Het Comité voor energie en natuurlijke hulpbronnen voor ontwikkeling, een 24 leden tellend orgaan van ECOSOC, doet aanbevelingen inzake beleid en strategieën ten dienste van ECOSOC en regeringen, dit in samenwerking met de Commissie voor duurzame ontwikkeling. Het Comité is onderverdeeld in twee subgroepen van elk 12 leden. De Subgroep voor energie evalueert trends en kwesties in verband met de ontwikkeling van energie en coördineert de VN-activiteiten op dit vlak. De Subgroep voor waterbronnen beoordeelt kwesties rond het geïntegreerde beheer van bodems en waterbronnen, en coördineert de activiteiten van het VN-systeem.

Waterbronnen. De VN speelt al lang een belangrijke rol in de internationale crisis die wordt veroorzaakt door de afnemende capaciteit van ’s werelds watervoorraad om te voorzien in menselijke, commerciële en agrarische behoeften. De Waterconferentie van de VN van 1977, de Internationale Conferentie over Water en Milieu, en de Milieutop (1992) en het Internationaal Decennium voor drinkwater en sanitaire voorzieningen (1981-1990) richtten zich allemaal op deze onmisbare hulpbron. Dankzij het Decennium kregen 1,3 miljard mensen in ontwikkelingslanden toegang tot veilig drinkwater. Het Internationaal jaar van het zoet water (2003) had tot doel mensen over de hele wereld bewust te maken van de problemen, terwijl het eerste World Water Development Report (2003) van de VN gegevens en trends in verband met de zoetwaterbronnen in de wereld analyseerde.

Naar schatting beschikken 1,1 miljard mensen niet over voldoende drinkwater en hebben 2,4 miljard mensen geen toegang tot hygiënische voorzieningen. Tegen 2050 zal waarschijnlijk een op de vier mensen leven in een land dat te kampen heeft met chronische zoetwatertekorten. Watertekort heeft tal van oorzaken, waaronder ondoelmatig gebruik, vervuiling en ongecontroleerde exploitatie van grondwaterreserves. Er moet dringend actie worden ondernomen voor een beter beheer van de schaarse zoetwaterbronnen, waarbij de aandacht vooral moet uitgaan naar kwesties als vraag en aanbod, en kwantiteit en kwaliteit van water.

De activiteiten van de VN zijn vooral gericht op de duurzame ontwikkeling van kwetsbare en beperkte watervoorraden die zwaar onder druk staan door de bevolkinggroei, de vervuiling en de stijgende vraag naar water voor agrarische en industriële doeleinden. Zo voert het DESA een vrij omvangrijk programma voor technische samenwerking voor de ontwikkeling van waterbronnen. De Commissie voor duurzame ontwikkeling (CSD) deed onderzoek naar methoden om de beschikbaarheid van water te vergroten via bepaalde marktmechanismen (met inbegrip van prijsstelling) en er tegelijkertijd voor te zorgen dat ook armen zich water kunnen veroorloven.

Energie. Als stuwende kracht achter ontwikkeling is een toereikend energieaanbod essentieel voor economische vooruitgang en de uitroeiing van armoede. Niettemin heeft het opwekken en gebruik van conventionele energie onrustbarende gevolgen voor milieu en gezondheid. De stijgende vraag naar energie per capita en de groei van de wereldbevolking leiden tot consumptieniveaus die met de huidige energiesystemen niet zijn te handhaven.

Terwijl er inspanningen worden gedaan om over te stappen op hernieuwbare, minder vervuiling veroorzakende energiebronnen, overtreft de stijgende vraag nog steeds de introductie van vermogen opgewekt door hernieuwbare bronnen. In de overgang naar duurzame ontwikkeling moet er dus ernstig werk worden gemaakt van een meer doeltreffende energievoorziening en schonere fossiele brandstoftechnologieën. Hoewel men raamt dat tegen 2006 wereldwijd het energieverbruik zal verdubbelen, moeten er toch speciale inspanningen worden gedaan ten bate van de 2 miljard mensen, voor het merendeel wonend in plattelandsgebieden in ontwikkelingslanden, die nog geen toegang hebben tot eigentijdse commerciële energiediensten.

Het VN-systeem is betrokken bij een brede waaier activiteiten om ontwikkelingslanden bij te staan op het vlak van energie. De hulp gaat van opleiding, training en expertiseopbouw tot ondersteuning van beleidshervormingen en het instaan voor energievoorziening. De activiteiten zijn gericht op het tegemoetkomen aan de vraag naar energie binnen de context van duurzame ontwikkeling.

Technische samenwerking. De VN voert een actief technisch samenwerkingsprogramma met betrekking tot water, mineralen en energie, en ook wat betreft kleine eilandstaten in ontwikkeling. Technische steun en advies op het vlak van waterbronnen en minerale rijkdommen leggen de nadruk op natuurbehoud, het stimuleren van investeringen, wetgeving en duurzame ontwikkeling. Qua energie is de technische samenwerking gericht op toegang tot energiebronnen, hervormingen in de energiesector, op doelmatig gebruik van energiebronnen, op hernieuwbare energie, energievoorziening op het platteland, schonere technologieën met fossiele brandstoffen en energie voor vervoersdoeleinden.

De afgelopen twee decennia zijn door de VN en de VN-familie van organisaties honderden miljoenen dollars geïnvesteerd in projecten rond technische samenwerking en pre-investeringen in water, mineralen en energie. De begunstigde regeringen investeerden zelf in de vorm van personeel, faciliteiten en operationele kosten ter plaatse. Dit heeft ertoe geleid dat jaarlijks honderden projecten de ontwikkelingslanden helpen bij de duurzame exploitatie van hun natuurlijke hulpbronnen. Deze projecten versterken de knowhow binnen die landen en stimuleren nieuwe investeringen.



Nucleaire veiligheid

Momenteel genereren 441 kernreactoren wereldwijd bijna 16 procent van alle elektriciteit. In negen landen loopt dit aandeel van de kernenergie op tot 40 procent. Het Internationaal Agentschap voor Atoomenergie (IAEA), een internationale organisatie binnen de VN-familie, bevordert het veilig, zeker en vreedzaam gebruik van atoomenergie en vervult een belangrijke rol bij internationale inspanningen om kerntechnologie aan te wenden voor duurzame ontwikkeling. In het huidige debat over het gebruik van andere energiebronnen om de uitstoot van kooldioxide om te buigen dat sterk bijdraagt tot de opwarming van de aarde, benadrukt IAEA de voordelen van kernenergie als een energiebron waarbij geen broeikasgassen of andere giftige gassen vrijkomen.

IAEA treedt op als internationaal, centraal, intergouvernementeel forum voor technische en wetenschappelijke samenwerking op het vlak van atoomenergie. Het vormt een centrum voor de uitwisseling van wetenschappelijke informatie en voor de formulering van richtlijnen en normen inzake nucleaire veiligheid en doet (desgevraagd) aanbevelingen aan regeringen betreffende methoden om de veiligheid van kernreactoren te vergroten en het risico op ongelukken verder te verkleinen.

De verantwoordelijkheid van het agentschap op het vlak van nucleaire veiligheid is toegenomen met de groei van kernenergieprogramma’s en de publieke aandacht voor veiligheidsaspecten. IAEA formuleert basisnormen voor bescherming tegen radioactieve straling en publiceert richtlijnen en procedurecodes voor specifieke verrichtingen – onder meer het veilig vervoer van radioactief materiaal. IAEA legt zich tevens toe op het versnellen van noodhulp aan lidstaten bij ongevallen waarbij radioactiviteit is vrijgekomen, en wel krachtens het Verdrag over bijstand ingeval van een kernongeval of het vrijkomen van radioactiviteit (1986) en krachtens het Verdrag over vroegtijdige waarschuwing bij nucleaire ongevallen (1986). Andere internationale verdragen onder het beheer van het IAEA zijn het Verdrag over de fysieke bescherming van nucleair materiaal (1987), het Verdrag van Wenen over de burgerlijke aansprakelijkheid bij nucleaire schade (1963), het Verdrag over nucleaire veiligheid (1994) en het Gezamenlijke verdrag over de veiligheid van het beheer van afgewerkte splijtstoffen en over de veiligheid van het beheer van radioactief afval (1997).

IAEA’s technisch samenwerkingsprogramma biedt ondersteuning in de vorm van binnenlandse projecten, experts en opleiding voor de toepassing van vreedzame kerntechnieken die landen helpen op cruciale vlakken als water, gezondheid, voeding, medicijnen en voedselproductie. Een voorbeeld hiervan is het werk in verband met mutaties in de gewassenteelt, waarbij zo’n 2000 nieuwe, nuttige gewasvarianten zijn ontwikkeld met behulp van stralingstechnieken. Dit heeft geleid tot een betere voedselproductie. Nog een voorbeeld is het gebruik van isotoopanalyses in de hydrologie om waterhoudende grondlagen in kaart te brengen, grond- en oppervlaktewater te beheren, vervuiling op te sporen en tegen te gaan, en dammen te controleren op lekken en algehele veiligheid. Op deze manier wordt de toegang tot zuiver drinkwater bevorderd. Op medisch vlak levert het Agentschap dan weer de uitrusting voor radiotherapie en verzorgt het de opleiding van personeel voor de veilige behandeling van kankerpatiënten in 80 ontwikkelingslanden die ook lid zijn van IAEA.

IAEA verzamelt en verspreidt informatie over vrijwel alle aspecten van de nucleaire wetenschap en technologie via het Internationaal Nucleair Informatiesysteem (INIS) in Wenen. In samenwerking met UNESCO beheert het agentschap het Internationaal centrum voor theoretische natuurkunde in Triëst (Italië) en drie laboratoria. IAEA werkt samen met FAO aan kernfysisch onderzoek ten bate van voedsel en landbouw, en met WHO voor het gebruik van stralingstechnieken in de geneeskunde en de biologie. Het Laboratorium voor het Mariene Milieu van IAEA in Monaco onderzoekt in samenwerking met UNEP en UNESCO zeevervuiling in de hele wereld.

Het wetenschappelijke comité van de VN voor de bestudering van straling (UNSCEAR), een zelfstandig orgaan opgericht in 1955, controleert en brengt verslag uit over de niveaus en gevolgen van blootstelling aan ioniserende straling. Wereldwijd gebruiken regeringen en organisaties de ramingen als wetenschappelijke basis voor de beoordeling van stralingsrisico’s, voor het formuleren van voorschriften inzake bescherming tegen straling en andere veiligheidsnormen, en voor de regelgeving in verband met stralingsbronnen.


UNIC Logo
Terug  Home  Terug naar boven