Terug - Economische en Sociale Ontwikkeling

Sociale ontwikkeling

   
Armoedebestrijding
Hongerbestrijding
Gezondheid
Menselijke nederzettingen
Onderwijs
Onderzoek en opleidingen
Bevolking en ontwikkeling

De bevordering van vrouwen
Hulp aan kinderen
Sociale integratie (Gezinnen, Jongeren, Ouderen)
Inheemse kwesties
Andersvaliden
Een asociale samenleving: misdaad, drugs en terrorisme
Controle op drugs
Misdaadpreventie
Wetenschap, cultuur en communicatie
   

Sociale ontwikkeling is onlosmakelijk verbonden met economische ontwikkeling en al sinds de oprichting een fundamenteel onderdeel van de activiteiten van de VN. In de loop der jaren is de Verenigde Naties de sociale aspecten van ontwikkeling zwaar blijven benadrukken om ervoor te zorgen dat een beter leven voor alle mensen het belangrijkste oogmerk blijft van alle ontwikkelingsactiviteiten.

Als sinds de beginjaren heeft de VN baanbrekend werk verricht bij het onderzoek en de informatiewinning op het gebied van demografie, gezondheid en onderwijs. Dit leidde – vaak voor het eerst – tot de bundeling van betrouwbare gegevens over sociale signalen wereldwijd. De VN zet zich ook in voor het behoud van het culturele erfgoed – van monumenten tot taal – en ontfermt zich zo over samenlevingen die kwetsbaar zijn voor snelle veranderingen in de wereld.

De VN steunt ook in belangrijke mate overheidsinitiatieven voor de uitbreiding van sociale dienstverlening op het vlak van gezondheid, onderwijs, gezinsplanning, huisvesting en medische zorg voor iedereen. De VN ontwikkelt modellen voor sociale programma’s en helpt bij de integratie van de economische en sociale aspecten van ontwikkeling. Het gevoerde beleid en de programma’s steunen daarbij altijd op het principe dat de verschillende componenten van ontwikkeling – sociaal, economisch, cultureel en ecologisch – onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en niet afzonderlijk kunnen worden nagestreefd.

Belangrijke wereldconferenties sinds 1990

• Wereldconferentie over onderwijs voor iedereen, 1990, Jomtien (Thailand)
• Wereldtop voor kinderen, 1990, New York
• Internationale conferentie over voeding, 1992, Rome
• VN-conferentie over milieu en ontwikkeling (UNCED), 1992, Rio de Janeiro
• Wereldconferentie over mensenrechten, 1993, Wenen
• Internationale conferentie over bevolking en ontwikkeling, 1994, Caïro
• Wereldconferentie over de duurzame ontwikkeling van kleine eilandstaten in ontwikkeling, 1994, Barbados
• Wereldtop voor sociale ontwikkeling, 1995, Kopenhagen
• Vierde wereldconferentie voor de vrouw: actie voor gelijkheid, ontwikkeling en vrede, 1995, Beijing
• Tweede VN-conferentie over menselijke nederzettingen (Habitat II), 1996, Istanboel
• Wereldvoedseltop, 1996, Rome
• Wereldonderwijsforum, 2000, Dakar
• Derde VN-conferentie over de minst ontwikkelde landen, 2001, Brussel
• Wereldconferentie tegen Racisme, 2001, Durban
• Wereldvoedseltop vijf jaar later, 2001, Rome
• Internationale conferentie inzake financiering voor ontwikkeling, 2002, Monterrey
• Tweede wereldconferentie inzake veroudering, 2002, Madrid
• Wereldtop voor duurzame ontwikkeling, 2002, Johannesburg

Tijdens speciale zittingen heeft de Algemene Vergadering de vorderingen besproken die na vijf jaar zijn geboekt in het kader van: de VN-conferenties inzake milieu en ontwikkeling (1997), kleine eilandstaten in ontwikkeling (1999), bevolking en ontwikkeling (1999); vrouwen (2000); sociale ontwikkeling (2000); menselijke nederzettingen (2001) en kinderen (2001). In een andere speciale zitting kwamen de problemen rond HIV/aids (2001) aan bod.

 

Globalisering en liberalisering stellen nieuwe eisen aan sociale ontwikkeling. Het verlangen naar een billijke verdeling van de baten van globalisering groeit. Veel regeringen die zich grote offers hebben getroost voor economische hervormingen en liberalisering, zien zich nog niet beloond met de verwachte opbrengsten van globalisering. De voordelen zijn ook niet evenredig verdeeld, zelfs niet in de industrielanden.

Meer dan de helft van de wereldbevolking ondervindt geen baat van de nieuwe mondiale economie en het wanhopige gevoel dat de zwakken nooit zullen kunnen concurreren met de machtigen en sterken van deze wereld is nog versterkt. De voordelen van de geliberaliseerde handel en investeringsmogelijkheden moeten beter worden aangewend voor de uitroeiing van armoede, het opvoeren van werkgelegenheid en de bevordering van sociale integratie.

Bij de sociale activiteiten van de VN staat de mens meer dan ooit centraal: ontwikkelingsstrategieën concentreren zich op individuen, gezinnen en gemeenschappen. De VN heeft nogmaals benadrukt dat sociale ontwikkeling een belangrijke prioriteit is, deels omdat economische en politieke problemen tegenwoordig de internationale agenda bepalen – wat soms ten koste gaat van sociale kwesties zoals gezondheid, onderwijs en bevolking, en vaak ook ten koste van kwetsbare bevolkingsgroepen zoals vrouwen, kinderen en bejaarden.

Deze bezorgdheid heeft gemaakt dat de meest recente wereldconferenties van de VN zich hebben toegelegd op vraagstukken rond sociale ontwikkeling. Op de Wereldtop voor sociale ontwikkeling (Kopenhagen, 1995) kwamen alle leden van de internationale gemeenschap voor het eerst bijeen om de strijd aan te binden tegen armoede, werkloosheid en sociale uitsluiting en om aandacht te vragen voor sociale verantwoordelijkheid en solidariteit in de 21ste eeuw.

Deze Top heeft zich vooral onderscheiden door zijn algemeenheid, de brede benadering van het thema sociale ontwikkeling, de ethische grondslagen en de oproep voor nieuwe vormen van partnerschap en solidariteit in en tussen landen. De tien toezeggingen in de Verklaring van Kopenhagen voor sociale ontwikkeling vertegenwoordigen een sociaal contract op mondiaal niveau.

De verschillende aspecten van sociale ontwikkeling zijn een uitdaging voor zowel ontwikkelings- als industrielanden. Alle gemeenschappen worden in verschillende mate geconfronteerd met de problemen van werkloosheid, sociale versplintering en aanhoudende armoede. Een groot aantal sociale problemen – van gedwongen migratie tot drugsmisbruik, georganiseerde misdaad en de verspreiding van ziekten – kan alleen succesvol worden aangepakt door gezamenlijke internationale actie.

Binnen de VN zijn de Algemene Vergadering en de Economische en Sociale Raad verantwoordelijk voor kwesties rond sociale ontwikkeling. Zij formuleren het beleid en de prioriteiten voor het hele systeem en keuren programma’s goed. Een van de zes hoofdcommissies van de Algemene Vergadering, de Commissie voor sociale, humanitaire en culturele zaken, buigt zich over de agendapunten met betrekking tot sociale vraagstukken. Binnen de ECOSOC is de Commissie voor sociale ontwikkeling het belangrijkste intergouvernementele orgaan voor de behandeling van sociale kwesties. De Commissie telt 46 leden en adviseert de ECOSOC en regeringen omtrent het sociale beleid en de sociale aspecten van ontwikkeling.

Op het Secretariaat steunt de Divisie voor sociaal beleid en ontwikkeling van het DESA deze organen. De afdeling verricht onderzoek en analyses en geeft deskundig advies. In het hele VN-systeem zijn er tal van gespecialiseerde organisaties, fondsen, programma’s en bureaus die zich buigen over verschillende aspecten van sociale ontwikkeling.

DE WERELDTOP VOOR SOCIALE ONTWIKKELING (1995)

De wereldtop voor sociale ontwikkeling (Kopenhagen, 1995) maakte deel uit van een reeks VN-conferenties die de internationale agenda moesten verbreden en de aandacht moesten richten op belangrijke kwesties, door op te roepen tot samenwerking tussen lidstaten en medewerking van andere betrokkenen op het vlak van ontwikkeling. Staatshoofden en regeringsleiders uit 117 landen en ministers die 69 andere landen vertegenwoordigden, hebben bij die gelegenheid de Verklaring van Kopenhagen voor sociale ontwikkeling aanvaard, evenals een Actieprogramma ter zake.

Regeringen hebben plechtig beloofd zich sterk te maken voor de ‘diepgewortelde sociale problemen’ van ’s werelds meest benadeelden – in het bijzonder voor armoede, werkloosheid en sociale uitsluiting. Op de Top hebben landen blijk gegeven van hun vastberadenheid om sociale ontwikkeling te verheffen tot een belangrijke prioriteit binnen de nationale en internationale beleidsvoering en om daarbij de mens een centrale rol toe te bedelen.

Vijf jaar later bekrachtigde een Speciale Zitting van de Algemene Vergadering (Genève, 2000) het belang van billijker, sociaal rechtvaardiger en meer mensgerichte samenlevingen. Nieuwe initiatieven zijn toen goedgekeurd, waaronder de formulering van een gezamenlijke internationale strategie voor werkgelegenheid; de ontwikkeling van vernieuwende openbare en particuliere financieringsbronnen voor programma’s voor sociale ontwikkeling en de uitroeiing van armoede; en het vaststellen van het eerste internationale doel voor de uitbanning van armoede. Dat doel is het aantal mensen dat in extreme armoede leeft tegen 2015 te halveren.

Na de top werden op nationaal niveau verschillende beleidslijnen en programma’s uitgewerkt. Sociale ontwikkeling kreeg meer prioriteit in het nationale en internationale beleid. Staten zien in dat sociale verbeteringen integraal deel moeten uitmaken van het ontwikkelingsbeleid op nationaal en internationaal niveau en dat mensen centraal moeten staan bij ontwikkelingsvraagstukken. De Top heeft er ook toe geleid dat de VN haar activiteiten in dezen is gaan heroriënteren.

Niettemin houden internationaal en nationaal beleid niet altijd gelijke tred. Ondanks progressie her en der, is op bepaalde kernpunten weinig vooruitgang geboekt en is er op andere punten zelfs sprake van achteruitgang. De ongelijkheid binnen staten en tussen staten onderling blijft groeien.




Armoedebestrijding

Binnen het VN-systeem is de uitroeiing van armoede een belangrijke prioriteit. De Algemene Vergadering heeft de periode 1997-2006 uitgeroepen tot Internationaal Decennium voor de uitroeiing van armoede. Het doel is extreme armoede uit te bannen en de armoede wereldwijd terug te dringen met doeltreffend ingrijpen op nationaal vlak en door internationale samenwerking. In de Millenniumverklaring beloven wereldleiders plechtig het aantal mensen dat van minder dan 1 dollar per dag leeft, tegen 2015 te zullen hebben gehalveerd en stellen zij zich ook een aantal andere streefdoelen in de strijd tegen armoede en ziekte.

Het Ontwikkelingsprogramma van de VN (UNDP) speelt hierbij een cruciale rol en het heeft armoedeverlichting verheven tot zijn belangrijkste doel. UNDP beschouwt armoede als een complex fenomeen dat verband houdt met een gebrek aan invloed, gebrek aan inkomen en gebrek aan basisvoorzieningen.

UNDP steunt regeringen en maatschappelijke organisaties bij het aanpakken van een uitgebreide reeks factoren die medeverantwoordelijk zijn voor armoede. Daarbij gaat het om het vergroten van de voedselzekerheid; verbetering van huisvesting en basisvoorzieningen; het creëren van werkgelegenheid; mensen ruimere toegang bieden tot grond, kredieten, technologie, opleiding en markten; en mensen de mogelijkheid bieden deel te nemen aan de politieke processen die hun leven bepalen. De essentie van de activiteiten die UNDP ontplooit tegen armoede is de bevordering van de zeggenschap van arme mensen.

Naar schattingen van de Wereldbank is het aantal mensen dat in extreme armoede leeft in de periode 1990-1999 met ongeveer 125 miljoen gedaald en het aantal mensen dat wereldwijd van minder dan één dollar per dag moet leven daalde van 29 tot 22,7 procent. Toch is het niet erg waarschijnlijk dat het streefdoel van de Millenniumverklaring om het aantal mensen dat in extreme armoede leeft tegen 2015 te halveren, ook in alle regio’s in de wereld wordt bereikt. Bovendien lag in de ontwikkelingslanden het kindersterftecijfer bij kinderen jonger dan vijf jaar in 2000 gemiddeld tien keer hoger dan in de industrielanden. In zuidelijk Afrika, waar dat cijfer het hoogste is, was de kindersterfte van kinderen jonger dan vijf in de jaren negentig slechts met drie procent gedaald. Dit is deels toe te schrijven aan de overdracht van HIV van moeder op kind.

Volgens ramingen van FAO is ondervoeding in ontwikkelingslanden gedaald van 29 tot 17 procent in de periode van 1979-81 tot 1997-99. Toch waren er in dat jaar nog steeds 777 miljoen mensen die aan ondervoeding leden. Veel ontwikkelingslanden, met name in zuidelijk Afrika, vertoonden slechts een marginale daling. Het aantal mensen met toegang tot schoon drinkwater is in de jaren negentig gestegen van 77 tot 82 procent. Hoewel meer dan 40 procent van de bevolking van zuidelijk Afrika nog geen toegang heeft tot zuiver drinkwater, lijkt het streefdoel van de Millenniumverklaring om dit percentage te halveren, haalbaar.

Millenniumverklaring: streefdoelen voor armoedebestrijding,
ziektebestrijding en milieubehoud


Tijdens de Millenniumtop in september 2000 hebben de wereldleiders zich ertoe verbonden de volgende streefdoelen te zullen realiseren:

• Tegen 2015: het aantal mensen met een inkomen van minder dan één dollar per dag te hebben gehalveerd en in datzelfde jaar ook het aantal mensen dat niet beschikt over veilig drinkwater met de helft te hebben teruggebracht.
• Ook tegen 2015: ervoor te zorgen dat alle kinderen – jongens en meisjes – overal in staat zijn het basisonderwijs geheel te doorlopen, en dat meisjes en jongens in gelijke mate toegang hebben tot alle vormen van vervolgonderwijs.
• Moedersterfte te reduceren met drie vierde, en kindersterfte bij kinderen jonger dan vijf jaar met twee derde.
• De verdere verspreiding van HIV/aids, malaria en andere ernstige ziekten te stoppen.
• Speciale hulp te bieden aan kinderen die door toedoen van HIV/aids wees zijn geworden.
• Tegen 2020 te zijn gekomen tot significante verbeteringen in het leven van ten minste 100 miljoen sloppenwijkbewoners.
• Seksegelijkheid en meer zeggenschap voor vrouwen te bevorderen als doeltreffende manieren om armoede, honger en ziekte te bestrijden en om duurzame ontwikkeling te stimuleren.
• Strategieën te ontwikkelen en uit te voeren die jonge mensen in alle landen een echte kans bieden op het vinden van volwaardig en productief werk.
• De farmaceutische industrie aan te moedigen om basisgeneesmiddelen op grotere schaal beschikbaar te stellen en ze betaalbaar te houden voor iedereen die ze nodig heeft in ontwikkelingslanden.
• Partnerships aan te gaan met het bedrijfsleven en met maatschappelijke organisaties bij het streven naar ontwikkeling en armoedebestrijding.
• Ervoor zorg te dragen dat iedereen zijn voordeel zal kunnen doen met nieuwe technologieën – in het bijzonder met informatie- en communicatietechnologie.

In de Millenniumverklaring beloven de wereldleiders ook actie te ondernemen met betrekking tot een aantal milieukwesties, namelijk:

• Alles in het werk te stellen om het van kracht worden van het Kyoto Protocol te bespoedigen, bij voorkeur tegen 2002, en om van start te gaan met de vereiste terugdringing van de uitstoot van broeikasgassen.
• Druk uit te oefenen om te komen tot de volledige implementatie (in het bijzonder in Afrika) van het Verdrag inzake biologische diversiteit en het Verdrag inzake de bestrijding van woestijnvorming.
• Een einde te stellen aan de onverantwoorde exploitatie van watervoorraden, door op regionaal, nationaal en lokaal niveau strategieën voor waterbeheer te ontwikkelen.
• Te komen tot intensievere samenwerking om het aantal (en de gevolgen van) natuurrampen en door mensen veroorzaakte calamiteiten terug te dringen.
• Zorg te dragen voor vrije toegankelijkheid van informatie over het menselijk DNA.

 

Uit de cijfers blijkt dat er vooruitgang is geboekt in het streven naar algemeen onderwijs tegen 2015: in de periode van 1990 tot 1998 is het aantal leerlingen in het basisonderwijs gestegen met ongeveer 82 miljoen. Tussen 1990 en 2000 is het aantal kinderen dat kan lezen en schrijven toegenomen van 84 tot 87 procent – als deze trend aanhoudt, zal dat tegen 2015 oplopen tot 91 procent. Ofschoon er tekenen zijn van verbetering wat betreft de gelijke behandeling van vrouwen in het onderwijs, bestaat er in de ontwikkelingslanden op alle onderwijsniveaus nog steeds een belangrijke kloof tussen het aantal inschrijvingen voor jongens en voor meisjes.

De internationale financiële instellingen van het VN-systeem spelen een centrale rol bij de financiering van de talrijke programma’s die zich concentreren op de sociale aspecten van armoedeverlichting. Ter ondersteuning van de ontwikkelingsdoelen voor het nieuwe millennium (MDG’s), stelt de Wereldbank vier prioriteiten: onderwijs voor allen; HIV/aids; water en sanitaire voorzieningen; en gezondheid. Binnen het totale bedrag van 11,2 miljard dollar aan leningen in het fiscale jaar dat op 30 juni 2003 werd afgesloten, bereikten leningen en subsidies voor onderwijs een recordhoogte van 2,3 miljard dollar. Er werden projecten goedgekeurd rond gezondheid en sociale voorzieningen voor een totaal van 3,4 miljard dollar en er werd 1,4 miljard dollar besteed aan projecten voor water, sanitaire voorzieningen en de preventie van overstromingen – in het voorafgaande boekjaar was dat nog 546 miljoen dollar.


De Internationale Ontwikkelingsassociatie (IDA) is de grootste verstrekker van fondsen voor sociale basisvoorzieningen in de armste landen. Dankzij IDA kregen Afrikaanse scholieren 5 miljoen schoolboeken, werden in Azië 6700 gezondheidscentra gebouwd en van personeel voorzien, en werden 9,5 miljoen mensen in Latijns-Amerika geholpen dankzij sociale investeringsprojecten. In het boekjaar 2003 verstrekte IDA 7,3 miljard dollar voor ontwikkelingsprojecten. Sinds de oprichting in 1960 heeft IDA 142 miljard dollar ter beschikking gesteld ter ondersteuning van nationale initiatieven rond armoedebestrijding in de context van belangrijke beleidspunten, zoals het verhogen van de productiviteit, de ontwikkeling van deugdelijk openbaar bestuur, de verbetering van het investeringsklimaat en de toegang tot onderwijs en gezondheidszorg voor de armen.




Honger bestrijden

De laatste vijftig jaar, sinds de oprichting van de VN, is de voedselproductie razendsnel toegenomen: ze verdubbelde sneller dan de wereldbevolking in dezelfde periode deed. Sinds het begin van de jaren zestig is het aantal mensen met honger in de ontwikkelingslanden gedaald van meer dan vijftig tot minder dan twintig procent. Ondanks deze verwezenlijking blijft honger een enorm internationaal probleem.

Vandaag produceert de wereld genoeg voedsel om elke man, vrouw en elk kind een gezond en productief leven te bieden. Toch lijdt een op de zeven mensen op onze planeet honger. Meer dan 800 miljoen mensen – meer dan het totale aantal Europeanen – gaan elke avond met honger naar bed. Per dag sterven 24.000 mensen, de helft van hen kinderen, van honger en aanverwante oorzaken. Dat betekent één kind om de acht seconden.

De meeste VN-organen die honger in de wereld bestrijden, voeren belangrijke sociale programma’s gericht op meer voedselzekerheid voor de armere delen van de bevolking, met name op het platteland. Sinds haar oprichting zet de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN (FAO) zich in voor armoede- en hongerbestrijding, door het stimuleren van landbouwontwikkeling, verbeterde voeding en het streven naar voedselzekerheid – de situatie waarbij alle mensen altijd toegang hebben tot het voedsel dat ze nodig hebben voor een gezond en actief leven.

FAO’s Comité voor wereldwijde voedselzekerheid is verantwoordelijk voor het controleren en beoordelen van de voedselzekerheid in de wereld en beraadslaagt over de stand van zaken. Het Comité analyseert de voedselbehoeften, raamt de beschikbaarheid en voorraden, en ziet toe op het gevoerd beleid inzake voedselzekerheid. Met het Wereldwijd systeem voor informatie en tijdig alarm beschikt FAO over een uitgebreid controlesysteem dat met behulp van satellieten toezicht houdt op omstandigheden die de voedselproductie kunnen beïnvloeden en dat regeringen en donoren waarschuwt bij een potentiële bedreiging van de voedselvoorraden.

Het Speciale programma voor voedselzekerheid van FAO richt zich op de 83 landen waar de overgrote meerderheid woont van de mensen die chronisch honger lijden. Het Programma probeert de voedselproductie op te voeren en de levensomstandigheden voor boeren te verbeteren. Bij dit programma kiezen en gebruiken boeren in een testfase eerst bepaalde technologieën om hun voedselproductie te vergroten. De meest succesvolle technologieën worden dan in een volgende fase breed beschikbaar gesteld.

Op de Wereldvoedseltop (Rome, 1996) die werd opgezet door FAO, hebben 186 landen een Verklaring en Actieplan voor de Wereldvoedselzekerheid aanvaard. Doel daarvan is om tegen 2015 honger in de wereld met de helft te verminderen en om manieren te ontwikkelen ter verzekering van wereldwijde voedselzekerheid. Aan de ‘Wereldvoedseltop vijf jaar later’ (Rome, 2002) namen 179 landen en de Europese Unie deel. Onder de aanwezigen bevonden zich 73 staatshoofden en regeringsleiders of hun vertegenwoordigers. De Top riep op tot een internationale alliantie om de strijd tegen honger in de wereld op te voeren. Dit leidde tot de unanieme aanvaarding van een verklaring die de internationale gemeenschap opriep de belofte in te lossen die op de top van 1996 werd gemaakt om tegen 2015 het aantal mensen met honger met de helft, met ongeveer 400 miljoen, te verminderen.

Het Internationaal Fonds voor Landbouwontwikkeling (IFAD) stelt ontwikkelingsgeld ter beschikking voor de bestrijding van honger en armoede bij plattelandsgemeenschappen in de armste gebieden van de wereld. Ongeveer 900 miljoen mensen – 75 procent van de 1,2 miljard mensen die wereldwijd in extreme armoede leven – woont op het platteland. Daarom verleent IFAD prioriteit aan de bestrijding van de armoede in deze gemeenschappen. Ontwikkelingshulp moet daadwerkelijk terechtkomen bij de mensen die deze hulp het hardst nodig hebben. Daarom betrekt IFAD de arme plattelandsbevolking, zowel mannen als vrouwen, nauw bij hun eigen ontwikkeling. De lokale afdelingen van IFAD in 114 landen onderhouden voortdurend en direct contact met de arme plattelandsbevolking. Het zijn de mogelijkheden en beperkingen van deze mensen die het hart uitmaken van de expertise van IFAD.

Op het sociale vlak houdt IFAD zich bezig met het organiseren en mobiliseren van boeren- en vissersverenigingen in de arme gemeenschappen. Gebruik makend van leningen om basisbenodigdheden zoals zaden, meststoffen, gereedschap en netten te financieren, om middelen te kopen voor het verwerken van voedsel of om minibedrijfjes op te zetten, zijn miljoenen vrouwen en mannen op het platteland erin geslaagd een bestaan op te bouwen boven het overlevingsniveau en hebben ze zo hun gezinnen en gemeenschappen uit de armoede kunnen optrekken. Sinds 1977 heeft IFAD 633 projecten in 115 landen gefinancierd. Voor elke dollar die het Fonds zelf heeft geïnvesteerd, wist het 2 dollar te werven van andere donoren en gastlanden. Zo kwam in totaal 22,2 miljard dollar beschikbaar voor projectkosten.

IFAD heeft ervoor gezorgd dat 250 miljoen armen op het platteland die ooit verkeerden in de marge van de samenleving, nu een bijdrage leveren aan de economie van hun land. Als alles eenmaal loopt, betaalt de arme plattelandsbevolking de leningen ook probleemloos terug: 97 procent van de leningen wordt stipt terugbetaald. Dit gegeven heeft ertoe geleid dat wereldwijd programma’s voor kleine leningen zijn opgezet.

Het Wereldvoedselprogramma (WFP), de grootste voedselorganisatie ter wereld, bood in 2002 voedselhulp aan meer dan 72 miljoen mensen in 82 landen en bereikte in 2003 het record van 110 miljoen mensen. WFP betrekt, meer dan om het even welke andere VN-organisatie, voedsel en diensten uit ontwikkelingslanden zelf, om zo hun economieën extra te steunen.

De laatste dertig jaar heeft WFP 27,8 miljard dollar geïnvesteerd en meer dan 43 miljard kilogram voedsel aan hongerbestrijding verstrekt. Daarbij ging de aandacht vooral uit naar noodhulp, steun en herstel, ontwikkelingshulp en speciale operaties. In noodsituaties staat WFP altijd in de frontlinie om voedselhulp te verlenen aan de slachtoffers van conflicten, burgeroorlogen, droogte, mislukte oogsten en natuurrampen. Als verholpen is aan de oorzaken die aan de basis van de noodsituatie liggen, helpt WFP gemeenschappen met voedsel om het normale leven te herstellen.

Voor WFP is voedselhulp een van de meest doelmatige ‘afschrikmiddelen’ tegen armoede. De ontwikkelingsprojecten die in 2002 zijn opgezet ten bate van 14 miljoen mensen in 55 landen, richten zich vooral op voeding, eten op school, bouwen voor de toekomst, het voorkomen van rampen en de ondersteuning van duurzame middelen van bestaan. WFP vervoert meer voedselhulp (90 procent daarvan per schip) dan enige andere internationale organisatie.

Voedsel-voor-werk-programma’s stimuleren onafhankelijkheid door arbeiders voedsel te bieden in ruil voor de aanleg van wegen en havens, het bouwen van ziekenhuizen en scholen, het opstarten van kleine bedrijven en de aanplanting van bossen. WPF betaalt arbeiders met voedsel voor bouwactiviteiten en biedt gratis lunches aan om kinderen naar de scholen te lokken en hen de kracht te geven om te studeren. Voedsel moedigt ook zwangere moeders en kleuters aan om gezondheidscentra te bezoeken.

Voedsel-voor-groei-projecten zijn gericht op arme mensen in de kritieke levensfasen – baby’s, schoolkinderen, zwangere vrouwen en bejaarden – waarbij voedsel wordt ingezet als preventief geneesmiddel. In landen als Haïti, Pakistan, Marokko en Mozambique gebruikt WFP voedselhulp om kwetsbare moeders en kinderen naar gezondheidscentra en voedingscursussen te lokken en hen aan te moedigen te leren lezen en schrijven.

VN-programma’s bewijzen keer op keer dat honger en armoede zijn te bestrijden met sociaal relevante, zorgvuldig geplande programma’s die zijn gericht op de langetermijnbehoeften van kwetsbare samenlevingen. WFP zet zich in voor deze steun. Het programma helpt ook vrouwen om op voet van gelijkheid te kunnen beschikken over levensnoodzakelijke basisvoorzieningen en levert voedselhulp om problemen op het vlak van HIV/aids aan te pakken.

WFP steunt voor de financiering van humanitaire hulp en ontwikkelingsprojecten vrijwel volledig op vrijwillige bijdragen. Het programma beschikt niet over eigen middelen, maar heeft niettegenstaande het grootste budget van alle VN-agentschappen en programma’s het kleinste hoofdkantoor en de laagste overheadkosten. De belangrijkste bijdragen zijn afkomstig van regeringen, maar ook in groeiende mate van het bedrijfsleven en particulieren. WFP werkt ook samen met meer dan duizend NGO’s die met hun fundamentele en technische kennis en kunde onmisbaar zijn om de voedselhulp bij de juiste personen terecht te doen komen.



Gezondheid

Vrijwel overal ter wereld leven mensen langer, daalt het kindersterftecijfer en weet men ziektes onder controle te houden, omdat meer mensen toegang hebben tot medische basisvoorzieningen, vaccinatie, zuiver drinkwater en sanitaire voorzieningen. De VN is nauw betrokken bij veel van deze ontwikkelingen, vooral in de ontwikkelingslanden waar de organisatie helpt bij het opzetten van gezondheidsdiensten, het beschikbaar stellen van noodzakelijke medicijnen en de zorg voor schonere steden. Verder verleent de VN medische zorg in noodsituaties en draagt ze bij tot de bestrijding van besmettelijke ziekten. De Millenniumverklaring stelt voor 2015 ook haalbare doelen voor landen op het vlak van voeding, toegang tot veilig drinkwater, gezondheidszorg voor moeder en kind, bestrijding van besmettelijke ziekten en toegang tot basismedicijnen.

Besmettelijke ziekten blijven wereldwijd een belangrijke bedreiging. Men gaat ervan uit dat 45 procent van de sterfgevallen in Afrika en Zuidoost-Azië in 1998 was toe te schrijven aan een besmettelijke ziekte en dat wereldwijd 48 procent van de voortijdige overlijdens (voor de leeftijd van 45 jaar) wordt veroorzaakt door besmetting. Dit is mede te wijten aan een toenemende resistentie tegen medicijnen, aan het feit dat er wereldwijd veel meer wordt gereisd en aan de opkomst van nieuwe ziekten zoals SARS (severe acute respiratory syndrome). Toch is de oorzaak en behandeling van de meeste besmettelijke ziekten bekend en zijn ziekte en dood in de meeste gevallen voor een aanvaardbare prijs te vermijden. De belangrijkste infectieziekten zijn HIV/aids, malaria en tuberculose (zie inzet). Het tegenhouden en terugschroeven van het aantal besmettingen is een van de belangrijke ontwikkelingsdoelen voor het nieuwe millennium.

Al tientallen jaren neemt de VN het voortouw in de strijd tegen ziekte met de ontwikkeling van beleid en systemen gericht op de sociale dimensies van gezondheidsproblemen. Het Kinderfonds van de VN (UNICEF) concentreert zich op de gezondheid van kinderen en moeders, en het Bevolkingsfonds van de VN (UNFPA) op een gezonde voortplanting en geboorteregeling. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) is de gespecialiseerde organisatie die zich wereldwijd inzet voor de strijd tegen ziekten (zie ook hoofdstuk 1). De WHO streeft ambitieuze doelen na: gezondheid voor allen, gezonde voorplanting voor iedereen, samenwerkingsverbanden opzetten en gezonde leefgewoonten en -omgevingen bevorderen.

De WHO was de drijvende kracht achter belangrijke historische mijlpalen. Een daarvan was de universele uitroeiing van pokken in 1980, die werd bereikt na een campagne van tien jaar. In samenwerking met partners realiseerde de WHO in 1994 de uitroeiing van poliomyelitis in Noord- en Zuid-Amerika – de eerste belangrijke stap in de richting van een poliovrije wereld in 2005.

Nog een grote doorbraak was de goedkeuring van een grensverleggend verdrag om het gebruik van tabak aan banden te leggen. Het Kaderverdrag inzake Tabakscontrole (FCTC) van de WHO behandelt de taksen op tabak; preventie en behandeling van rookgedrag; illegale handel, reclame, sponsoring en promotie; en regelgeving inzake tabaksartikelen. De 192 WHO-lidstaten hebben het verdrag, dat in juni 2003 werd opengesteld voor ondertekening, unaniem goedgekeurd. Het FCTC speelt een cruciale rol in de internationale strijd tegen het roken. In 2002 stierven 4,9 miljoen mensen aan de gevolgen van tabaksgebruik – een sterke stijging ten opzichte van ramingen uit 2000, omdat de dodelijke tol van tabakgerelateerde sterfgevallen in ontwikkelingslanden nu pas echt duidelijk wordt. Als er geen actie wordt ondernomen, zullen er tegen 2020 jaarlijks 10 miljoen (meer dan 70 procent daarvan in ontwikkelingslanden) tabaksdoden te betreuren zijn.

Een wereld zonder polio in zicht

Toen in 1988 het Mondiaal initiatief voor de uitroeiing van polio van start ging, waren er wereldwijd zo’n 350.000 gevallen van kinderverlamming bekend. En elke dag raakten nog 1000 kinderen verlamd in meer dan 125 landen verspreid over de vijf continenten. Na een brede campagne om miljoenen kinderen onder de 5 jaar tijdens nationale vaccinatiedagen in te enten, daalde dit cijfer in 2003 tot 677 gemelde gevallen, een daling van meer dan 99 procent.

Momenteel zijn er in de ontwikkelingslanden 3 miljoen mensen op de been, die verlamd zouden zijn, waren ze niet ingeënt tegen polio. Tienduizenden medewerkers in de openbare gezondheidszorg en vrijwilligers kregen een opleiding, transport- en communicatiesystemen voor immunisering werden versterkt. Sinds 1988 zijn wereldwijd 2 miljard kinderen ingeënt dankzij de samenwerking met 200 landen en 20 miljoen vrijwilligers, en een investering van 3 miljard dollar.

Dit succes is mede mogelijk gemaakt door een ongekende samenwerking op het vlak van gezondheid aangestuurd door WHO, UNICEF, de Centra voor de ziektebeheersing en -preventie in de Verenigde Staten en Rotary International, die tegen 2005 voor 500 miljoen dollar zullen hebben bijgedragen aan de campagne. Ministeries voor Volksgezondheid, donorregeringen, stichtingen, ondernemingen, beroemdheden, de Secretaris-Generaal van de VN, ex-president Nelson Mandela van Zuid-Afrika, filantropen, zorgmedewerkers en vrijwilligers hebben allen hun steentje bijgedragen.

Momenteel zijn er nog slechts zes landen waar polio voorkomt: Nigeria, India, Pakistan, Egypte, Niger en Afghanistan. In 2004 heeft men daar een reeks grootschalige campagnes op touw gezet om 250 miljoen kinderen verschillende malen in te enten en zo de ziekte volledig uit te roeien. De besparingen in de gezondheidszorg van zo’n volledige uitroeiing – na het stopzetten van de inentingen – worden geraamd op 1,5 miljard dollar per jaar.


Tussen 1980 en 1995 leidde een gezamenlijke inentingscampagne van WHO en UNICEF ertoe dat het aantal kinderen dat kon worden behoed tegen zes dodelijke ziekten – polio, tetanus, mazelen, kinkhoest, difterie en tuberculose – steeg van 5 tot 80 procent. Zo redden de twee organisaties jaarlijks het leven van 2,5 miljoen kinderen. Een soortgelijk initiatief is de Mondiale alliantie voor vaccins en inenting die de inspanningen op inentingsgebied uitbreidt tot bescherming tegen hepatitis B – waaraan jaarlijks 1 miljoen mensen sterven – en besmetting met het griepvirus type B, waaraan jaarlijks 900.000 kinderen jonger dan vijf overlijden. De internationale alliantie die in 1999 werd opgericht met fondsen van de Bill and Melinda Gates Foundation, omvat verder WHO, UNICEF, de Wereldbank, de VN-Stichting en partners uit het bedrijfsleven.

 


De VN in de strijd tegen HIV/AIDS
(www.unaids.org)

HIV/aids is een ontwikkelingsramp van mondiale afmetingen geworden. In 2003 stierven meer dan 3 miljoen mensen aan aids – een gemiddelde van 8000 doden per dag – terwijl 5 miljoen mensen besmet raakten met HIV, 10 mensen per minuut. Eind 2003 waren er 40 miljoen mensen die besmet waren met het virus, 2,5 miljoen van hen waren niet ouder dan vijftien jaar. Vandaag raamt men het aantal mensen dat aan deze ziekte is gestorven op 28 miljoen.

In Afrika zijn er inmiddels 11 miljoen aidswezen. De helft van hen is tussen tien en veertien jaar oud. In de zwaarst getroffen gebieden daalt de levensverwachting spectaculair. HIV/aids verspreidt zich alarmerend snel onder vrouwen die wereldwijd de helft van het aantal besmette mensen uitmaken. De epidemie verspreidt zich het snelst in regio’s die tot nu toe grotendeels gespaard gebleven waren, met name Oost-Europa en heel Azië, van de Oeral tot de Stille Oceaan.

Om deze wereldomspannende bedreiging aan te pakken hebben negen VN-organisaties de handen ineen geslagen met het Gezamenlijk VN-programma voor HIV/aids (UNAIDS) – de belangrijkste pleitbezorger voor wereldwijde actie om de verspreiding van de ziekte te voorkomen, zorg en steun te bieden, de kwetsbaarheid van personen en samenlevingen te beperken en de gevolgen van de epidemie te temperen. UNAIDS steunt op vrijwillige bijdragen van regeringen, stichtingen, ondernemingen, privé-organisaties en individuen, en treedt meer op als katalysator en coördinator voor initiatieven rond aids-bestrijding dan als een rechtstreeks financierende of operationele organisatie. De begroting voor 2003 bedroeg 95 miljoen dollar.

Daarnaast riep de Secretaris-Generaal ook op om actie te ondernemen tegen de HIV/aids-epidemie en noemde dit een persoonlijke prioriteit. Hij heeft zich dan ook sterk gemaakt voor het Global Aids and Health Fund – vaak kortweg Wereldaidsfonds genoemd – dat in 2002 operationeel werd. Het Fonds draagt bij tot dekking van de stijgende kosten die moeten worden gemaakt om ontwikkelingslanden te helpen de crisis te beteugelen.

De aandacht van UNAIDS gaat vooral uit naar vrouwen (de helft van alle mensen besmet met het HIV-virus), jongeren (de helft van alle nieuwe gevallen wereldwijd zijn jonge mensen tussen 15 en 24 jaar) en andere kwetsbare groepen; naar de overdracht van het virus van moeder op kind; richtlijnen voor de te verstrekken zorg; de ontwikkeling van vaccins; en speciale initiatieven voor zwaar getroffen gebieden, met name Afrika. UNAIDS streeft ook naar meer medewerking van politieke leiders, het bevorderen van onderzoek en het creëren van een omgeving die steun biedt aan slachtoffers van de ziekte.

UNAIDS werkt samen met regeringen, ondernemingen, media, religieuze en maatschappelijke organisaties, verenigingen en netwerken van mensen met HIV/aids. In ontwikkelingslanden wisselen medewerkers van UNAIDS en vertegenwoordigers van sponsorende organisaties informatie uit, zij ondernemen gezamenlijk actie en beslissen over de gezamenlijke financiering van belangrijke anti-aidsinitiatieven. Het belangrijkste doel: inspanningen steunen die het gastland in staat stellen zélf doeltreffend op te treden.

De laatste jaren is het aantal sterfgevallen ten gevolge van aids gestaag gedaald in de landen met een hoog inkomen, waar mensen algemeen toegang hebben tot antiretrovirale therapieën. Op Wereldaidsdag 2003 (1 december) presenteerden UNAIDS en WHO een gedetailleerd plan om tienduizenden maatschappelijke werkers in ontwikkelingslanden en overgangseconomieën op te leiden teneinde tegen 2005 antiretroviale behandelingen te verzorgen van 3 miljoen seropositieve mensen.

In de Millenniumverklaring beloven wereldleiders tegen 2015 verdere verspreiding van deze ziekte te zullen hebben gestopt en speciale steun te zullen bieden aan kinderen die ouderloos zijn achtergebleven ten gevolge van deze ziekte.

Dracunculiasis, een ziekte veroorzaakt door de Guinea-worm, is bijna uitgeroeid dankzij nieuwe en betere behandelmethoden, en hetzelfde geldt voor lepra. Rivierblindheid is vrijwel volledig verdwenen uit de 11 West-Afrikaanse landen waar de ziekte voorkwam – een prestatie waarbij miljoenen mensen zijn geholpen. WHO richt zich nu op de uitroeiing van elefantiasis als probleem voor de volksgezondheid.

De prioriteiten van WHO op het vlak van overdraagbare ziekten zijn: de gevolgen van malaria en tuberculose verkleinen door internationale samenwerking; een betere bewaking, controle en respons op internationale problemen in verband met overdraagbare ziekten; het verkleinen van de gevolgen van ziekten door meer routinepreventie en -controle; en het genereren van nieuwe kennis, actiemethoden, invoeringsstrategieën en onderzoeksfaciliteiten voor gebruik in ontwikkelingslanden.
Maar naast de bestrijding van besmettelijke ziekten houdt WHO zich ook in belangrijke mate bezig met het bevorderen van de basisgezondheidszorg, het beschikbaar stellen van noodzakelijke medicijnen, het gezonder maken van steden en het stimuleren van gezonde leefgewoonten en -omgevingen. De organisatie speelt ook een cruciale rol bij de bestrijding van noodgevallen zoals de uitbraak van het ebolavirus.

Aanjager van gezondheidsonderzoek. In samenwerking met haar partners in het gezondheidsonderzoek, verzamelt WHO gegevens over bestaande situaties en behoeften, vooral in de ontwikkelingslanden. Dit varieert van epidemiologisch onderzoek in afgelegen tropische regenwouden tot controle op de vorderingen in het genetisch onderzoek. Het onderzoeksprogramma voor tropische ziekten houdt zich bezig met de resistentie van de malariamug tegen de meest courante geneesmiddelen en stimuleert de ontwikkeling van nieuwe medicijnen en diagnoses voor besmettelijke tropische ziekten. Het onderzoek helpt ook bij het op nationaal en internationaal niveau volgen van epidemieën en bij de opzet van preventieve strategieën voor nieuwe en acute ziekten, waarbij laboratoriumresultaten worden aangevuld met de laatste informatie op het terrein.

Normering. WHO formuleert internationale normen voor biologische en farmaceutische stoffen. De organisatie ontwikkelde het concept ‘basismedicijnen’ (essential drugs) als een hoofdaspect van de eerstelijnsgezondheidszorg.

WHO werkt samen met landen om erop toe te zien dat iedereen toegang heeft tot veilige en doeltreffende medicijnen voor een lage prijs en dat deze ook verantwoord worden gebruikt. Daarvoor ontwikkelde WHO een modellijst (model list) van 306 medicijnen en vaccins die de organisatie noodzakelijk acht voor de preventie of behandeling van 80 procent van alle gezondheidsproblemen. Bijna 160 landen hebben de lijst inmiddels aangepast aan hun eigen behoeften. WHO werkt ook samen met lidstaten, maatschappelijke organisaties en de farmaceutische industrie aan de ontwikkeling van nieuwe noodzakelijke medicijnen voor dringende gezondheidsproblemen in landen met lage en gemiddelde inkomens, en aan de voortzetting van de productie van bestaande noodzakelijke medicijnen.

Op basis van de brede internationale toegang die de VN geniet, houdt WHO toezicht op de gehele gegevensverzameling betreffende overdraagbare ziekten. Ze stelt vergelijkbare statistieken op rond gezondheid en ziekte, en formuleert internationale normen voor veilige voeding en voor biologische en farmaceutische producten. WHO staat ook in voor een ongeëvenaard nauwkeurige analyse van milieuvervuilende stoffen die kanker verwekken en heeft internationaal aanvaarde richtlijnen geïnitieerd voor de wereldwijde beheersing van HIV/aids.

Malaria, SARS en tuberculose

Het RBM-initiatief, een door WHO gesponsord partnerschap voor de terugdringing van malaria, is in 1998 van start gegaan met het doel het aantal malariagevallen in de wereld tegen 2010 te halveren. De oprichters – UNDP, UNICEF, de Wereldbank en WHO – kwamen overeen knowhow en middelen te delen om zo samen het probleem malaria in de hele wereld en Afrika in het bijzonder aan te pakken. Sinds 1998 is het bedrag dat wereldwijd aan malaria wordt uitgegeven – 200 miljoen dollar per jaar – verdrievoudigd en zijn er in zo’n dertig Afrikaanse landen waar de ziekte voorkomt, strategische plannen ontwikkeld. Ook het nieuwe Global Fund to Fight Aids, Tuberculosis and Malaria maakte veel middelen vrij.

Buiten isolatie en quarantaine bestaat er nog geen vaccin of behandeling voor SARS (severe acute respiratory syndrome). Deze aandoening heeft vooral in het Verre Oosten veel economische schade aangericht en aangetoond wat voor verwoestend effect een gemakkelijk overdraagbare ziekte in dit tijdperk van globalisering kan hebben. In juni 2003 ging WHO van start met een gecombineerd publiek en particulier initiatief ter bestrijding van SARS. Het beoogt middelen te verzamelen voor toezicht, epidemiologisch onderzoek en laboratoria voor openbare gezondheidszorg in de hele wereld. Het internationale bedrijfsleven heeft zich ertoe verbonden om via een speciaal fonds het beginkapitaal te vergaren. Dergelijke financiële initiatieven moeten de wereld in staat stellen om te reageren op noodsituaties in de toekomst en op ‘bioterroristische’ dreigingen.

In 2001 lanceerde het Global Stop TB Partnership, dat sinds 1998 onder beschermheerschap van WHO staat, het Global Plan to Stop Tuberculosis als een actieplan met een looptijd van vijf jaar. Momenteel werken 250 nationale regeringen, organisaties, donoragentschappen en instituten samen om met DOTS-behandelingen (Directly Observed Treatment, Short-course of ‘direct opgevolgde korte behandelingskuur’) tuberculose uit de wereld te helpen.

Het Global Plan wil DOTS uitbreiden om iedereen toegang te bieden tot een doeltreffende diagnose en behandeling, te komen tot een betere diagnostiek en nieuwe medicijnen, een nieuw vaccin te ontwikkelen en het Global Partnership zodanig te versterken dat strategieën die hun effectiviteit hebben bewezen, wereldwijd kunnen worden toegepast. In 2005 zal er 9,1 miljard dollar nodig zijn voor een doeltreffende indamming van tbc.

Als de doelstellingen van het Global Plan worden bereikt, zullen er in 2005 nog eens 12,8 miljoen mensen worden behandeld voor tbc en zullen er zo 3,4 extra levens worden gespaard.

 




Menselijke nederzettingen

In 1950 was New York de enige metropool met meer dan 10 miljoen inwoners. In 2000 waren er 19 ‘megasteden’ – op vier na allemaal steden in ontwikkelingslanden. In 1950 leefde slechts 30 procent van de wereldbevolking in steden. Momenteel woont ongeveer de helft van de 6,1 miljard mensen in steden; meer dan 1 miljard van hen in sloppenwijken. In ontwikkelingslanden huisvesten deze slums 40 procent van de stedelijke bevolking.

Het VN-Programma voor menselijke nederzettingen (UN-HABITAT) – het voormalige VN-Centrum voor Menselijke Nederzettingen – is de belangrijkste organisatie binnen het VN-systeem voor inspanningen op dit vlak. De Algemene Vergadering heeft het Programma de opdracht gegeven om een sociaal duurzame en milieuvriendelijke stedelijke ontwikkeling te bevorderen met het doel iedereen degelijke huisvesting te bieden. Met dat doel zijn er in 61 landen, de meeste daarvan behoren tot ’s werelds minst ontwikkelde landen, 154 technische programma’s opgezet. De begroting voor 2002-2003 bedroeg 300 miljoen dollar.

Op Habitat II, de tweede VN-conferentie over menselijke nederzettingen (Istanboel, 1996) werd de Habitat Agenda goedgekeurd – een mondiaal actieplan waarin regeringen plechtig beloven zich te zullen inzetten voor degelijke huisvesting voor iedereen en voor een duurzame stedelijke ontwikkeling. UN-HABITAT neemt bij de uitvoering van de Agenda het voortouw, ziet toe op de voortgang op internationaal, regionaal, nationaal en lokaal niveau, en volgt wereldwijd trends en omstandigheden op de voet.

UN-HABITAT leidt twee mondiale campagnes: de campagne voor stedelijk bestuur en campagne voor eigendomszekerheid

Mondiale campagne voor stedelijk bestuur. In veel steden hebben slecht bestuur en inadequaat beleid geleid tot een verloedering van de omgeving, meer armoede, geringe economische groei en sociale uitsluiting. Deze campagne wil lokaal de mogelijkheden voor een goed stedelijk bestuur verbeteren: een doelgerichte en doeltreffende respons op stedelijke problemen door democratisch verkozen lokale overheden die verantwoording zijn verschuldigd en die samenwerken met de gemeenschap. Deze campagne richt zich op het bevorderen van integratie en speelt in op de behoeften van armen in de steden en het bevorderen van de rol van de vrouw in de besluitvorming op alle niveaus.
Mondiale campagne voor eigendomszekerheid. Deze campagne wil de belofte van regeringen om ‘iedereen degelijke huisvesting te bieden’ – een van de twee hoofdthema’s van de Habitat-agenda – kracht bijzetten. De campagne beschouwt eigendomszekerheid als een essentiële voorwaarde voor een duurzame huisvestingsstrategie en voor de bevordering van het recht op onderdak. De campagne wil, rekening houdend met het feit dat de armen in de steden zelf het grootste deel van de huisvesting verzorgen, de aanzet geven tot een huisvestingsbeleid dat de rechten en belangen van de armen beschermt. Verder heeft de campagne tot doel de rechten en de rol van vrouwen in een efficiënt huisvestingsbeleid te bevorderen.

Op allerlei manieren richt het agentschap zich op uiteenlopende vraagstukken en speciale projecten, en draagt het bij tot de implementatie daarvan. In samenwerking met de Wereldbank is ook de Stedelijke Alliantie tot stand gekomen, een initiatief dat de omstandigheden in sloppenwijken wil verbeteren. Andere programma’s concentreren zich op effectiever huisvestingsbeleid en betere huisvestingsstrategieën; campagnes voor het recht op onderdak; het bevorderen van duurzame steden en milieuplanning en –beheer aldaar; en op ruimtelijke ordening en wederopbouw in landen die zijn verwoest door oorlogen of natuurrampen.

UN-HABITAT houdt zich bezig met watervoorziening, hygiëne en een degelijk afvalbeleid in dorpen en steden; lokale leiders opleiden en bouwen aan hun expertise; de rechten van vrouwen en seksegerelateerde kwesties binnen het beleid voor stedelijke ontwikkeling en stedelijk bestuur; en met misdaadbestrijding (via het Programma voor veiliger steden). Het agentschap wil de relaties verstevigen tussen de stad en het platteland, werkt aan de ontwikkeling van infrastructuur en openbare dienstverlening, en houdt zich verder bezig met onderzoek naar en toezicht op de economische ontwikkeling, werkgelegenheid, armoedebestrijding, systemen ter financiering van gemeentelijke diensten en huisvesting, en investeringen in de steden.

Andere programma’s zijn:
Programma voor adequate handelwijzen en lokaal leiderschap, een mondiaal netwerk van overheidsinstellingen, lokale autoriteiten en burgerorganisaties die zich toeleggen op het inventariseren en verspreiden van goede werkwijzen op het vlak van de verbetering van de levensomstandigheden en het toepassen van verworven inzichten op beleidsontwikkeling en kennisopbouw.
Programma voor duurzame steden, een gezamenlijk initiatief van UN-HABITAT en UNEP voor het opbouwen van knowhow op het vlak van planning en beheer van stedelijke omgevingen door gebruik te maken van participatiemethoden. Het programma loopt momenteel in 45 steden verspreid over de hele wereld.
Watermanagement in Afrikaanse steden, een initiatief van UN-HABITAT en UNEP ter ondersteuning van een efficiënt watermanagement en de bescherming van waterbronnen tegen stedelijke vervuiling.
Eenheid voor risico- en rampenbeheer: helpt nationale en lokale overheden en gemeenschappen bij wederopbouw- en herstelprogramma’s na een ramp.
Lokale afstemming van Agenda 21 dat de onderdelen met betrekking tot menselijke nederzettingen van Agenda 21 vertaalt in activiteiten op lokaal vlak met het bevorderen van joint ventures in met zorg gekozen, middelgrote steden. (Agenda 21 is het internationale actieplan voor duurzame ontwikkeling dat in 1992 op de Milieutop werd goedgekeurd en komt verder in dit hoofdstuk nog aan bod.)
Mondiaal centrum voor waarneming en statistiek: ziet toe op de tenuitvoerlegging van de Habitat-agenda met de ontwikkeling en toepassing van beleidsgerichte stedelijke indicatoren en bouwt tegelijkertijd aan lokale kennis en kunde om indicatoren ten bate van beleidsanalyses te selecteren, te verzamelen, te beheren en toe te passen.




Onderwijs

Op het vlak van onderwijs is recentelijk grote vooruitgang geboekt die zich heeft vertaald in een opvallende stijging van het aantal schoolgaande kinderen. Toch hebben meer dan 115 miljoen kinderen – bijna 56 procent daarvan meisjes in ontwikkelingslanden – geen toegang tot het basisonderwijs en velen die eraan beginnen, zijn gedwongen de school te verlaten uit armoede of onder druk van familie of sociale omstandigheden. Ondanks enorme alfabetiseringscampagnes zijn er nog steeds 862 miljoen volwassenen die niet kunnen lezen of schrijven – twee derde daarvan vrouwen. Het Internationaal decennium voor alfabetisering (2003-2012)vraagt meer aandacht voor deze dringende kwestie.

Onderzoek toont aan dat toegang tot het basisonderwijs leidt tot een betere sociale situatie. Onderwijs zorgt ervoor dat met name vrouwen meer kansen krijgen. Het is kenmerkend dat vrouwen met een opleiding gezonder zijn, minder kinderen hebben en meer mogelijkheden hebben om het huishoudbudget te vergroten. Bij hun kinderen ligt het sterftecijfer lager, ze zijn beter gevoed en doorgaans gezonder. Daarom concentreren onderwijsprogramma’s van tal van VN-organisaties zich op meisjes en vrouwen.

Binnen het VN-systeem zijn veel organen betrokken bij het financieren en ontwikkelen van onderwijs- en opleidingsprogramma’s. Deze variëren van traditioneel basisonderwijs tot technische opleidingen voor de ontwikkeling van overheidspersoneel, landbouwconsulenten en gezondheidswerkers, tot brede voorlichtingscampagnes over HIV/aids, drugsmisbruik, mensenrechten, gezinsplanning en andere kwesties. UNICEF bijvoorbeeld besteedt jaarlijks meer dan 20 procent van de begroting aan onderwijs, met speciale aandacht voor de opleiding van meisjes.

De belangrijkste organisatie op het vlak van onderwijs is de VN-Organisatie voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (UNESCO). Samen met andere partners zorgt UNESCO ervoor dat alle kinderen naar kindvriendelijke scholen kunnen met geschoolde leerkrachten die hoogwaardig onderwijs kunnen bieden.

UNESCO verzorgt het secretariaat voor een zeer ambitieuze campagne in dezen, die – in samenwerking met verschillende VN-organisaties – streeft naar een kwaliteitsbasisopleiding voor iedereen tegen 2015 op basis van het Raamwerk voor Actie dat in 2000 op het Wereldonderwijsforum in Senegal door meer dan 160 staten werd goedgekeurd. Wereldleiders hebben dit streefdoel in hun Millenniumverklaring van september 2000 bevestigd.

Op dit Forum hebben regeringen zich bereid getoond om kwaliteitsonderwijs voor iedereen na te streven, met speciale aandacht voor meisjes en groepen zoals werkende kinderen en kinderen in oorlogsgebieden. Donorlanden en -instellingen hebben plechtig verklaard dat geen enkele natie die zich verplicht tot dit basisonderwijs daarvan mag worden weerhouden door gebrek aan middelen. Het Forum werd belegd op basis van de resultaten van het grootste, meest uitgebreide en statistisch meest nauwkeurige onderzoek naar de toestand van het onderwijs uit de geschiedenis – de twee jaar durende ‘Education for All Assessment – en de uitkomsten van zes regionale topconferenties.

Het vernieuwende, interdisciplinaire UNESCO-project ‘Onderwijs voor een duurzame toekomst’, helpt lidstaten bij het verbeteren en heroriënteren van hun nationale onderwijs- en opleidingsbeleid gericht op milieu, bevolking en ontwikkeling en ook op vorming ten aanzien van gezondheid en het voorkomen van drugsmisbruik en aids.

Met het programma ter bevordering van levenslang onderwijs voor iedereen, steunt en stimuleert UNESCO nationale projecten voor de vernieuwing van onderwijssystemen en de ontwikkeling van alternatieve strategieën die levenslang onderwijs voor iedereen toegankelijk moeten maken. Het programma wil ook de toegang tot het basisonderwijs vergroten en de kwaliteit ervan opvoeren, voortgezet onderwijs wereldwijd verbeteren en volwasseneneducatie en bijscholingsprojecten stimuleren.

Bij het Geassocieerde Scholen Project (ASP) van UNESCO zijn 7500 scholen in 171 landen betrokken. Het gaat om een internationaal netwerk dat manieren en middelen zoekt om de rol van het onderwijs te versterken bij het leren samenleven in een wereldgemeenschap. Zo’n 5000 UNESCO-verenigingen (met voornamelijk docenten, studenten en leerlingen) in meer dan 120 landen organiseren een uitgebreid programma van educatieve en culturele activiteiten.




Onderzoek en opleidingen

Diverse gespecialiseerde VN-organisaties leggen zich toe op academische activiteiten in de vorm van onderzoek en training. Zo wil men een beter begrip verwerven van de mondiale problemen waarmee we worden geconfronteerd en ook het menselijk potentieel opbouwen dat noodzakelijk is voor de meer technische aspecten van economische en sociale ontwikkeling.

De Universiteit van de Verenigde Naties (UNU) beoogt door onderzoek en kennisopbouw een bijdrage te leveren aan het oplossen van dringende wereldproblemen die de VN, haar volken en lidstaten aangaan. Als internationale gemeenschap van wetenschappers slaat UNU een brug tussen de VN en de internationale academische gemeenschap, vormt ze de denktank van het VN-systeem en treedt ze op ter versterking van opleidingsmogelijkheden, met name in ontwikkelingslanden. UNU werkt samen met meer dan 30 VN-organen en vele onderzoeksinstellingen in de hele wereld.

De academische activiteiten van UNU zijn gericht op VN-specifieke vraagstukken. De UNU concentreert zich vandaag op vijf belangrijke onderzoeksthema’s: vrede, bestuur, ontwikkeling, het milieu, en wetenschap en technologie. Deze activiteiten worden ontplooid vanuit het UNU-centrum in Tokio en via opleidings- en onderzoekscentra en -programma’s in de hele wereld. Het betreft onder meer:

Het UNU-voedsel- en voedingsprogramma voor menselijke en sociale ontwikkeling, New York, VS (1975) concentreert zich op de kennisopbouw omtrent voeding en voedsel.
Het UNU geothermisch trainingsprogramma, Reykjavik, IJsland (1979), werkt aan onderzoek, exploratie en ontwikkeling rond geothermiek.
Het UNU-wereldinstituut voor onderzoek naar ontwikkelingseconomie (UNU/WIDER), Helsinki, Finland (opgericht in 1985).
Het UNU-programma voor biotechnologie in Latijns-Amerika en het Caribisch gebied, Caracas, Venezuela (1988), houdt zich bezig met biotechnologie en de samenleving.
Het UNU-instituut voor nieuwe technologieën, Maastricht, Nederland (1990) onderzoekt de sociale en economische impact van nieuwe technologieën.
Het Internationaal UNU-instituut voor natuurlijke rijkdommen in Afrika, Accra, Ghana (1990) richt zich op het beheer van natuurlijke rijkdommen.
Het Internationaal UNU-instituut voor softwaretechnologie, Macao (1992) legt zich toe op softwaretechnologie voor ontwikkeling.
Het UNU-instituut voor gevorderde studies, Tokio, Japan (1995) richt zich op nieuwe economische structuren voor duurzame ontwikkeling.
De UNU-academie voor internationaal leiderschap, Amman, Jordanië (1995), legt zich toe op de ontwikkeling van leiderschap.
Het Internationaal UNU-netwerk voor water, milieu en gezondheid, Hamilton, Ontario, Canada (1996),
Het UNU-opleidingsprogramma voor visserij, Reykjavik, IJsland (1998), legt zich toe op onderzoek en ontwikkeling van de visserij-industrie.
Het UNU-programma voor vergelijkende regionale integratiestudies, Brugge, België (2001) legt zich toe op de ontwikkeling van een mondiaal netwerk voor vergelijkende regionale integratiestudies.
Het UNU-programma voor wetenschap en technologie in functie van duurzaamheid, Kwangju, Zuid-Korea (2001) houdt zich bezig met wetenschap en technologie voor een duurzaam milieu.
Het UNU regionaal milieuprogramma Pantanal, Mato Grosso, Brazilië (2002) legt zich toe op kwetsbare ecosystemen in watergebieden.
Het UNU-instituut voor milieu en veiligheid van de mens, Bonn, Duitsland (2003).

Het Instituut van de VN voor opleiding en onderzoek (UNITAR) heeft tot taak de VN doeltreffender te maken via opleiding en onderzoek. UNITAR organiseert opleidingen in multilaterale diplomatie en internationale samenwerking voor bij de VN geaccrediteerde diplomaten en ambtenaren die betrokken zijn bij VN-activiteiten. Het instituut verzorgt ook trainingsprogramma’s op het vlak van sociale en economische ontwikkeling.

Elk jaar verzorgt UNITAR 120 verschillende gastdocentschappen, seminar(ie)s en workshops met in totaal meer dan 5500 deelnemers verspreid over vijf continenten. Het instituut doet ook resultaatgericht onderzoek rond opleidingen en de ontwikkeling van pedagogisch materiaal met inbegrip van correspondentiecursussen, werkboeken, software- en video-opleidingspakketten. UNITAR steunt volledig op vrijwillige bijdragen.

De Personeelsacademie van de VN (UNSC) heeft tot taak de mogelijkheden voor het vergroten van leiderschap en verbeteren van management binnen het gehele VN-systeem te helpen opbouwen. UNSC kent drie kernprogramma’s. Eén programma voorziet in opleidingen en cursussen voor personeel – doorgaans op interagentschappelijke basis. Een tweede programma verleent diensten voor de opbouw van kennis en kunde teneinde VN-organisaties te helpen op het vlak van kennismanagement, personeelszaken en operationele doeltreffendheid. Het derde programma wil samenwerking bevorderen en het bewustzijn vergroten op het vlak van resultaatgericht optreden en kwaliteit, teneinde de managementcultuur binnen het hele VN-systeem te versterken. Al deze activiteiten zijn afgestemd op de Millennium Ontwikkelingsdoelen en op het hervormingsprogramma van de Secretaris-Generaal. Het College werd opgericht in januari 2002 en vormt een zelfstandige eenheid binnen het VN-systeem (zie www.unssc.org)..

Het VN-onderzoeksinstituut voor sociale ontwikkeling (UNRISD) (zie ook hoofdstuk 1) legt zich toe op onderzoek naar de sociale dimensie van de hedendaagse problemen die ontwikkeling beïnvloeden. Het Instituut werkt via een uitgebreid netwerk van nationale onderzoekscentra samen met regeringen, ontwikkelingsorganisaties, plaatselijke instanties en wetenschappers aan de formulering van ontwikkelingsbeleid. Huidige onderzoeksthema’s zijn: sociaal beleid en ontwikkeling; democratie, bestuur en mensenrechten; maatschappelijke organisaties en sociale bewegingen; en technologie en samenleving.

(Voor het Internationaal Onderzoeks- en Opleidingsinstituut voor de Bevordering van de Vrouw (INSTRAW) klik hier).



Bevolking en ontwikkeling

De VN voorspelt dat ondanks een verwachte daling van de vruchtbaarheidscijfers, de wereldpopulatie de volgende vijftig jaar dramatisch zal blijven groeien. Een snelle bevolkingstoename heeft grote gevolgen voor het milieu en de natuurlijke rijkdommen, en zal de ontwikkelingsactiviteiten onder druk zetten. De VN houdt zich op verschillende manieren bezig met de relatie tussen bevolking en ontwikkeling, waarbij de aandacht vooral uitgaat naar de bevordering van de rechten en de status van vrouwen, een onmisbaar geachte factor bij sociale en economische vooruitgang.

In de loop der jaren heeft de VN operationele activiteiten gevoerd in tal van ontwikkelingslanden. Verschillende organen binnen het systeem werken samen bij de oprichting van nationale bureaus voor statistiek, het houden van volkstellingen, het stellen van prognoses en de publicatie van betrouwbare gegevens. Sinds haar prilste jaren heeft de VN zich gebogen over bevolkingskwesties. Het bekendste onderdeel van het Bevolkingsprogramma van de VN is het kwantitatieve en methodologische werk, vooral wat betreft betrouwbare ramingen van de omvang van bevolkingen en de veranderingen daarin. Dit heeft geleid tot een belangrijke verhoging van nationale knowhow om vooruit te plannen, bevolkingsbeleid te integreren in ontwikkelingsplanning en te komen tot gezonde economische en sociale besluitvorming.

De 47 leden tellende Commissie voor Bevolking en Ontwikkeling moet de ECOSOC voorzien van studies en adviezen over de omvang en samenstelling van bevolkingen, de veranderingen daarin en de effecten daarvan op economische en sociale omstandigheden. De Commissie is als eerste verantwoordelijk voor het toezicht op de tenuitvoerlegging van het Actieprogramma van de Internationale conferentie inzake bevolking en ontwikkeling in 1994.

De Divisie Bevolkingsvraagstukken van DESA functioneert als het secretariaat van de Commissie. De Divisie voorziet de internationale gemeenschap van actuele en wetenschappelijk objectieve informatie over bevolkings- en ontwikkelingskwesties, onderzoekt bevolkingsniveaus en -trends, ramingen en prognoses, bevolkingsbeleid en de relatie tussen bevolking en ontwikkeling. De divisie onderhoudt belangrijke databases zoals World Population Projections to 2150 (wereldbevolkingsprognoses tot 2150) en het Global Review and Inventory of Population Policies (de mondiale analyse en inventarisatie van bevolkingsbeleid of GRIPP). Voorts coördineert de divisie ook het Population Information Network (Bevolkingsinformatienetwerk of POPIN) dat het gebruik van internet stimuleert met het oog op de universele toegang tot bevolkingsinformatie.

Het Bevolkingsfonds van de VN (UNFPA) leidt de operationele bevolkingsactiviteiten van het VN-systeem en helpt ontwikkelingslanden en overgangseconomieën bij het zoeken naar oplossingen voor hun demografische problemen. Het helpt landen bij het verbeteren van de dienstverlening in verband met vruchtbaarheid en gezinsplanning op basis van individuele keuzes en het formuleren van een bevolkingsbeleid dat het streven naar duurzame ontwikkeling ondersteunt. Het Fonds probeert ook het inzicht te vergroten in demografische problemen – en methoden om die te overkomen -en steunt regeringen door bevolkingskwesties op te lossen met methoden die het best stroken met de behoeften van elk land.

Het UNFPA is de grootste, internationaal gefinancierde hulpbron voor demografische programma’s. Het Fonds is goed voor een kwart van alle mondiale steun op dit gebied. Het is hoofdzakelijk een financierende organisatie voor demografische projecten en programma’s uitgevoerd door regeringen, VN-agentschappen en NGO’s.

De kernprogramma’s zijn:
Gezonde voortplanting bij vrouwen, inclusief gezinsplanning, seksuele hygiëne en veilig moederschap dat mensen helpt hun gewenste gezinssamenstelling te verwezenlijken en meer vrijheid te genieten om hun toekomst in te richten. Voorts redt het levens, steunt het de strijd tegen HIV/aids en draagt het bij tot een getemperde, evenwichtiger bevolkingsaanwas.
Bevolkings- en ontwikkelingsstrategieën, die landen helpen bij het opnemen van bevolkingskwesties in het beleid, bij het ontwerpen van strategieën om de levenskwaliteit van mensen te verbeteren en bij het vergroten van de eigen knowhow op het vlak van bevolkingsprogramma’s.
Pleitbezorging, voor het bevorderen van de gelijke behandeling van vrouwen, het instandhouden van politieke wil en het verruimen van begrip en middelen voor bevolking- en ontwikkelingskwesties.

Andere speciale programma’s zijn jeugd, vergrijzing, aids/HIV-preventie, spoedeisende kraamzorg, het voorkomen en behandelen van fistels, bevolking en het milieu. UNFPA steunt geen abortusprogramma’s, maar probeert juist abortus te voorkomen door de toegang tot gezinsplanningsadvies te vergroten.

UNFPA is de belangrijkste VN-organisatie voor de implementatie van het Actieprogramma dat op de Internationale conferentie over bevolking en ontwikkeling (Cairo, 1994) werd aangenomen en tijdens een speciale zitting van de Algemene Vergadering in 1999 werd geëvalueerd. Het programma richt zich eerder op het tegemoetkomen aan de individuele behoeften van mannen en vrouwen dan op het bereiken van demografische doelen. De sleutel van deze aanpak is een verbetering van de positie van vrouwen en het vergroten van hun kansen, door onderwijs en gezondheidszorg toegankelijker te maken en hun werkgelegenheid te bevorderen.

UNFPA besteedt ook veel aandacht aan voortplantingskwesties bij adolescenten. Bepaalde programma’s zijn gericht op het voorkomen van zwangerschappen bij tieners, het voorkomen en behandelen van fistels, de preventie van HIV/aids en seksueel overdraagbare ziekten en een betere toegang tot gezondheidszorg en informatie op dit vlak.

Het vermogen van ouders om zelf te bepalen hoeveel kinderen ze willen hebben (en wanneer) staat centraal in de voortplantingsproblematiek en is een internationaal erkend grondrecht van de mens. Het aantal ouderparen dat gezinsplanning toepast, is enorm gestegen, maar toch zijn er wereldwijd nog 350 miljoen paren die geen toegang hebben tot alle methoden voor geboorteregeling.

Onderzoek wijst uit dat nog eens 120 miljoen vrouwen moderne anticonceptiemiddelen zouden gebruiken als er preciezere informatie, betaalbare dienstverlening en deskundige begeleiding zou worden geboden, en als hun echtgenoot, het bredere familieverband en hun gemeenschap meer steun zouden bieden. UNFPA werkt samen met regeringen, het bedrijfsleven en NGO’s om tegemoet te komen aan de behoeften op het vlak van geboorteregeling.


De bevordering van vrouwen

Het bevorderen van seksegelijkheid staat centraal binnen de VN. Het is geen doel op zich, maar een essentieel instrument om alle andere ontwikkelingsdoelen te bereiken. Inspanningen om armoede en honger te bestrijden steunen steeds meer op de cruciale rol van vrouwen in het economische en sociale ontwikkelingsproces. Het aanmoedigen van onderwijs voor meisjes is noodzakelijk om het doel ‘basisonderwijs voor iedereen’ te realiseren. De strijd tegen de HIV/aids-epidemie, waarbij wereldwijd de helft van alle besmette gevallen vrouwen zijn, kan niet zonder de volwaardige inbreng van vrouwen en meisjes. Met het tot stand brengen van mondiale normen, regels en beleidslijnen en via ontwikkelingsactiviteiten steunt de VN actief de vooruitgang en de rechten van vrouwen.

De Commissie voor de status van de vrouw van ECOSOC, onderzoekt de vorderingen die wereldwijd worden geboekt in het streven naar gelijkberechtiging van de vrouw, doet aanbevelingen voor de bevordering van de rechten van de vrouw op politiek, economisch, sociaal en educatief terrein en buigt zich over urgente problemen op het vlak van de rechten van de vrouw. De Commissie ontwikkelt ook ontwerpverdragen en instrumenten gericht op de verbetering van de status van de vrouw in theorie en praktijk. De 45 leden tellen Commissie heeft vier wereldconferenties voorbereid over vrouwen en seksegelijkheid – waaronder de Vierde Wereldconferentie voor de Vrouw (Peking, 1995) – en ziet toe op de implementatie van het daar aanvaarde Actieplatform en de conclusies van de 23ste speciale zitting van de Algemene Vergadering in 2000.

Het Comité voor de uitbanning van discriminatie van de vrouw (CEDAW) ziet toe op de naleving van het Verdrag over de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen. De aanbevelingen van dit uit 23 deskundigen samengestelde Comité hebben geleid tot meer begrip voor de economische en sociale rechten van de vrouw, voor hun politieke en culturele rechten en voor de middelen die nodig zijn om deze rechten te vrijwaren.

De Divisie voor de vooruitgang van vrouwen (DAW) van DESA steunt de inspanningen van de Commissie voor de status van de vrouw en het Comité voor de uitbanning van discriminatie van de vrouw, om mondiaal meer aandacht te krijgen voor seksegelijkheid en om man/vrouw-vraagstukken op de internationale agenda te plaatsen.

De Speciale adviseur van de Secretaris-Generaal voor genderkwesties en de vooruitgang van de situatie van vrouwen houdt toezicht op het werk van de divisie. Zij biedt op het hoogste niveau ondersteuning aan deskundige instanties en intergouvernementele organen, waaronder de Veiligheidsraad, over dringende vraagstukken betreffende de relaties tussen vrouwen en vrede en veiligheid. Zij speelt een initiërende en faciliterende rol binnen de organisatie bij alle kwesties rond seksegelijkheid, met inbegrip van onder meer de gelijkschakeling van man en vrouw bij alle programma’s en operationele activiteiten. Zij verleent binnen het VN-systeem voorts beleidsadvies inzake het bereiken van de balans van 50% vrouwen en 50% mannen binnen de organisatie en ter verbetering van de status van vrouwen aldaar.

De speciale adviseur coördineert ook mechanismen die fungeren tussen de agentschappen en treedt op als voorzitter van het ‘Inter-Agency Network on Women and Gender Equality’ van het VN-systeem dat zich inspant voor de degelijke tenuitvoerlegging en de toetsing van het Actieplatform en van het Verdrag voor de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen.

Internationale vrouwenconferenties

VN-conferenties en activiteiten van nationale vrouwenverenigingen hebben wereldwijd begrip, belangstelling en actiebereidheid opgewekt.

Drie wereldconferenties – Mexico-Stad, 1975; Kopenhagen, 1980; en Nairobi, 1985 – hebben het internationale bewustzijn voor de problemen van vrouwen enorm versterkt en contacten van onschatbare waarde gelegd tussen nationale vrouwenbewegingen en de internationale gemeenschap.

Op de vierde Wereldconferentie voor vrouwen (Peking, 1995) hebben vertegenwoordigers van 189 regeringen de Verklaring en het Actieplatform van Peking goedgekeurd. Deze hebben tot doel alle obstakels te verwijderen die vrouwen verhinderen volwaardig deel te nemen aan het openbare en particuliere leven. Het Platform definieert twaalf zorgwekkende gebieden:

• de voortdurende en toenemende armoede onder vrouwen;
• de ongelijke toegang tot (en ongelijke kansen in) het onderwijs;
• ongelijkheden op het vlak van gezondheid, ontoereikende zorg en ongelijke toegang tot gezondheidsvoorzieningen;
• geweld tegen vrouwen;
• de gevolgen van conflicten voor vrouwen;
• ongelijke vertegenwoordiging van vrouwen bij de bepaling van economische structuren en beleid, en in het productieproces op zich;
• ongelijkheid op het vlak van bestuurlijke medezeggenschap en besluitvorming;
• onvoldoende instrumenten voor de bevordering van de vooruitgang van vrouwen;
• gebrek aan bewustzijn van en inzet voor internationaal en nationaal erkende vrouwenrechten;
• onvoldoende media-aandacht voor de bijdragen van vrouwen aan de samenleving;
• gebrek aan erkenning en steun voor de bijdragen van vrouwen tot het beheer van natuurlijke rijkdommen en milieubehoud;
• meisjes.

Op de 23ste speciale zitting die de Algemene Vergadering in 2000 heeft georganiseerd ter toetsing van de uitkomsten van de Conferentie, hebben landen plechtig beloofd nieuwe initiatieven te ondernemen, zoals het versterken van de wetgeving tegen geweld in de huiselijke sfeer. Ook hebben ze verklaard wetgeving en beleid te zullen invoeren ter uitbanning van onwenselijke praktijken zoals vroege en gedwongen huwelijken en genitale verminking. Er zijn ook streefdoelen geformuleerd ten aanzien van verplicht basisonderwijs voor jongens en meisjes, en voor de verbetering van de gezondheid van vrouwen door betere toegang tot gezondheidszorg en preventieprogramma's.

Naast het secretariaat stellen alle organisaties van de VN-familie vrouwenkwesties en seksegerelateerde zaken aan de orde. Vrouwen staan centraal in het werk dat UNICEF verricht ten voordele van kinderen. Veel mandaten van UNFPA hebben betrekking op de gezondheid en het recht op voortplanting van vrouwen. UNDP, UNESCO, WFP, ILO en andere organisaties voeren programma’s die zich specifiek richten op vrouwen en seksegelijkheid. Daarnaast zijn er nog twee organen die zich exclusief met vrouwen bezighouden: UNIFEM en INSTRAW.

Het Ontwikkelingsfonds van de VN voor Vrouwen (UNIFEM) is een vrijwillig fonds dat technische en financiële steun biedt aan vernieuwende initiatieven ter bevordering van de mensenrechten van vrouwen, hun economische en politieke participatie en voor gelijkberechtiging van de seksen. UNIFEM werkt vooral in drie belangrijke programmagebieden: versterking van de economische capaciteiten van vrouwen als ondernemers en producenten; vergroting van de deelname van vrouwen aan bestuur, leiderschap en besluitvorming, en de bevordering van de mensenrechten van vrouwen voor een rechtvaardiger ontwikkeling.

Het Internationaal Onderzoeks- en Opleidingsinstituut voor de Bevordering van de Vrouw (INSTRAW) is belast met onderzoeks- en opleidingsactiviteiten die met gebruik van nieuwe informatie- en communicatietechnologie de vooruitgang van vrouwen en hun toegang tot de informatiemaatschappij van de 21ste eeuw ondersteunen.



Bevordering van de rechten van het kind

Elk jaar sterven 11 miljoen kinderen voor hun vijfde verjaardag en raken tientallen miljoenen kinderen fysiek of mentaal gehandicapt bij gebrek aan de essentiële benodigdheden om te overleven en te groeien. Veel kinderen sterven aan te voorkomen of gemakkelijk te behandelen ziekten, andere aan de vreselijke gevolgen van armoede, onwetendheid, discriminatie en geweld. Al deze sterfgevallen zijn een vreselijk verlies voor gezinnen, gemeenschappen, landen en de wereld.

Ook na hun kinderjaren hebben jongeren nog steeds te maken met krachten die hun leven en welzijn bedreigen. Ze zijn kwetsbaarder omdat hun rechten, met inbegrip van het recht op onderwijs, medezeggenschap en bescherming tegen kwaad, hun vaak worden ontzegd.

Het Internationaal Kindernoodfonds van de Verenigde Naties (UNICEF) beschermt de rechten van het kind. Het Fonds pleit voor universele ratificatie en volledige tenuitvoerlegging van het Verdrag inzake de rechten van het kind en het Verdrag over de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen. UNICEF streeft ernaar kinderen een zo goed mogelijke start in het leven te geven. Het Fonds werkt samen met regeringen, andere VN-organen en NGO’s om alle kinderen onderwijs, voeding en bescherming te bieden en gezond te doen opgroeien. In 158 landen en regio’s legt UNICEF bij haar activiteiten de nadruk op duurzame en goedkope programma’s en moedigt het Fonds gemeenschappen aan tot actieve deelname.

Speciale zitting voor kinderen

Van 8 tot 10 mei 2002 hebben meer dan 7000 mensen deelgenomen aan de belangrijkste internationale conferentie voor kinderen in meer dan tien jaar: de speciale zitting van de Algemene Vergadering voor kinderen. De Vergadering kwam bijeen om de vooruitgang sinds de Wereldtop voor kinderen van 1990 te evalueren en de internationale beloften in de strijd voor de rechten van het kind nieuw leven in te blazen. De zitting, de eerste die exclusief gewijd was aan kinderen en waaraan ook kinderen als officiële vertegenwoordigers deelnamen, was een mijlpaal in de geschiedenis van de VN.

De speciale zitting heeft geleid tot de officiële aanvaarding door zo’n 180 landen van het slotdocument A World Fit for Children (Een wereld geschikt voor kinderen). De nieuwe agenda voor kinderen, die mede door hun toedoen tot stand kwam, omvat 21 specifieke oogmerken en streefdoelen voor het volgende decennium. Dit document is het resultaat van meer dan twee jaar streven naar consensus en vervat de beloften van de internationale gemeenschap om de situatie van kinderen en jongeren te verbeteren. A World Fit for Children stelt vier prioriteiten:

• Het bevorderen van een gezond leven;
• Kwaliteitsonderwijs voor iedereen;
• Bescherming van kinderen tegen mishandeling, uitbuiting en geweld;
• De strijd tegen HIV/aids.

De verklaring verwoordt de intentie van wereldleiders om de agenda van de Wereldtop voor kinderen van 1990 te voltooien en andere oogmerken en doelen, met name de doelen van de Millenniumverklaring, te bereiken. Verder herbevestigt de verklaring de verplichting van leiders om de rechten van elk kind te bevorderen en te beschermen, en de juridische normen van het Verdrag van de rechten van het kind en de facultatieve protocollen daarbij te erkennen. Met een 10 punten tellende oproep die de basis vormde voor de UNICEF-campagne ‘Zeg ja voor kinderen’ wordt de hele samenleving opgeroepen om samen te werken en een wereld te scheppen die geschikt is voor kinderen.

Het actieplan wil drie essentiële punten realiseren: de best mogelijke start in het leven voor kinderen, toegang tot kwalitatief goed onderwijs, met inbegrip van gratis en verplicht basisonderwijs, en ruime kansen voor kinderen en jongeren om hun individuele talenten te ontplooien. Er wordt krachtig opgeroepen tot steun aan gezinnen, het uitbannen van discriminatie en het verlichten van armoede.

Het plan richt zich tot een breed spectrum van deelnemers en partners die allen een sleutelrol zullen vervullen: de kinderen zelf, ouders, gezinnen en andere zorgverleners; lokale autoriteiten; parlementsleden; NGO’s; het bedrijfsleven; religieuze, spirituele, culturele en autochtone leiders; de massamedia; regionale en internationale organisaties en mensen die met kinderen werken.

Om deze oogmerken en streefdoelen te bereiken, roept A World Fit for Children op tot het vrijmaken en toekennen van nieuwe middelen op nationaal en internationaal niveau. De verklaring steunt de ontwikkeling van lokale partnerschappen en het streven naar internationale streefdoelen en acties zoals het aanwenden van 0,7 procent van het BNP van industrielanden voor officiële ontwikkelingshulp (ODA). Tevens steunt de verklaring de 20/20-formule: een pact tussen ontwikkelings- en industrielanden dat ontwikkelingslanden en donorlanden oproept om resp. minstens 20 procent van hun begroting en 20 procent van hun officiële ontwikkelingssteun (ODA) aan te wenden voor sociale basisvoorzieningen.

 

UNICEF’s huidige prioriteiten zijn de ontwikkeling van heel jonge kinderen, onderwijs voor meisjes, inenting, de strijd tegen HIV/aids en het beschermen van kinderen tegen geweld, mishandeling, uitbuiting en discriminatie. Deze doelen stemmen overeen met de Millennium Ontwikkelingsdoelen en de doelen vervat in A World Fit for Children, de slotverklaring van de speciale zitting van de Algemene Vergadering voor kinderen in 2002.

UNICEF is betrokken bij alle facetten van de gezondheid van kinderen, van voor de geboorte tot jonge volwassenheid. Het Fonds zorgt ervoor dat zwangere vrouwen toegang hebben tot goede zorg voor en tijdens de bevalling, dat gezinnen beter in staat zijn kinderziekten thuis op te vangen en biedt gemeenschappen steun bij het uitbouwen van de best mogelijke gezondheidszorg. UNICEF probeert het risico op HIV/aids bij jongeren te verlagen door hen informatie te geven die hen tegen het virus moet behoeden. Het Fonds spant zich in het bijzonder in om aidswezen dezelfde zorg te bieden als hun leeftijdgenoten en helpt vrouwen en kinderen met aids waardig te leven.

UNICEF is wereldwijd ook betrokken bij inentingscampagnes – van de aankoop en verdeling van vaccins tot het veilig inenten. Meer dan 100 miljoen kinderen zijn nu ingeënt tegen de meest voorkomende ziekten, een programma dat jaarlijks 2,5 miljoen levens redt. UNICEF koopt 65 procent van alle vaccins in de wereld en is de belangrijkste verstrekker van vaccins aan ontwikkelingslanden.

Ter ondersteuning van de vele verschillende onderwijsinitiatieven voor kinderen van alle leeftijden – van kleuter tot jonge volwassene – zorgt UNICEF voor leerkrachten, de registratie van kinderen, schoolgebouwen en het opstellen van curricula waarbij onderwijssystemen vaak van nul weer worden opgebouwd. Het Fonds zorgt ervoor dat kinderen de kans krijgen om te spelen en te leren, ook in conflictperiodes, omdat sport en recreatie even belangrijk zijn voor de ontwikkeling van kinderen. UNICEF streeft er ook naar alle kinderen bij hun geboorte te registreren om toegang te krijgen tot gezondheidszorg en onderwijs. Het Fonds moedigt gezonde voeding voor zwangere moeders aan en borstvoeding na de geboorte. Het verbetert de water- en gezondheidsvoorzieningen in kleuterscholen en kinderdagverblijven.

Het VN-Kinderfonds helpt bij het creëren van een beschermende omgeving voor jongeren. Het stimuleert wetgeving die kinderarbeid uitbant en genitale verminking van vrouwen veroordeelt en werpt zich in de strijd om seksuele en economische uitbuiting van kinderen uit te bannen. UNICEF organiseert campagnes die waarschuwen voor de gevaren van landmijnen en helpt bij de demobilisatie van kindsoldaten.

Daarnaast helpt het Fonds ook bij het herenigen van ouders die in tijden van oorlog van hun kinderen gescheiden zijn geraakt en zorgt het dat wezen zorg en bescherming krijgen. UNICEF lanceerde het idee van de zogeheten ‘rustdagen’ waarbij strijdende partijen een bestand respecteren om UNICEF de kans te bieden om alle kinderen in te enten.



Sociale integratie

De VN heeft verschillende groepen aangemerkt die speciale aandacht verdienen: jeugd, ouderen, andersvaliden, minderheden en inheemse volkeren. De Algemene Vergadering, ECOSOC en de Commissie voor Sociale Ontwikkeling buigen zich over hun problemen. Het Departement voor Sociale en Economische Aangelegenheden van de VN voert specifieke programma’s voor deze groepen.

De Verenigde Naties speelt een doorslaggevende rol bij het omschrijven en verdedigen van de mensenrechten van kwetsbare groepen (zie ook hoofdstuk 4). De VN werkt mee aan de formulering van internationale normen en aanbevelingen voor inspanningen ten behoeve van deze sociale groepen. De VN wil de aandacht richten op hun problemen via onderzoek en informatievergaring, en het uitroepen van speciale jaren en decennia ter bevordering van de internationale samenwerking.


Gezinnen

Gezinnen zijn basiseenheden in de samenleving en hebben de laatste vijftig jaar belangrijke veranderingen ondergaan die het gevolg zijn van vele veranderingen (kleinere gezinnen, later trouwen en kinderen krijgen, groeiend aantal echtscheidingen en eenoudergezinnen, globale migratietrends, vergrijzing, de verspreiding van HIV/aids, globalisering). Deze dynamische sociale veranderingen hebben een belangrijke invloed op de mogelijkheden van gezinnen om sociale functies te vervullen zoals de opvoeding van kinderen en de zorg voor de jongste en oudste familieleden.

De Algemene Vergadering heeft 1994 uitgeroepen tot Internationaal Jaar van het Gezin, met als thema ‘Het gezin: hulpmiddelen en verantwoordelijkheden in een veranderende wereld’. Zo ging het gezin deel uitmaken van de mondiale ontwikkelingsdialoog. Het Jaar zorgde ervoor dat regeringen nationale beleidsplannen voor het gezin opstelden, ministeries voor familiezaken in het leven riepen en familiegerichte wetten aannamen. In 1994 heeft de Algemene Vergadering in New York ook nog een Internationale conferentie over het gezin belegd.

De twee belangrijkste doelstellingen van het VN-programma voor het gezin zijn het versterken van gezinsgerelateerde elementen van ontwikkelingsbeleid en –programma’s, en ook maakt het zich sterk voor een geslaagde viering in 2004 van de tiende verjaardag van het Internationaal Jaar van het Gezin op alle niveaus. Het programma richt zich op vijf gebieden: technologie en de invloed daarvan op het gezin; indicatoren en statistieken over gezinswelzijn; initiatieven om te komen tot een degelijk gezinsbeleid; de rol van de ouders en steunmechanismen binnen het gezin; en HIV/aids en het effect daarvan op gezinnen.

De Verenigde Naties moedigt ook de internationale viering van de Internationale dag voor gezinnen op 15 mei aan. De Algemene Vergadering riep deze dag uit in 1993 en wil met dit initiatief het begrip vergroten voor gezinsgerelateerde kwesties en adequate initiatieven stimuleren.


Jongeren

De Algemene Vergadering heeft tal van resoluties en campagnes voor de jeugd goedgekeurd en het Secretariaat houdt nauwlettend toezicht op daaraan gekoppelde programma’s en informatiecampagnes:

• In 1965 aanvaardt de Algemene Vergadering de Verklaring over het verbreiden onder jongeren van de idealen vrede, wederzijds respect en begrip tussen volkeren en benadrukt zo de rol van de jeugd in onze huidige samenleving.
• Twee decennia later besluit de Algemene Vergadering 1985 uit te roepen tot Internationaal Jongerenjaar en aanvaardt ze richtlijnen voor nieuwe plannen evenals een wereldwijde, langetermijnstrategie voor jeugdwerk. De VN is actief betrokken bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijnen door onder meer regeringen te helpen bij de ontwikkeling van een geïntegreerd jeugdbeleid en gerelateerde programma’s.
• In 1995 aanvaardt de Algemene Vergadering een Universeel actieprogramma voor jongeren tot het jaar 2000 en daarna – een internationale strategie gericht op de problemen van jonge mensen en hun integratie in de samenleving. De Vergadering roept in dat jaar ook om op regelmatige tijdstippen onder auspiciën van de VN een Wereldconferentie te beleggen voor ministers verantwoordelijk voor jeugdbeleid. De eerste zitting (Lissabon, 1998) leidt tot aanvaarding van de Verklaring van Lissabon over de jeugd en tot richtlijnen voor nationale, regionale en universele initiatieven.
• Op initiatief van de Algemene Vergadering is een VN-Wereldjongerenforum tot op heden al vier keer samengekomen om gezamenlijke initiatieven rond jongeren te stimuleren. Het forum legt zich toe op het verbeteren van de communicatiekanalen tussen NGO’s voor jongeren en de VN-organen die zich inspannen voor de jeugd, en op het stimuleren van initiatieven rond jongeren binnen het conglomeraat van NGO’s en VN-instellingen.
• Het Jeugdfonds van de VN steunt projecten waarbij jongeren worden betrokken en stelt subsidies ter beschikking van regeringen en NGO’s om vernieuwende initiatieven gericht op de jeugd te stimuleren.
• Verschillende VN-fora houden zich ook bezig met de sociale en economische impact van de globalisering op jongeren, met speciale aandacht voor de effecten daarvan op beleidsgebied.

In de Millenniumverklaring hebben staatshoofden en regeringsleiders beloofd ‘strategieën te ontwikkelen en uit te voeren die jonge mensen in alle landen een reële kans bieden op het vinden van volwaardig en productief werk’. Op verzoek van de Secretaris-Generaal is in 2001 een ‘Netwerk voor werkgelegenheid voor jongeren’ opgericht, een gezamenlijk initiatief van de VN, ILO en de Wereldbank. Een panel van twaalf prominenten treedt op als een permanent adviesorgaan en doet aanbevelingen om de tijdens de Top gedanen toezeggingen ter vertalen in concrete actie. (zie www.ilo.org/public/english/employment/strat/yen/index.htm) voor meer informatie).



Ouderen

Ramingen voorspellen dat het aantal mensen van 60 jaar en ouder in de wereld tussen 2000 en 2050 ruimschoots zal verdubbelen – van 10 tot 22 procent. Ten gevolge van deze historische demografische verschuiving – van hoge naar lage geboorte- en sterftecijfers – zal de wereldbevolking voor het eerst in de geschiedenis uit evenveel kinderen (van 0 tot 14 jaar) als ouderen bestaan.

In veel industrielanden zijn er nu meer ouderen dan kinderen en zijn de geboortecijfers onder het vervangingsniveau gedaald. In 2050 zal in sommige landen het aantal ouderen meer dan het dubbele van het aantal kinderen bedragen.

In ontwikkelingslanden raamt men dat het aantal ouderen tegen 2050 van 8 naar 21 procent zal stijgen, terwijl het aantal kinderen zal dalen van 33 tot 20 procent. Nog belangrijker is de snelheid waarmee de vergrijzing zich voltrekt en het gegeven dat in minder dan dertig jaar drie vierde van het aantal ouderen ter wereld in ontwikkelingslanden zal leven. Verder zal, ondanks de groeiende verstedelijking, de meerderheid van de ouderen in de ontwikkelingslanden op het platteland leven.

De wereld beseft stilaan dat het nodig is het gegeven van de toenemende vergrijzing van de wereldbevolking te gaan meewegen in de bredere context van ontwikkeling. Ouderenbeleid moet worden geformuleerd met het oog op de ‘verruimde levensloop’ en vanuit een breed maatschappelijk perspectief, met aandacht voor recente mondiale initiatieven en de leidende beginselen die op belangrijke VN-conferenties naar voren zijn gekomen. Het is belangrijk dat ouderen kunnen bijdragen aan ontwikkeling. Het gegeven dat zij iets kunnen doen om hun eigen lot en dat van hun gemeenschap te verbeteren, moet worden verweven in beleidsstrategieën en programma’s op alle niveaus.

Als reactie op de gestage vergrijzing van de wereldbevolking heeft de VN verschillende initiatieven genomen:

• De Wereldconferentie inzake veroudering (Wenen, 1982) aanvaardde het Internationale actieplan voor ouderen. Het plan bevat aanbevelingen betreffende o.a. werkgelegenheid en inkomenszekerheid, gezondheid en voeding, huisvesting, onderwijs en sociaal welzijn.
• De VN-beginselen inzake oudere personen, in 1991 door de Algemene Vergadering aangenomen, vormen een universeel normenpakket met betrekking tot de status van ouderen. Ze behandelen vijf thema’s: zelfstandigheid, participatie, zorg, zelfontplooiing en waardigheid.
• In 1992 – tien jaar na de goedkeuring van het Actieplan – heeft de Algemene Vergadering een internationale conferentie georganiseerd over ouder worden. Deze conferentie heeft de Proclamatie inzake vergrijzing aangenomen waarin verdere initiatieven rond vergrijzing zijn neergelegd. Ook is bij deze gelegenheid 1999 uitgeroepen tot Internationaal Ouderenjaar.
• In 1999 kwam de Algemene Vergadering bijeen om het Internationale Jaar te bespreken: 64 landen spraken de Vergadering toe en betuigden hun steun voor de doelen van het Jaar en het thema ‘Op weg naar een samenleving voor alle leeftijden’.
• De tweede Wereldconferentie inzake veroudering in Madrid in 2002 heeft zich toegelegd op het uitwerken van een international beleid voor vergrijzing voor de 21ste eeuw. De conferentie keurde een nieuw actieplan goed waarbij lidstaten beloven op alle niveaus actie te ondernemen. De prioriteit gaat daarbij uit naar drie specifieke gebieden: ‘ouderen en ontwikkeling’, ‘betere gezondheid en meer welzijn op oudere leeftijd’ en ‘instaan voor het bestaan van omgevingen die kansen en steun bieden’.

 



Inheemse kwesties

Wereldwijd maken meer dan 370 miljoen mensen deel uit van inheemse, ‘oorspronkelijke’ volken en velen van hen leven in armoede. Zij kennen de kortste levensverwachting, de hoogste kindersterfte, de laagste aantallen van kinderen die onderwijs volgen en afstuderen, en de hoogste werkeloosheid. Ze leven meestal in overvolle, slechte huizen en kampen met omgevingsgebonden gezondheidsproblemen. Bijgevolg zijn ze oververtegenwoordigd in gevangenissen en scoren ze hoog in de armoedestatistieken.

Aan het einde van de jaren tachtig begonnen de gesprekken over de oprichting van een permanent invloedrijk orgaan dat zich, met medewerking van deze volken moest buigen over mondiale inheemse kwesties. In juli 2000 richtte de Economische en Sociale Raad daarom het Permanent forum voor inheemse vraagstukken op om zich te buigen over inheemse problemen met betrekking tot economische en sociale ontwikkeling, cultuur, onderwijs, gezondheid en mensenrechten. Het Forum kreeg de opdracht advies te geven en aanbevelingen te doen aan ECOSOC en via deze instantie ook aan andere VN-fondsen, -programma’s en -agentschappen. Het Forum moet meer aandacht vragen voor deze problematiek, de integratie en coördinatie bevorderen van VN-activiteiten in dit verband en informatie over inheemse volken opstellen en verspreiden.

Het Forum stelt hoge verwachtingen. Samen met de inheemse volken ijvert het voor gerichte aanbevelingen die blijk geven van politieke wijsheid en resulteren in katalytisch beleid in de praktijk. Het VN-systeem wordt gevraagd systematisch met het Forum samen te werken en met zijn input en aanbevelingen, mee te werken aan het verbeteren van de levensomstandigheden van deze mensen. Hoe inheemse kwesties een rol kunnen spelen bij het realiseren van de ontwikkelingsdoelen voor het nieuwe millennium, is ook een punt van aandacht. In veel landen zal de aandacht voor de inheemse gemeenschappen in belangrijke mate helpen het streefdoel te bereiken om extreme armoede tegen 2015 te halveren .

Het Vaste forum voor inheemse kwesties telt 16 leden – acht van hen genomineerd door lidstaten en verkozen door de ECOSOC en acht genomineerd na regionale overleg binnen de inheemse gemeenschappen zelf en benoemd door de voorzitter van de Raad. Het secretariaat van het Permanent forum heeft begin van 2003 zijn werkzaamheden aangevangen binnen het Departement van Economische en Sociale Zaken van de VN. In samenwerking met een interagentschappelijke steungroep die bestaat uit VN-agentschappen, -fondsen en -programma’s, legt het secretariaat zich toe op de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen van het Forum. In mei 2003 hield het Forum voor de tweede maal zitting. Er waren 1000 deelnemers. (zie www.un.org/esa/socdev/pfii).



Andersvaliden

Andersvaliden nemen vaak niet deel aan de samenleving. Er is sprake van discriminatie op verschillende niveaus, gaande van het ontzeggen van onderwijs tot meer subtiele vormen zoals segregatie en isolering door het instellen van fysieke en sociale barrières. Ook de samenleving lijdt hieronder, omdat de verwaarlozing van het potentieel van mensen met een handicap de mensheid verarmt. Om het begrip invaliditeit te veranderen is er een verandering van waarden nodig en een beter begrip op alle niveaus van de samenleving.

Al van begin af aan zet de VN zich in voor een verbetering van de status van andersvaliden en van hun levensomstandigheden. De bekommernis om het welzijn en de rechten van andersvaliden is vervat in de principes voor de oprichting van de VN, die immers uitgaan van de rechten en fundamentele vrijheden van de mens en van de gelijkwaardigheid van alle mensen.

In de jaren zeventig kreeg het concept mensenrechten voor andersvaliden meer internationale draagwijdte. Met de aanvaarding van de Verklaring over de rechten van mentaal gehandicapten (1971) en de Verklaring over de rechten van invaliden (1975) bepaalde de Algemene Vergadering dat deze mensen recht hebben op gelijke behandeling en op voorzieningen die hun sociale integratie bevorderen.

Het Internationaal Jaar voor Mindervaliden (1981) leidde tot de goedkeuring door de Algemene Vergadering van het Wereldactieprogramma voor mindervaliden, een beleidskader voor het bevorderen van de rechten van andersvaliden. Het Programma omschrijft twee doelstellingen voor internationale samenwerking: gelijke kansen en volledige deelname van andersvaliden aan het sociale leven en aan ontwikkeling.

Een belangrijk gevolg van het Decennium van de VN voor mindervaliden (1983-1992) was de goedkeuring door de Algemene Vergadering in 1993 van de Standaardregels inzake gelijke kansen voor mensen met een handicap. Deze regels zijn een beleidsinstrument en vormen de basis voor technische en economische samenwerking.

Recent heeft de Algemene Vergadering zijn belofte hernieuwd om doeltreffende beleidslijnen en programma’s goed te keuren en te implementeren voor mensen met een handicap, met aandacht voor toegankelijkheid, werkgelegenheid, duurzame inkomens, sociale voorzieningen en sociale vangnetten. In 2001 installeerde de Vergadering een ad hoc-commissie die zich moest buigen over voorstellen voor een uitgebreid internationaal verdrag om de rechten en waardigheid van mensen met een handicap te bevorderen en beschermen. In juni 2004 begon deze commissie aan onderhandelingen over een ontwerpverdrag op basis van een tekst opgesteld door haar werkgroep.

Steeds meer informatie wijst op de noodzaak om problemen met andersvaliden aan te pakken in de context van de bredere nationale ontwikkeling en binnen het bredere kader van de mensenrechten. Samen met regeringen, NGO’s, academische instellingen en het bedrijfsleven probeert de VN internationale middelen te mobiliseren, het bewustzijn te vergroten en te werken aan de opbouw van kennis en kunde om deze vraagstukken te benaderen vanuit het brede perspectief van de mensenrechten.

Internationale actie voor mensen met een handicap spitst zich meer en meer toe op dienstverlening, het opbouwen van nationale vaardigheden op het vlak van informatieverschaffing en op institutionele mechanismen voor een gelijkekansenbeleid. De VN blijft zich inspannen om landen beter in staat te stellen mensen met een handicap een nadrukkelijker plaats te geven in het algehele ontwikkelingsbeleid en bij activiteiten rond mensenrechten (zie ook www.un.org/esa/socdev/enable).



Een asociale samenleving: misdaad, drugs en terrorisme

Grensoverschrijdende georganiseerde misdaad, illegale drugshandel en terrorisme zijn uitgegroeid tot sociale, politieke en economische krachten die de toekomst van landen en regio’s kunnen beïnvloeden. Grootschalige omkoping van ambtenaren, de groei van ‘misdaadmultinationals’ en mensensmokkel zijn de meest recente trends. Daarnaast vormt terrorisme als middel om kleine en grote gemeenschappen te intimideren en economische ontwikkeling te saboteren een belangrijke dreiging die via doeltreffende internationale samenwerking moet worden aangepakt. De VN neemt deze bedreigingen van degelijk openbaar bestuur, sociale rechtvaardigheid en gerechtigheid voor alle burgers hoogst ernstig en werkt aandachtig aan een universele respons.

Het in Wenen zetelende Bureau van de VN voor Drugs en Criminaliteit (UNODC) coördineert de internationale inspanningen voor de bestrijding van de handel in narcotica en drugsmisbruik, georganiseerde misdaad en internationaal terrorisme – volgens de Secretaris-Generaal de meest ‘onmaatschappelijke’ elementen in deze maatschappij. Het Bureau omvat een misdaadprogramma – dat zich ook bezighoudt met terrorisme en terrorismepreventie – en een drugsprogramma.



Controle op drugs

Wereldwijd zijn er meer dan 200 miljoen drugsverslaafden. Drugsmisbruik leidt tot inkomensverlies, torenhoge kosten voor de gezondheidszorg, gebroken gezinnen en aftakelende gemeenschappen. Daarnaast leidt drugsgebruik via injectienaalden op veel plaatsen in de wereld ook tot snelle verspreiding van aids/HIV en hepatitis.

Er bestaat een rechtstreeks verband tussen drugs en de stijging van misdaad en geweld. Drugskartels ondermijnen het gezag van regeringen en corrumperen bonafide ondernemingen. Met de opbrengsten uit de drugshandel wordt een aantal van de meest gewelddadige gewapende conflicten gefinancierd.

De financiële tol is onthutsend hoog. Enorme bedragen worden besteed aan de versteviging van politie en justitie, en aan afkick- en reïntegratieprogramma’s. Ook de sociale tol is schrijnend hoog: geweld op straat, oorlogen tussen straatbendes, angst, het verval van steden en geruïneerde levens.

De VN houdt zich op tal van niveaus bezig met het wereldomvattende drugsprobleem. De Commissie voor verdovende middelen is een functionele commissie van de ECOSOC en het belangrijkste intergouvernementele orgaan voor beleidsvorming en coördinatie inzake de internationale drugsbestrijding. De commissie telt 53 lidstaten, volgt nauwgezet de internationale drugssituatie en illegale handel, en doet aanbevelingen voor maatregelen om de internationale controle op drugs te verscherpen. De commissie houdt toezicht op de tenuitvoerlegging van internationale drugsverdragen en van richtlijnen en maatregelen die door de Algemene Vergadering zijn aangenomen.

De Commissie telt vijf suborganen die de samenwerking en coördinatie op regionaal niveau bevorderen in Afrika, Azië en het Stille Zuidzeegebied, Europa, Latijns-Amerika en het Caribisch gebied en in het Nabije en Midden-Oosten.

De Internationale controleraad voor verdovende middelen (INCB) bestaat uit 13 leden en is een onafhankelijk, min of meer gerechtelijk orgaan dat toezicht houdt op de implementatie door regeringen van verdragen inzake drugscontrole en op dit vlak ook steun verleent. De Raad wil ervoor zorgen dat narcotica beschikbaar blijven voor medische en wetenschappelijke doeleinden, en niet in het illegale circuit terechtkomen. De Raad stelt ook limieten voor de hoeveelheid verdovende middelen die landen nodig hebben voor medische en wetenschappelijke doelen. Voorts organiseert INCB ook onderzoeksmissies en technische bezoeken aan landen die kampen met drugsproblemen.

Diverse onder auspiciën van de VN tot stand gekomen verdragen verplichten regeringen toe te zien op de productie en verspreiding van verdovende en psychotrope middelen, om drugsmisbruik en de illegale narcoticahandel te bestrijden, en om aan internationale instellingen verslag uit te brengen over gevoerde actie. Deze verdragen zijn:

• het Enkelvoudig verdrag inzake verdovende middelen (1961) dat de productie, verspreiding, het bezit, gebruik en het verhandelen van verdovende middelen beoogt te beperken tot medische en wetenschappelijke doeleinden en staten verplicht speciale maatregelen te treffen voor bepaalde drugs zoals heroïne. Het Protocol van 1972 bij het verdrag vraagt aandacht voor de behandeling en reïntegratie van verslaafden;
• het Verdrag over psychotrope stoffen (1971) dat voorziet in een systeem voor internationaal toezicht op psychotrope stoffen. Dit systeem reageert op de veranderingen en uitbreiding van het drugsspectrum en voorziet in controleprocedures voor een aantal synthetische drugs;
• het Verdrag tegen de illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen (1988) dat voorziet in uitgebreide maatregelen tegen drugshandel, met inbegrip van het witwassen van geld en het onttrekken van basischemicaliën aan het bonafide circuit. Dit verdrag is het belangrijkste raamwerk voor de internationale samenwerking in de strijd tegen de drugshandel en beoogt het opsporen, bevriezen en confisqueren van winsten en eigendommen verworven uit drugssmokkel, de uitlevering van drugshandelaren en de overdracht van processtukken in strafzaken. Krachtens het verdrag verbinden de leden zich ertoe de vraag naar drugs uit te roeien of te beperken.

Met het drugscontroleprogramma stuurt UNODC alle VN-activiteiten aan inzake het toezicht op verdovende middelen. Het helpt ontwikkelingen te voorkomen die de productie, handel en misbruik in de hand kunnen werken. In dat verband steunt het regeringen bij het opzetten van structuren en strategieën voor het toezicht op drugs, verleent het technische steun rond drugsbeheersing; bevordert het de implementatie van de drugsverdragen en treedt het op als mondiaal platform voor kennis- en informatieoverdracht.

De aanpak van UNODC van de wereldwijde drugsproblematiek is heel divers. Lokale programma’s voor drugspreventie, behandeling en reïntegratie worden uitgevoerd in samenwerking met NGO’s en maatschappelijke organisaties. Alternatieve ontwikkelingssteun biedt nieuwe economische mogelijkheden aan boeren die economisch afhankelijk zijn van het verbouwen van illegale gewassen die zouden moeten verdwijnen. Betere opleiding en technologische middelen in de strijd tegen drugs maken de opsporing en vervolging doeltreffender en steun aan bedrijven en NGO’s bij het creëren van programma’s moet de vraag naar verdovende middelen beperken. Bijvoorbeeld:

• Het Mondiaal programma voor toezicht op de teelt van illegale gewassen in Afghanistan, Laos, Myanmar, Colombia en Peru probeert met een combinatie van satellietwaarnemingen, inspecties vanuit de lucht en waarnemingen ‘in het veld’ landen een uitgebreid beeld te geven van teeltgebieden en nieuwe trends.
• Het Mondiaal evaluatieprogramma geeft nauwkeurige en actuele statistieken over het illegale drugsgebruik in de wereld. Een accuraat beeld van het drugsmisbruik is essentieel bij het zoeken naar de beste strategieën voor preventie, behandeling en reïntegratie.
• Het Programma voor juridische ondersteuning helpt landen bij de tenuitvoerlegging van de antidrugsverdragen met het opstellen van wetsontwerpen en de opleiding van justitiële ambtenaren. Meer dan 1700 mensen kregen inmiddels een specifieke juridische training, terwijl ruim 140 landen juridische bijstand ontvingen.

Op de speciale zitting van de Algemene Vergadering in 1988, gewijd aan de internationale drugsproblematiek, beloofden regeringen samen te werken en strategieën op elkaar af te stemmen, en de procedures te versterken die zich richten op het inperken van de illegale productie en consumptie. Het gaat hierbij om campagnes om de vraag naar drugs te verminderen; programma’s die ervoor zorgen dat er minder grondstoffen beschikbaar zijn voor de drugsproductie; inspanningen om de juridische samenwerking te verbeteren tussen landen en zo de controle op de handel op te voeren; en versnelde inspanningen om de teelt van illegale gewassen uit te roeien.



Misdaadpreventie

De misdaad neemt toe in omvang, intensiteit en complexiteit. Criminaliteit bedreigt de veiligheid van burgers over de hele wereld en belemmert de sociale en economische ontwikkeling van landen. Globalisering heeft geleid tot nieuwe vormen van grensoverschrijdende misdaad. Multinationale misdaadsyndicaten hebben hun operaties uitgebreid van de wapen- en drugshandel tot het witwassen van geld. Smokkelaars vervoeren jaarlijks 4 miljoen illegale migranten en verdienen samen zo’n 7 miljard dollar. Het investeringsniveau in corrupte landen ligt vijf procent lager dan in landen die relatief niet corrupt zijn, en deze landen derven zo tot 1 procent economische groei per jaar.

De Commissie voor misdaadpreventie en strafrecht telt 40 leden en is een functioneel orgaan van ECOSOC. De commissie formuleert het internationale beleid en coördineert activiteiten op het vlak van misdaadpreventie en strafrecht.
UNODC voert met het misdaadprogramma het mandaat uit dat is vastgesteld door de Commissie en is het VN-orgaan dat verantwoordelijk is voor misdaadpreventie, strafrecht en hervorming van de strafwetgeving. De aandacht gaat met name uit naar de bestrijding van grensoverschrijdende georganiseerde misdaad, corruptie, terrorisme en mensensmokkel. De strategie steunt op internationale samenwerking en ondersteuning bij deze inspanningen. Het programma ijvert voor een atmosfeer van onkreukbaarheid en van naleving van de wet, en stimuleert de deelname van maatschappelijke organisaties bij de preventie en bestrijding van misdaad en corruptie.

UNODC steunt de ontwikkeling van nieuwe internationale juridische instrumenten ter bestrijding van de internationale misdaad met inbegrip het Verdrag van de VN tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad en de drie protocollen die in september 2003 van kracht werden, en het Verdrag van de VN tegen corruptie dat in 2003 door de Algemene Vergadering werd aangenomen. Het bureau ijvert nu voor ratificatie en biedt landen technische steun bij de uitvoering.

UNODC biedt technische steun aan regeringen om hun strafrechtsysteem te moderniseren. In samenwerking met het Interregionaal crimineel en gerechtelijk onderzoeksinstituut van de VN (UNICRI) lanceerde het centrum in 1999 drie programma’s voor de aanpak van belangrijke problemen: het Mondiaal programma tegen corruptie, het Mondiaal programma tegen mensensmokkel en het Mondiaal onderzoek naar georganiseerde misdaad.

Het Bureau van de VN voor Drugs en Criminaliteit bevordert en vereenvoudigt de toepassing van de VN-normen voor misdaadpreventie en strafrecht als hoekstenen voor humane en doeltreffende strafrechtsystemen – basisvereisten voor de bestrijding van nationale en internationale misdaad. Meer dan 100 landen hebben hun nationale wetgeving en beleid aangepast conform deze normen en zo de basis gelegd voor de strijd tegen de internationale misdaad, met respect voor de mensenrechten en de behoeften van individuen.

UNODC analyseert daarnaast nieuwe trends in misdaad en recht, bouwt databases op, verricht internationale studies en verzamelt en verspreidt informatie. Het onderzoekt ook specifieke behoeften van landen en zorgt voor alerte signaleringsmechanismen, o.m. in verband met het toenemend terrorisme.

In oktober 2002 ging het Mondiaal programma tegen terrorisme van start. In het eerste jaar bood het programma meer dan 30 landen praktische juridische ondersteuning in de aanloop naar de ratificering en tenuitvoerlegging van de 12 internationale instrumenten voor de preventie en bestrijding van internationaal terrorisme. Het programma werkt nauw samen met regionale en andere internationale organisaties zoals de OVSE en het IMF, en onderhoudt contact met de Commissie Contraterrorisme die werd opgericht krachtens resolutie 1373 (2001) van de Veiligheidsraad. Het programma coördineert zijn activiteiten met deze commissie en betrekt er indien nodig de commissie bij.

Het Mondiaal programma tegen witwaspraktijken steunt regeringen in hun actie tegen criminelen die de opbrengsten uit hun misdadige praktijken witwassen op de internationale financiële markten. Naar schatting gaat het jaarlijks om een bedrag van 500 miljard dollar. In nauwe samenwerking met internationale organisaties die witwaspraktijken bestrijden, voorziet het programma regeringen, en gerechtelijke en financiële inlichtingendiensten van methoden om witwassen tegen te gaan. Ook verschaft het beleidsadviezen aan het bankwezen en steunt het nationale financiële opsporingsautoriteiten.

Het Interregionaal crimineel en gerechtelijk onderzoeksinstituut van de VN (UNICRI) treedt op als de interregionale onderzoeksafdeling van UNODC’s misdaadprogramma. Het verricht actiegericht onderzoek naar misdaadpreventie en naar de behandeling van wetsovertreders, en levert door onderzoek en voorlichting een bijdrage tot de formulering van beter beleid rond misdaadpreventie en -beheersing.

De Algemene Vergadering heeft beslist elke vijf jaar een VN-congres over misdaadpreventie en de behandeling van wetsovertreders te organiseren, en zo te voorzien in een forum om het beleid in dezen te presenteren en vooruitgang te stimuleren in de strijd tegen de misdaad. Tot de deelnemers behoren criminologen, strafrechtgeleerden, hoge politieambtenaren en deskundigen op het gebied van strafrecht, mensenrechten en reclassering. Het thema van het elfde congres in april 2005 in Bangkok was ‘Samenwerking en respons: strategische allianties in het kader van misdaadpreventie en strafrechtspraak’.



Wetenschap, cultuur en communicatie

Voor de VN is de samenwerking tussen landen op het gebied van onderwijs, wetenschap, cultuur en communicatie essentieel voor de bevordering van de vrede en ontwikkeling in de wereld. Naast het algemene werk in verband met onderwijs, legt de VN-Organisatie voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (UNESCO) zich toe op drie andere gebieden: wetenschap ten dienste van ontwikkeling, culturele ontwikkeling (erfgoed en creativiteit) en communicatie en informatie.

Wetenschap
UNESCO’s belangrijkste programma, ‘Wetenschappen ten dienste van ontwikkeling’, bevordert de vooruitgang, overdracht en beschikbaarheid van kennis op het vlak van de mens- en natuurwetenschappen. De intergouvernementele programma’s van UNESCO omvatten onder meer het programma Mens en biosfeer; een programma van de Intergouvernementele Oceanografische Commissie; het Project voor milieu en ontwikkeling in kustgebieden, het Programma voor het beheer van sociale veranderingen, het Internationale hydrologische programma en het Internationaal programma inzake geologische correlatie. Bovendien probeert UNESCO met onderwijs- en opleidingsprogramma’s te komen tot een betere spreiding van wetenschappers en technologen: van hen bevindt zich momenteel 90 procent in de geïndustrialiseerde wereld.

Met het oog op de vorderingen bij het klonen van levende wezens, heeft UNESCO in 1997 de Universele verklaring inzake het menselijke genoom en de mensenrechten goedgekeurd – het eerste internationale document over de ethische aspecten van genetisch onderzoek. De Verklaring formuleert internationale normen op het vlak van genetisch onderzoek bij de mens en de toepassing ervan. Daarbij zoekt de Verklaring naar een verantwoord evenwicht tussen de onderzoeksvrijheid van wetenschappers en de noodzaak om de mensenrechten en de mensheid te vrijwaren van mogelijk misbruik.

Op het vlak van de menswetenschappen legt UNESCO zich toe op het bevorderen van filosofie en sociaal-wetenschappelijk onderzoek; de verspreiding en bevordering van mensenrechten en democratie; de uitbanning van alle vormen van discriminatie; het verbeteren van de positie van de vrouw; en het zoeken naar oplossingen voor problemen van jongeren, waaronder aids-voorlichting.

Culturele ontwikkeling
De culturele activiteiten van UNESCO zijn voornamelijk gericht op het behoud van het culturele erfgoed. Met het Verdrag voor de bescherming van het culturele en natuurlijke werelderfgoed (1972) beloofden 175 staten plechtig te zullen samenwerken voor de bescherming van 730 bijzondere locaties in 125 landen: beschermde steden, monumenten en natuurgebieden die figureren op de Werelderfgoedlijst van bedreigd erfgoed. Een UNESCO-verdrag uit 1970 verbiedt de illegale import, export en overdracht van cultureel eigendom, en een verdrag uit 1995 regelt de teruggave van gestolen of illegaal uitgevoerde culturele voorwerpen aan het land van herkomst.

UNESCO werkt ook aan een verdrag om ‘onstoffelijk’ erfgoed – mondelinge overleveringen, gewoonten, talen, muziek, dans, rituelen, festiviteiten, traditionele geneeskunde, gastronomie en allerlei traditionele vaardigheden – te bewaren. De organisatie onderzoekt ook de haalbaarheid van een bindend instrument dat de Universele verklaring betreffende culturele diversiteit, aangenomen in november 2001, moet uitbreiden en vervolledigen. UNESCO legt zich ook toe op het stimuleren van de culturele dimensie van ontwikkeling, het aanmoedigen van creëren en creativiteit, het behoud van culturele identiteit en mondelinge overleveringen, en het bevorderen van boeken en lezen.

Communicatie en informatie
UNESCO profileert zich als de belangrijkste verdediger van persvrijheid en pluralistische, onafhankelijke media. Het belangrijkste UNESCO-programma op dit gebied streeft naar de vrije stroom van informatie en het versterken van de communicatiemogelijkheden van ontwikkelingslanden. Het helpt lidstaten bij het (langs wettelijk weg) democratiseren van hun mediabeleid en het nastreven van redactionele vrijheid in de openbare en particuliere media. Bij inbreuken op de persvrijheid reageert de Directeur-Generaal van UNESCO via diplomatieke kanalen of in een openbare verklaring.

UNESCO heeft 3 mei uitgeroepen tot Werelddag voor de persvrijheid.

UNESCO biedt training en technisch advies ter versterking van de communicatie-infrastructuur en het menselijke potentieel in ontwikkelingslanden; en steunt nationale en regionale mediaprojecten, vooral via het Internationale programma voor de ontwikkeling van de communicatie.

UNESCO helpt ontwikkelingslanden bij het opzetten van eigen informaticasystemen en het toegang krijgen tot internationale informatiestromen om de digitale kloof te dichten. De nadruk ligt daarbij op opleiding en het installeren van computernetwerken om wetenschappelijke en culturele instellingen met elkaar te verbinden en toegang tot internet te verzorgen.

Nieuwe informatie- en communicatietechnologieën die de mogelijkheden om informatie te produceren, te verspreiden en te ontvangen op ongekende wijze vergroten, resulteren in een uitbreiding van het principe van ‘de vrije stroom van ideeën’. UNESCO probeert ervoor te zorgen dat zoveel mogelijk mensen kunnen profiteren van de mogelijkheden. Daarnaast houdt UNESCO zich ook bezig met de sociale en culturele gevolgen ervan en met het beleid inzake juridische en ethische kwesties rond ‘cyberspace’.

Werkgroep informatie- en communicatietechnologie. De Millenniumverklaring belooft ‘ervoor zorg te dragen dat iedereen zijn voordeel zal kunnen doen met nieuwe technologieën – in het bijzonder informatie- en communicatietechnologieën’. Bij de groeiende globalisering kunnen dergelijke technologieën ontwikkeling, economische groei, productiviteit en de armoedebestrijding versnellen.

Om dit te realiseren heeft de Secretaris-Generaal in november 2001 de Werkgroep informatie- en communicatietechnologie in het leven geroepen met het mandaat om bewustzijn, faciliterend beleid en innovatieve modellen op technologisch en bedrijfsmatig niveau te bevorderen, en om tegelijkertijd te werken aan samenwerkingsverbanden tussen overheden, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties die bijdragen tot het realiseren van de ontwikkelingsdoelen door middel van het alom verspreide gebruik van ICT.

Deze Werkgroep is een mondiaal platform dat ICT binnen het bereik van iedereen – en niet alleen van een bevoorrechte minderheid – wil brengen. Het is geen operationele of geldverstrekkende eenheid, maar treedt op als katalysator, als instigator van strategische koersbepaling en samenhangende beleidsvorming, en als pleitbezorger voor het gemeenschappelijk doel van een mondiale ontwikkelingsagenda op basis van ICT.

De Werkgroep heeft werkgroepen opgezet die zich bezighouden met verschillende thema’s rond ICT en ontwikkeling: de rol van ICT in beleid en bestuur; nationale en regionale ‘e-strategieën’, de ontwikkeling van personele middelen en vaardigheden; goedkope internettoegang; en ondernemerschap. Ook heeft de Werkgroep regionale knooppunten opgezet voor Afrika, Latijns-Amerika en het Caribisch gebied, Azië, de Arabische staten, Europa en Centraal-Azië. Deze verschaffen op de regio’s toegespitste ondersteuning en bevorderen samenwerking tussen bestaande initiatieven op regionaal niveau.

Het dichten van de digitale kloof vereist inspanningen in zowel de publieke als de private sector op mondiaal, regionaal en lokaal niveau. De grote uitdaging voor de Werkgroep bestaat erin de ‘nieuwe economie’ op de lange termijn en voor de hele wereld productief en duurzaam te maken, en tegemoet te komen aan de behoeften en eisen van iedereen.


UNIC Logo
Terug  Home  Terug naar boven