Ontwapening
    
Het ontwapeningsapparaat
    Massavernietigingswapens
    De dreiging van chemische en biologische wapens wegnemen
    Conventionele wapens, vertrouwenwekkende maatregelen en transparantie

Vreedzaam gebruik van de kosmische ruimte



Ontwapening

De VN beschouwt multilaterale wapenbeperking en ontwapening al sinds haar oprichting als een van de voornaamste aandachtspunten bij de handhaving van de internationale vrede en veiligheid. De hoogste prioriteit gaat uit naar de beperking en uiteindelijke uitbanning van kernwapens, de vernietiging van chemische wapens en de versterking van het verbod op biologische wapens – categorieën die de grootste bedreiging voor de mensheid vormen. Het doel is door de jaren heen gelijk gebleven, maar de aard en omvang van de besprekingen en onderhandelingen veranderen naargelang de ontwikkeling van de politieke realiteit en internationale situaties.

De internationale gemeenschap buigt zich nu ook nadrukkelijker over de buitensporige en destabiliserende verspreiding van kleine en lichte wapens, en bundelt haar krachten om het massale gebruik van landmijnen een halt toe te roepen – fenomenen die de economische en sociale structuren van gemeenschappen bedreigen en onschuldige burgers, vooral vrouwen en kinderen, doden en verminken. Aandacht dient ook te gaan naar internationale afspraken over de verspreiding van rakettechnologie, naar explosieve oorlogsrestanten en naar de effecten van nieuwe informatie- en telecommunicatietechnologie op de internationale veiligheid.

De dramatische gebeurtenissen van 11 september 2001 in de VS bevestigden het potentiële gevaar van massavernietigingswapens in de handen van terroristen. De aanslagen hadden nog verwoestender gevolgen kunnen hebben, hadden de terroristen chemische, biologische of nucleaire wapens in hun bezit gehad en gebruikt. De neerslag van die bezorgdheid vindt men terug in de resolutie die de Algemene Vergadering aanvaardde tijdens haar 57ste zitting in 2002, waarin zij zich voor het eerst uitspreekt over maatregelen die moeten voorkomen dat terroristen in het bezit komen van massavernietigingswapens en van hulpmiddelen om deze te gebruiken, en waarin de Vergadering lidstaten oproept hun steun te verbinden aan internationale inspanningen in dat licht.

Naast haar rol bij daadwerkelijke ontwapeningsprogramma’s en bij het toezien op de naleving van afspraken in dezen, speelt de VN ook een wezenlijke rol op het vlak van multilaterale ontwapening door lidstaten te helpen bij het formuleren van nieuwe normen en bij het aanscherpen en consolideren van bestaande overeenkomsten. Een van de doeltreffendste manieren om het gebruik van massavernietigingswapens (of het dreigen daarmee) door terroristen af te schrikken, is de versteviging van bestaande multilaterale regimes om dergelijke wapens te verbieden en hun verspreiding te voorkomen.




Het ontwapeningsapparaat

Het Handvest van de VN stelt dat de Algemene Vergadering het voornaamste overlegorgaan is wat betreft de behandeling van 'de algemene beginselen van samenwerking bij het handhaven van de internationale vrede en veiligheid, met inbegrip van de beginselen voor ontwapening en de wapenbeheersing' (art. 11). De Vergadering behartigt deze problematiek binnen twee suborganen. De Eerste Commissie (ontwapening en internationale veiligheid) vergadert gedurende de gewone zittingen van de Vergadering en houdt zich bezig met alle ontwapeningsvraagstukken op de agenda van de Vergadering. Het tweede suborgaan is de Ontwapeningscommissie, een gespecialiseerd overlegorgaan dat zich concentreert op specifieke kwesties en jaarlijks een bijzondere sessie van drie weken houdt.

Multilaterale verdragen inzake ontwapening en wapenbeheersing

Belangrijke internationale maatregelen op het vlak van ontwapening en wapenbeheersing die tot stand kwamen door onderhandelingen in multilateraal en regionaal verband zijn in chronologische volgorde:
• Zuidpoolverdrag (1959): voorziet in de demilitarisering van het Antarctisch continent en verbiedt het testen van om het even welk wapentype.
• Verdrag ter uitbanning van kernwapenproeven in de atmosfeer, in de kosmische ruimte en onder water (of 'Partial Test-Ban Treaty', 1963): beperkt kernwapenproeven tot ondergrondse locaties.
• Verdrag inzake het verbod op kernwapens in Latijns-Amerika en het Caribisch gebied (of 'Verdrag van Tlatelolco', 1967) verbiedt tests, gebruik, productie, opslag of verwerving van kernwapens door landen uit deze regio.
• Verdrag inzake activiteiten van staten in de verkenning en het gebruik van de kosmische ruimte, met inbegrip van de maan en andere hemellichamen (of 'Ruimteverdrag', 1967): bepaalt dat de ruimte alleen voor vreedzame doeleinden mag worden gebruikt en dat in de ruimte evenmin kernwapens mogen worden geplaatst of getest).
• Non-Proliferatieverdrag (of 'NPT', 1968): niet-kernwapenstaten verplichten zich ertoe nooit kernwapens te verwerven en krijgen in ruil daarvoor toegang tot alle civiele nucleaire technologieën; kernwapenmogendheden beloven onderhandelingen te voeren om de nucleaire wapenwedloop een halt toe te roepen en te komen tot nucleaire ontwapening. Ook beloven zij in geen geval mee te werken aan de verspreiding van kernwapens naar niet-kernwapenstaten.
• Verdrag inzake een verbod op de plaatsing van kernwapens op of onder de zeebodem (of 'Sea Bed-verdrag', 1971): verbiedt de plaatsing van kernwapens of andere massavernietigingswapens op of in de zeebodem.
• Verdrag inzake bacteriologische (biologische) wapens (of 'BWC', 1972): verbiedt de ontwikkeling, productie en opslag van biologische en giftige strijdmiddelen en voorziet in de vernietiging van deze wapens en van hulpmiddelen voor hun gebruik.
• Verdrag inzake het verbod op bepaalde conventionele wapens (of 'CCW', 1980): verbiedt bepaalde conventionele wapens die gelden als bijzonder schadelijk of die een willekeurige uitwerking hebben. Protocol I verbiedt wapens die uiteenspatten in fragmenten die in het menselijke lichaam niet zijn op te sporen met röntgenstralen; het Geamendeerde Protocol II (1995) beperkt het gebruik van bepaalde soorten mijnen, boobytraps en andere, soortgelijke wapens; Protocol III verbiedt brandstichtende wapens; en Protocol IV verbiedt het gebruik van verblindende laserwapens.
• Verdrag inzake een kernwapenvrije zone in de Stille Oceaan (of 'Verdrag van Rarotonga', 1985): verbiedt de plaatsing, verwerving of het testen van kernwapens en het storten van kernafval in dit gebied.
• Verdrag over conventionele strijdkrachten in Europa (of ‘CFE-verdrag’, 1990): beperkt de omvang van de conventionele bewapening in het gebied dat zich uitstrekt van de Atlantische Oceaan tot de Oeral
• Verdrag inzake chemische wapens (of 'CWC', 1993): verbiedt ontwikkeling, productie, opslag en gebruik van chemische wapens en verplicht tot de vernietiging ervan.
• Verdrag inzake een kernwapenvrije zone in Zuid-Oost-Azië (of 'Verdrag van Bangkok', 1995): verbiedt de ontwikkeling of plaatsing van kernwapens op het grondgebied van landen die partij zijn bij dit verdrag.
• Verdrag inzake een kernwapenvrije zone in Afrika (of 'Verdrag van Pelindaba', 1996): verbiedt de ontwikkeling of plaatsing van kernwapens op het Afrikaanse continent.
• Verdrag inzake het volledig verbod op kernwapenproeven ('Kernstopverdrag' of 'CTBT', 1996): verbiedt wereldwijd alle mogelijke kernwapenproeven op eender welke locatie.
• Conventie inzake landmijnen (of 'Conventie van Ottawa', 1997): verbiedt gebruik, opslag, productie en verspreiding van anti-personeelmijnen en voorziet in de vernietiging ervan.

(Voor de ratificatiestatus van deze verdragen zie http://disarmament.un.org:8080/TreatyStatus.nsf)


De Ontwapeningsconferentie is het enige multilaterale onderhandelingsforum van de internationale gemeenschap voor ontwapeningsaangelegenheden. De Conferentie onderhandelde onder meer over het Verdrag inzake chemische wapens (CWC) en het Verdrag inzake het volledig verbod op kernwapenproeven (CBTB). Aangezien de conferentie zich buigt over zaken die verband houden met de nationale veiligheidsbelangen van staten, werkt zij uitsluitend op basis van consensus. Het lidmaatschap van de conferentie is beperkt tot 66 staten en ze onderhoudt een unieke relatie met de Algemene Vergadering. Hoewel de conferentie haar eigen regels stelt en zelfstandig haar agenda bepaalt, houdt ze rekening met aanbevelingen van de Algemene Vergadering en legt ze haar jaarlijks een rapport voor. Sinds 1997 is de conferentie er niet in geslaagd overeenstemming te bereiken over een substantieel werkprogramma bij gebrek aan consensus bij de leden over ontwapeningsvraagstukken.

Het Departement voor ontwapeningsaangelegenheden (DDA) van het Secretariaat behartigt de tenuitvoerlegging van ontwapeningsbesluiten van de Algemene Vergadering. Het Onderzoeksinstituut van de VN voor Ontwapeningsvraagstukken (UNIDIR) doet onafhankelijk onderzoek naar ontwapeningsvraagstukken en aanverwante kwesties, vooral op het vlak van internationale veiligheid. De Adviesraad voor ontwapening adviseert de Secretaris-Generaal over aangelegenheden rond wapenbeperking en ontwapening, en treedt ook op als de raad van beheer van UNIDIR. Voorts verstrekt hij advies rond de tenuitvoerlegging van aanbevelingen van UNDIP, het VN-informatieprogramma inzake Ontwapening.




Massavernietigingswapens

Kernwapens
Dankzij voortdurende inspanningen is de internationale gemeenschap gekomen tot verscheidene internationale verdragen over de vermindering van het kernwapenarsenaal, het verbod op het gebruik van kernwapens in bepaalde regio's en natuurlijke omgevingen (zoals de zeebodem en de ruimte), het beperken van de proliferatie ervan en het verbod op kernproeven. Ondanks deze resultaten zijn kernwapens en hun verspreiding een belangrijke bedreiging voor de vrede en behelzen ze dus een belangrijke taak voor de internationale gemeenschap.
Centrale aandachtspunten op dit vlak zijn vooral de noodzaak van het reduceren van kernwapenarsenalen, waken over de uitvoerbaarheid van het regime van nucleaire non-proliferatie, en het voorkomen van de ontwikkeling en proliferatie van ballistische raketten en antiraketsystemen.

Bilaterale kernwapenakkoorden. Hoewel op verschillende internationale fora besprekingen worden gevoerd over kernwapenbeheersing, is het duidelijk dat de nucleaire grootmachten meer in het algemeen een bijzondere verantwoordelijkheid dragen voor het bewaren van de internationale stabiliteit en veiligheid. Tijdens en na de Koude Oorlog sloten de twee supermachten verschillende overeenkomsten die de dreiging van een kernoorlog aanzienlijk hebben verminderd.

Multilaterale overeenkomsten inzake kernwapens en non-proliferatie. Het Non-Proliferatieverdrag (of NPT), het meest universele van alle multilaterale ontwapeningsverdragen, werd in 1968 opengesteld ter ondertekening en trad in 1970 in werking. Het NPT geldt als de hoeksteen van het wereldwijde regime voor nucleaire non-proliferatie en als het fundament voor elk streven naar nucleair ontwapening. In 2000 keurde de Herzieningsconferentie van NPT-staten een slotdocument goed waarin de kernmogendheden 'onomwonden de verplichting aangaan (…) te streven naar volledige vernietiging van hun kernwapenarsenalen'.

Bilaterale overeenkomsten

Verdrag ter beperking van afweersystemen tegen ballistische raketten ('ABM-verdrag', 1972): beperkt het aantal afweersystemen tegen ballistische raketten van de Verenigde Staten en de voormalig Sovjetunie tot één per staat. Een 'demarcatieakkoord' tussen de Verenigde Staten en de Russische Federatie (1997) maakte onderscheid tussen 'strategische' of langeafstands-ABM's, die werden verboden , en 'niet-strategische' of korteafstands-ABM's die bleven toegelaten. Het verdrag trad op 13 juni 2002 buiten werking toen de VS zich eruit terugtrok.

Verdrag over de vernietiging van middellange- en korteafstandsraketten tussen de VS en de Sovjet-Unie ('INF-verdrag', 1987): voorziet in de vernietiging van een hele klasse kernwapens, namelijk alle continentale ballistische raketten en kruisraketten met een bereik van 500 tot 5500 km. Eind 1996 waren alle wapens die krachtens de verdragsbepalingen moesten worden vernietigd, ook daadwerkelijk ontmanteld.

Verdrag inzake de reductie van strategische aanvalswapens tussen de VS en de Sovjet-Unie (of 'START I', 1991): beperkte tegen het jaar 2001 voor beide landen het aantal kernkoppen tot 6000 stuks op 1600 langeafstandskernraketten – een vermindering met 30 procent van het bestaande arsenaal in 1991.

Protocol van Lissabon bij START I (1992): verplicht de Russische Federatie, Wit-Rusland, Kazachstan en Oekraïne, als opvolgerstaten van de Sovjet-Unie, de bepalingen van START I na te leven; Wit-Rusland, Kazachstan en Oekraïne werden als niet-kernwapenstaten partij bij het Non-Proliferatieverdrag. In 1996 hadden deze landen alle kernwapens van hun grondgebied verwijderd.

Verdrag inzake de reductie van strategische aanvalswapens (of 'START II', 1993): verplicht beide partijen tot de vermindering (tegen 2003) van het aantal kernkoppen op langeafstandsraketten tot 3500 en tot ontmanteling van met MIRV's (meervoudige, onafhankelijk richtbare terugkeerlanceerinrichtingen) uitgeruste intercontinentale ballistische raketten (ICBM's). Een overeenkomst in 1997 verlegde de termijn voor de vernietiging van lanceersystemen – raketsilo's, bommenwerpers en onderzeeërs – naar eind 2007.

Op 24 mei 2002 tekenden de presidenten van de Russische Federatie en de Verenigde Staten het Strategic Offensive Reductions Treaty (SORT) – ook bekend als het ‘Verdrag van Moskou’ – en kwamen aldus overeen aan weerszijden het aantal strategische kernkoppen te beperken tot 1700 à 2200 stuks. Het verdrag blijft van kracht tot december 2012 en kan worden verlengd of afgeschaft met goedkeuring van beide partijen.



De Conferentie kwam overeen dat er meer openheid moest komen over de mogelijkheden van staten om kernwapens aan te maken en dat de rol van kernwapens in het veiligheidsbeleid moest worden afgebouwd. Men werkt nu aan de voorbereiding van de volgende herzieningsconferentie van NPT-staten, die is gepland voor 2005. Het besluit van de Democratische Volksrepubliek Korea in januari 2003 om zich terug te trekken uit het verdrag, het eerste besluit van dien aard sinds de inwerkingtreding van het verdrag 33 jaar geleden, baart de internationale gemeenschap grote zorgen.

Om toe te zien op de naleving van de verplichtingen in het kader van het NPT, moeten staten de nucleaire voorzorgsmaatregelen (de safeguards) van het Internationale Agentschap voor Atoomenergie (IAEA) aanvaarden. In 2003 waren er 225 voorzorgsovereenkomsten van kracht met 140 lidstaten (inclusief Taiwan), waaronder 136 alomvattende voorzorgsovereenkomsten conform het NPT. Naast het NPT voorzien ook de verdragen van Tlatelolco, Rarotonga, Bangkok en Pelindaba in de toepassing van IAEA-safeguards in kernwapenvrije staten.

In 1996 keurde de Algemene Vergadering met een overweldigende meerderheid het Verdrag inzake het volledig verbod op kernwapenproeven (CTBT of 'Kernstopverdrag') goed dat alle kernwapenproeven waar dan ook verbiedt. Het verdrag dat in 1954 voor het eerst ter tafel verschijnt, maar pas veertig jaar later wordt aangenomen, breidde het partiële verdrag voor het verbod op kernwapenproeven (PTBT) van 1963 uit tot alle testomgevingen. Het CTBT werd in 1996 opengesteld voor ondertekening, maar is nog niet in werking getreden. Van de 44 staten die zijn opgesomd in Bijlage II en wier ratificatie vereist is voordat het verdrag van kracht kan worden, hebben 12 staten het verdrag nog niet getekend of bekrachtigd. De Secretaris-Generaal, in zijn hoedanigheid van depositaris van het verdrag heeft drie conferenties belegd ter bewerkstelliging van de inwerkingtreding van het CTBT (resp. in 1999, 2001 en 2003).

Bijna 170 verdragstaten zetelen in de Voorbereidende commissie voor de Organisatie voor het volledige verbod op kernwapenproeven (CTBTO PrepCom) in Wenen. Zij moeten er via het Voorlopig Technisch Secretariaat (opgericht in 1997) voor zorgen dat een internationaal controlesysteem operationeel is op het ogenblik dat het verdrag in werking treedt. De Overeenkomst ter regulering van de relatie tussen de Voorbereidende Commissie voor de CTBTO en de Verenigde Naties werd ondertekend in 2000.

In september 2003 had in Wenen de Conferentie ter bewerkstelliging van de inwerkingtreding van het CTBT plaats. Bij die gelegenheid werd een verklaring aangenomen die het belang benadrukte van een universeel en doeltreffend te verifiëren verdrag als een belangrijk instrument in verband met alle aspecten van nucleaire ontwapening en non-proliferatie.

Kernwapenvrije zones. In 1967 bracht de ondertekening van het Verdrag inzake het verbod op kernwapens in Latijns-Amerika en het Caribisch gebied (het 'Verdrag van Tlatelolco') een nieuwe beweging op gang in de regionale wapenbeheersing: voor het eerst werd in een bevolkt gebied een kernwapenvrije zone ingesteld. Cuba’s bekrachtiging van het verdrag in 2002 impliceerde dat de kernwapenvrije zone in Latijns-Amerika en het Caribisch gebied thans alle staten in deze regio omvat.

Hierna volgde de instelling van nog drie andere zones: de Stille Oceaan (Verdrag van Rarotonga, 1985), Zuid-Oost-Azië (Verdrag van Bangkok, 1995) en Afrika (Verdrag van Pelindaba, 1996). Dankzij deze verdragen is het hele zuidelijk halfrond kernwapenvrij. In september 2002 stemden de vijf Centraal-Aziatische staten (Kazachstan, Kirgizië, Tadzjikistan, Turkmenistan en Oezbekistan) voorlopig in met de ontwerptekst van een verdrag inzake de instelling van een kernwapenvrije zone in Centraal-Azië. Er liggen ook voorstellen ter tafel voor kernwapenvrije zones in Midden-Europa en Zuid-Azië, en voor een zone vrij van massavernietigingswapens in het Midden-Oosten. Het concept ‘kernwapenvrije zone’ voor individuele landen werd in 1998 erkend door de internationale gemeenschap, toen de Algemene Vergadering haar steun verbond aan de verklaring van Mongolië dat zijn grondgebied volledig kernwapenvrij was.

Nucleaire proliferatie voorkomen.
Het Internationaal Agentschap voor Atoomenergie (IAEA) speelt – als 's werelds inspectoraat voor de toepassing van nucleaire voorzorgs- en controlemaatregelen voor burgerlijke kernprogramma's – een belangrijke rol in de pogingen van de internationale gemeenschap om proliferatie van kernwapens tegen te gaan.
Conform overeenkomsten met staten bezoeken IAEA-inspecteurs geregeld kerninstallaties om documenten te verifiëren over de locatie van nucleair materiaal, om door IAEA geplaatste instrumenten en bewakingsuitrustingen te controleren en om inventarissen van nucleair materiaal te bevestigen. Deze en andere voorzorgen bieden een onafhankelijke, internationale garantie dat regeringen zich houden aan hun belofte om kernenergie alleen voor vreedzame doeleinden aan te wenden.
Om te controleren of de 229 voorzorgsovereenkomsten die momenteel in 145 staten (waaronder Taiwan) van kracht zijn worden nageleefd, voeren 250 IAEA-deskundigen dagelijks overal ter wereld inspecties uit. Jaarlijks vinden er 2400 van dergelijke controles plaats. Het doel is om ervoor te zorgen dat het nucleaire materiaal in de 900 kerninstallaties in 70 landen niet wordt aangewend voor militaire doeleinden. IAEA draagt zo bij aan de internationale veiligheid; het werkt mee aan het stopzetten van de wapenwedloop en aan het streven naar een kernwapenvrije wereld.

Er kunnen verschillende voorzorgsverdragen worden afgesloten met IAEA. Verdragen in het kader van het NPT, het Modelprotocol bij bestaande voorzorgsverdragen, evenals het Verdrag van Tlatelolco, het Verdrag van Pelindaba en het Verdrag van Rarotonga eisen van kernwapenstaten dat zij hun volledige splijtstoffencyclus onderwerpen aan IAEA-voorzorgsmaatregelen. Andere overeenkomsten voorzien in safeguards voor afzonderlijke installaties. IAEA-safeguards krachtens het NPT maken integraal deel uit van de internationale afspraken over non-proliferatie en spelen een cruciale rol bij het garanderen van naleving van het verdrag.




De dreiging van chemische en biologische wapens wegnemen

Met de inwerkingtreding van het Verdrag inzake chemische wapens (CWC) in 1997 werd een proces voltooid dat in 1925 in gang werd gezet toen het Protocol van Genève het gebruik van gifgaswapens verbood. Het verdrag voorzag voor het eerst in de geschiedenis van de internationale wapenbeheersing in een strak controleregime (met o.m. het verzamelen van gegevens over chemische fabrieken en wereldwijde routine-inspecties) om na te gaan of staten zich houden aan hun verdragsverplichtingen. De voor dat doel opgerichte en in Den Haag zetelende Organisatie voor het verbod op chemische wapens (OPCW) had in augustus 2003 bijna 1500 inspecties in 56 lidstaten uitgevoerd. Die inspecties wezen uit dat voor 32 van de 61 aangemelde productiecentra voor chemische wapens formeel kon worden bevestigd dat ze waren vernietigd of een andere bestemming hadden gekregen. De Eerste speciale zitting van de conferentie van verdragsstaten ter beoordeling van de werking van het verdrag inzake chemische wapens had plaats in 2003. De overeenkomst betreffende de relatie tussen de OPCW en de Verenigde Naties werd ondertekend in 2000.

In tegenstelling tot het CWC voorziet het Verdrag inzake biologische wapens (BWC) van 1972 (dat in 1975 in werking trad) niet in een dergelijk controlemechanisme. Toch wisselen de verdragsstaten bij wijze van vertrouwenwekkende maatregel jaarlijks gedetailleerde informatie uit over zaken als hun centra voor riskant biologisch onderzoek. De vijfde toetsingsconferentie van het BWC-verdrag sloot haar hervatte zitting in 2002 af met de afspraak om in de aanloop naar de volgende toetsingsconferentie in 2006 jaarlijkse vergaderingen van verdragsstaten en bijeenkomsten van deskundigen te beleggen.

Die vergaderingen beogen te komen tot gemeenschappelijk begrip en doeltreffend optreden in verband met kwesties betreffende nationale maatregelen bij de tenuitvoerlegging van het BWC; de internationale reactie op – en internationaal onderzoek naar – beschuldigingen van het gebruik van biologische wapens; een betere controle op besmettelijke ziekten; en gedragscodes voor wetenschappers. Het BWC en ook het CWC tot een universeel en volledig nageleefd verdrag maken, en het voorkomen van de proliferatie van biologische en chemische wapens, blijft een belangrijke opdracht voor de internationale gemeenschap.

Ontwikkelingen op het gebied van de proliferatie van ballistische raketten en raketafweersystemen bleef een bron van grote zorg voor veel lidstaten. In 2002 boog een door de Secretaris-Generaal samengesteld panel van deskundige nationale ambtenaren zich voor het eerst op internationaal niveau over deze materie. Het panel kwam tot de conclusie dat het onderwerp nadere verkenning behoefde van alle benaderingswijzen die op nationaal, bilateraal, regionaal, plurilateraal en multilateraal niveau waren gekozen.

De strijd tegen de landmijnen

Sinds de jaren tachtig bindt de Verenigde Naties de strijd aan tegen de miljoenen dodelijke landmijnen in meer dan 60 landen. Elk jaar worden duizenden mensen – vooral vrouwen, kinderen en bejaarden – gedood of verminkt door deze 'stille moordenaars'. Intussen worden in verschillende landen van de wereld toch steeds weer nieuwe mijnen gelegd.

Het probleem wordt onderkend en aangepakt in het onder auspiciën van de VN tot stand gekomen Verdrag inzake inhumane wapens (1980), dat in 1996 ook van toepassing werd op het gebruik van mijnen bij interne conflicten en sedertdien tevens stipuleert dat alle mijnen opspoorbaar moeten zijn. In 1997 leidden gezamenlijke inspanningen van een aantal lidstaten tot het baanbrekende Verdrag voor een verbod op gebruik, opslag, productie en overdracht van anti-persoonsmijnen en voor hun vernietiging, dat productie, gebruik en export van APM’s verbiedt.

De Mijnactiedienst van de VN (UNMAS) is het belangrijkste orgaan voor activiteiten in verband met landmijnen en coördineert alle gerichte acties ter zake van VN-organisaties, -fondsen en -programma's. De dienst houdt zich vooral bezig met mijnopruiming, voorlichting over de aanwezigheid en risico’s van mijnen, slachtofferhulp, lobbying en de vernietiging van voorraden. Regeringen verzoeken de VN steeds vaker om mijnontruimingsprogramma's op te nemen in vredesoperaties, bij humanitaire acties en in antwoord op langetermijnproblemen veroorzaakt door landmijnen en onontploft oorlogstuig.

Deze activiteiten hebben plaats in een aantal van de zwaarst getroffen landen van de wereld. In 2003 steunde UNMAS mijnontruimingsactiviteiten in Afghanistan, Kongo-Kinshasa, de tijdelijke veiligheidszone tussen Ethiopië en Eritrea, Kosovo (Servië en Montenegro), Zuid-Libanon, Soedan en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (zie www.mineaction.org).



Conventionele wapens, vertrouwenwekkende maatregelen en transparantie

Kleine en lichte wapens, praktische ontwapening.
Na afloop van de Koude Oorlog werd de internationale gemeenschap in vele delen van de wereld geconfronteerd met een uitbarsting van conflicten binnen staten, waarbij op grote schaal werd gevochten met kleine en lichte wapens. Hoewel die wapens op zich niet de diepere oorzaak van die conflicten vertegenwoordigen, leiden ze tot een verergering van het geweld, werken ze het optreden van kindsoldaten in de hand, belemmeren ze humanitaire hulp en vertragen ze de wederopbouw en ontwikkeling na afloop van een conflict. Naar schatting 40 tot 60 procent van de wereldwijde handel in kleine wapens geschiedt clandestien. Het beheersen van de verspreiding van illegale wapens is een eerste noodzakelijke stap om te komen tot een betere internationale, regionale en nationale controle op alle aspecten van dit vraagstuk.

Lidstaten ondernamen actie om de buitensporige accumulatie en het ongecontroleerde verkeer van deze wapens te stuiten door opdracht te geven tot twee onderzoeken, in 1997 en 1999, waarmee het vraagstuk onder de aandacht begon te komen. Naar aanleiding van die studies had in 2001 de eerste VN-conferentie over de illegale handel in kleine en lichte wapens bezien in alle opzichten plaats. Deze conferentie formuleerde een actieprogramma met aanbevelingen voor concreet optreden op nationaal, regionaal en mondiaal niveau. Een bijeenkomst van lidstaten ter toetsing van de voortgang van het programma kwam in 2003 tot de slotsom dat het Actieprogramma zijn vruchten begon af te werpen. Eén resultaat is dat er in 2004 onderhandelingen aanvangen om te komen tot een internationaal instrument waarmee staten bijtijds en op betrouwbare wijze illegale kleine en lichte wapens kunnen identificeren en opsporen.

In 1996 nodigde de Algemene Vergadering geïnteresseerde staten uit een groep op te richten om landen bij te staan die kampen met problemen na een conflict. Die groep is zich gaan bezighouden met het onderzoeken en begeleiden van projecten op het vlak van praktische ontwapening, doorgaans ontworpen en opgezet door de betrokken landen zelf. Op aanbeveling van de groep creëerde de Secretaris-Generaal in 1998 een fonds ter ondersteuning van dit type projecten – zoals in Albanië, waar de burgerbevolking werd aangemoedigd wapens vrijwillig in te leveren in ruil voor steun bij de opzet van maatschappelijke projecten.

Daar de ongebreidelde verspreiding van illegale kleine wapens van invloed is op veel aspecten van het werk van de VN – van kinderen tot gezondheidszorg en van vluchtelingenhulp tot ontwikkelingswerk – werd er in 1998 een structuur opgezet onder de naam ‘Coordinating Action on Small Arms’ om ervoor te zorgen dat het VN-stelsel de vele facetten van de beheersing van kleine wapens op gecoördineerde wijze zou aanpakken. Ook is er een allesomvattend mondiaal initiatief ondernomen in de strijd tegen kleine wapens, dat kan rekenen op brede maatschappelijke steun en dat zich toelegt op grondig onderzoek, het bevorderen van gecoördineerd binnenlands optreden en op wereldwijd lobbywerk om te komen tot een internationaal verdrag inzake de handel in wapens.

Anti-persoonsmijnen (APM). De wereldwijd groeiende toename en het ongecontroleerde gebruik van landmijnen is een belangrijk aandachtspunt geworden. In 1995 leidde een herziening van het Verdrag inzake het verbod op bepaalde conventionele wapens (Verdrag inzake inhumane wapens of CCW) tot het Geamendeerd Protocol II dat op 3 december 1998 van kracht werd en dat de beperkingen inzake gebruik, type (zelfvernietigend en opspoorbaar) en levering van APM’s aanscherpt. Momenteel zijn 69 staten partij bij dit protocol.

Niet tevreden met wat zij beschouwen als een ontoereikend antwoord op een ernstige humanitaire crisis, onderhandelde een groep gelijkgestemde landen over een verdrag voor een volledig verbod op alle APM’s – het Verdrag inzake een verbod op gebruik, opslag, productie en overdracht van anti-persoonsmijnen en inzake hun vernietiging (het ‘Anti-mijnenverdrag’ – dat in 1997 werd opengesteld voor ondertekening en op 1 maart 1999 in werking trad. Eind 2003 waren 134 landen partij bij dit verdrag.

De succesvolle tenuitvoerlegging van beide instrumenten leidde tot de vernietiging van wapenvoorraden, het ruimen van mijnen in getroffen landen en tot minder nieuwe slachtoffers. Zo’n 93 landen zijn nu officieel mijnenvrij en 41 van de 55 landen die mijnen produceerden, hebben de vervaardiging van deze wapens gestaakt. Landen die geen partij zijn bij een of beide instrumenten hebben unilaterale moratoria afgekondigd op het gebruik en de overdracht van landmijnen.

Explosieve oorlogsrestanten en andere mijnen dan anti-persoonslandmijnen (MOTAPM). Er mogen dan stappen van betekenis zijn gezet wat APM’s betreft, veel burgers komen om het leven of raken verwond door andere explosief oorlogstuig. Deze explosieven vormen een reëel risico voor bevolkingen wanneer deze er per ongeluk mee in contact komen of wanneer men met opzet aan deze munitie prutst, zeker als het gevaar onvoldoende wordt ingezien. MOTAPM kunnen ernstige schade veroorzaken, zelfs in kleine hoeveelheden, wanneer ze worden geïnstalleerd op strategische locaties; één enkele mijn kan leiden tot het afsluiten van een hele weg en zodoende normale activiteiten drastisch belemmeren. In combinatie met andere veelvoorkomende kenmerken van MOTAPM (zoals anti-hanteerbaarheidsmechanismen en een minimale hoeveelheid verwerkt metaal) kunnen de effecten van deze explosieven in humanitair opzicht zeer ernstig zijn.

Een groep deskundigen namens de regeringen van de verdragsstaten bij het verdrag inzake het verbod op bepaalde conventionele wapens (CCW) onderhandelt nu over een instrument voor het treffen van remediërende maatregelen na conflicten, teneinde de risico’s van explosieve oorlogsrestanten zo veel mogelijk te beperken. Ook buigt deze groep zich over het vraagstuk van de MOTAPM, om een adequate wijze te vinden om de risico’s van het onverantwoordelijke gebruik ervan te verkleinen

Register van conventionele wapens. Met het oog op meer onderling vertrouwen en veiligheid in staten richtte de Algemene Vergadering in 1992 het VN-register van conventionele wapens op. Deze vrijwillige meldingsafspraak stelt deelnemende regeringen in staat informatie te verstrekken over de export en import van zeven klassen van conventionele zware wapens: oorlogsbodems (inclusief onderzeeërs), tanks, pantsergevechtsvoertuigen; gevechtsvliegtuigen; gevechtshelikopters; zware artilleriesystemen; en raketten en raketwerpers, met inbegrip van draagbare korteafstandsluchtafweersystemen. Deze gegevens worden verzameld en jaarlijks door de VN gepubliceerd in een officieel VN-document waarin iedereen inzage heeft, ook via de VN-website. Tot op heden hebben meer dan 160 staten één of meer keren wapensystemen aangemeld bij het Register.

Een ander universeel mechanisme dat de transparantie in militaire aangelegenheden moet bevorderen, is het VN-systeem voor de gestandaardiseerde rapportage van militaire uitgaven, dat in 1980 werd ingevoerd. Dit vrijwillige rapportage-instrument bestrijkt de nationale uitgaven aan militair personeel, functionerings- en onderhoudskosten, aankopen en bouwactiviteiten, en onderzoek en ontwikkeling. Tot op heden hebben meer dan 110 staten minstens één maal verslag uitgebracht via dit instrument.

Wapenwedloop in de kosmische ruimte voorkomen.
Kwesties in verband met de kosmische ruimte worden op de internationale fora op twee manieren benaderd: a) de vreedzame toepassing van ruimtetechnologie en b) het voorkomen van een wapenwedloop in de ruimte. Deze kwesties worden besproken in de Algemene Vergadering, in het Comité voor het vreedzame gebruik van de kosmische ruimte, in de suborganen en tijdens de Ontwapeningsconferentie. De besprekingen hebben geleid tot een aantal internationale overeenkomsten over zowel vreedzame als militaire aspecten van het gebruik van de kosmische ruimte.

Daar het belangrijk is te voorkomen dat de kosmische ruimte wordt gebruikt voor militaire doeleinden, riep de Algemene Vergadering tijdens de eerste speciale zitting over ontwapening (1978) op tot internationale onderhandelingen over dit thema. Sinds 1982 vermeldt de agenda van de Ontwapeningsconferentie steevast het item 'Voorkomen van een wapenwedloop in de kosmische ruimte'. Maar wegens aanhoudende verschillen van opvatting tussen de leden, is weinig vooruitgang geboekt bij onderhandelingen over een multilateraal akkoord.

Relatie tussen ontwapening en ontwikkeling. Het thema van het aanwenden van middelen die vrijkomen door een algemene ontwapening onder doeltreffende internationale controle, voor economische en sociale ontwikkeling in de armste landen, is al vaak besproken door de lidstaten. Uiteindelijk had er in 1987 een internationale conferentie plaats over de relatie tussen ontwapening en ontwikkeling. Met het oog op de veranderingen van de internationale situatie. Sindsdien vergadert een groep deskundigen namens hun regeringen in 2003-2004 om opnieuw de aandacht te vestigen op deze relatie.

Regionale ontwapeningsinitiatieven. De VN steunt ontwapeningsinitiatieven op regionaal en subregionaal niveau, en stimuleert veiligheidsgerelateerde en vertrouwenwekkende maatregelen binnen regio’s. Daarnaast steunt de VN de lidstaten ook bij het formuleren van richtlijnen en aanbevelingen voor regionale ontwapening, zoals die in 1993 werden aangenomen door de Ontwapeningscommissie. Voor deze steun op regionaal niveau werkt de VN samen met gouvernementele organisaties en bondgenootschappen zoals de Afrikaanse Unie, de Europese Unie, de Euro-Atlantische Partnerschapsraad, de Arabische Liga, de Organisatie van Amerikaanse Staten en het Stabiliteitspact voor Zuid-Oost Europa, evenals met internationale, regionale en lokale NGO’s.

Voorlichting over ontwapening en aanverwante bewustmakingsactiviteiten. In 2002 aanvaardde de Algemene Vergadering een rapport van een groep van experts inzake voorlichting over ontwapening en non-proliferatie, dat opnieuw stelde dat educatie op ontwapeningsgebied integraal deel uitmaakt van voorlichting over vrede en veiligheid, en dat het een belangrijk aspect is bij de vorming van iedere burger die actief wil deelnemen aan het maatschappelijke leven. In 2003 en 2004 voert de VN, samen met de Haagse Vredesoproep, een educatief project rond vrede en kleine wapens, dat is gericht op kinderen en jongeren in vier landen (Albanië, Cambodja, Niger en Peru). Bestuurders, docenten en studenten zullen zich daar bezighouden met het vraagstuk van de illegale wapens en de risico’s die ze vertegenwoordigen, teneinde de praktische kennis op dat vlak te vergroten, op school de belangstelling en aandacht voor deze materie te vergroten, en om criminaliteit en geweld terug te dringen.

De Verenigde Naties ontplooit informatie- en bewustmakingsactiviteiten over multilaterale ontwapeningskwesties in het kader van het Voorlichtingsprogramma inzake Ontwapening met publicaties, speciale evenementen, vergaderingen, seminars, paneldiscussies, tentoonstellingen en een uitgebreide website over ontwapeningsvraagstukken (disarmament.un.org). Het Bijscholingsprogramma voor Ontwapeningsbeleid dat in 1978 door de Algemene Vergadering werd opgezet, heeft inmiddels meer dan 500 overheidsfunctionarissen uit 150 landen opgeleid. Zij bekleden nu in hun bestuursorganen verantwoordelijke functies op ontwapeningsgebied.

Gender mainstreaming in ontwapening. In de afgelopen jaren zijn oorlogen er heel anders gaan uitzien, mede doordat vrouwen en meisjes in toenemende mate betrokken zijn geraakt bij conflicten – als slachtoffers, maar ook in een actieve gevechtsrol. De VN spant zich in om ook op ontwapeningsgebied het belang te doen inzien van het man/vrouw-perspectief – of het nu gaat om het inzamelen en vernietigen van wapens, om mijnopruiming, om het uitvoeren van onderzoeksmissies of om deelname aan besluitvorming en vredesprocessen. Zo zou een benadering vanuit man/vrouw-perspectief kunnen stilstaan bij de vraag in hoeverre de verspreiding van in het bijzonder kleine wapens van schadelijke invloed is op vrouwen en hoe dat zou kunnen worden verholpen.



Vreedzaam gebruik van de kosmische ruimte

De Verenigde Naties ijvert ervoor dat de kosmische ruimte alleen wordt gebruikt voor vreedzame doeleinden en dat activiteiten in de ruimte alle naties ten goede komen. De zorg voor het vreedzame gebruik van de ruimte ontstond al kort na de lancering van de Spoetnik – de eerste kunstmaan – door de Sovjet-Unie in 1957, en houdt sindsdien gelijke tred met de ontwikkelingen in de ruimtetechnologie. De VN speelt een voorname rol bij de ontwikkeling van het internationale ruimterecht en het bevorderen van internationale samenwerking op het vlak van ruimtewetenschappen en -technologie.

Het belangrijkste internationale orgaan op dit vlak is de Commissie voor het vreedzaam gebruik van de kosmische ruimte. Deze commissie bestudeert de reikwijdte van de internationale samenwerking inzake het vreedzaam gebruik van de ruimte, ontwikkelt programma's, stuurt de technische samenwerking binnen het VN-systeem, stimuleert onderzoek en informatieverspreiding, en draagt bij tot de ontwikkeling van het internationaal ruimterecht. Het orgaan werd opgericht door de Algemene Vergadering en telt 65 lidstaten.

De commissie telt twee subcommissies:

• De Technisch-wetenschappelijk subcommissie is de spil in de internationale samenwerking op het vlak van ruimtetechnologie en -onderzoek.
• De Juridisch subcommissie houdt zich bezig met de ontwikkeling van het juridische raamwerk dat de snelle technologische ontwikkelingen in de ruimteactiviteiten vereisen.

De commissie en beide subcommissies komen jaarlijks bijeen om problemen te bespreken die de Algemene Vergadering hun voorlegt, om ingediende rapporten te behandelen en om zich te buigen over kwesties die de lidstaten aandragen. De commissie werkt op basis van consensus en doet aanbevelingen aan de Algemene Vergadering.


Juridische instrumenten
De beraadslagingen van de commissie en de juridisch subcommissie hebben inmiddels geleid tot vijf juridische instrumenten die werden goedgekeurd door de Algemene Vergadering en die alle van kracht zijn geworden:

– Het Verdrag over de beginselen voor de activiteiten van staten in de verkenning en het gebruik van de kosmische ruimte, met inbegrip van de maan en andere hemellichamen (of ‘Outer Space Treaty’, 1966) bepaalt dat de verkenning van de ruimte moet plaatshebben in het belang van alle naties, ongeacht hun ontwikkelingsniveau; dat de kosmische ruimte het domein van de hele mensheid is, open staat voor verkenning en gebruik door alle staten en nooit het voorwerp mag zijn van nationale toe-eigening; en uitsluitend voor vreedzame doeleinden zal worden gebruikt.

– De Overeenkomst over de redding van ruimtevaarders, de terugkeer van ruimtevaarders en de terugkeer van in de kosmische ruimte gelanceerde voorwerpen (of ‘Rescue Agreement’, 1967) voorziet in de redding van de bemanningen van ruimteschepen in geval van ongelukken of noodlandingen en stelt procedures vast voor de terugkeer van ruimtevoorwerpen of onderdelen ervan, gevonden buiten de territoriale grenzen van de lancerende autoriteit, naar die autoriteit;

– Het Verdrag over de internationale aansprakelijkheid voor door ruimtevoorwerpen veroorzaakte schade (of ‘Liability Convention’, 1971) bepaalt dat de lancerende staat aansprakelijk is voor door ruimtevoorwerpen aangerichte schade aan het aardoppervlak of aan vliegtuigen in vlucht en ruimtevoorwerpen van een andere staat, of aan personen en bezittingen aan boord van dergelijke voorwerpen;

– Het Verdrag over de registratie van in de kosmische ruimte gelanceerde voorwerpen (of ‘Registration Convention’, 1974) bepaalt dat lancerende staten registers moeten bijhouden van hun ruimtevoorwerpen en informatie over elk gelanceerd object moeten melden aan de VN. Conform de bepalingen van dit verdrag houdt het Bureau voor kosmische aangelegenheden een VN-register bij van voorwerpen die in de ruimte worden gelanceerd. De informatie wordt verschaft door alle lancerende staten en organisaties. Het Bureau voor kosmische aangelegenheden presenteert online een raadpleegbare inventaris van in de ruimte gelanceerde objecten op zijn website (www.oosa.unvienna.org).;

– De Overeenkomst over de activiteiten van staten op de maan en andere hemellichamen (of ‘Moon Agreement’, 1979) is een aanvulling op de in het verdrag van 1966 geformuleerde beginselen aangaande de maan en andere hemellichamen, en legt de grondslag voor de toekomstige reglementering van de verkenning en ontginning van natuurlijke rijkdommen van deze hemellichamen.

Op basis van aanbevelingen van de Commissie voor het vreedzame gebruik van de kosmische ruimte en haar juridische subcommissie, heeft de Algemene Vergadering een aantal beginselen inzake activiteiten in de ruimte aanvaard:

– De Principes voor het gebruik van satellieten voor rechtstreekse internationale televisie-uitzendingen (1982): stellen dat een dergelijk gebruik internationale politieke, economische, sociale en culturele gevolgen heeft. Zulke activiteiten moeten de verspreiding en uitwisseling van informatie en kennis stimuleren, ontwikkeling bevorderen en de soevereiniteit van staten – met inbegrip van het principe van non-interventie – respecteren.

– De Beginselen met betrekking tot de remote-sensing van de aarde vanuit de ruimte (1986): bepalen dat dergelijke activiteiten uitgevoerd dienen te worden ten behoeve van alle landen – met eerbied voor de soevereine zeggenschap van staten en volken over hun eigen natuurlijke hulpbronnen en eerbied voor de rechten en belangen van andere staten. Remote-sensing (of afstandswaarneming) dient te worden gebruikt om het milieu te beschermen en de mensheid te behoeden voor natuurrampen.

– De Beginselen inzake het gebruik van nucleaire energiebronnen in de kosmische ruimte (1992): erkennen dat dit soort bronnen essentieel zijn voor bepaalde ruimtemissies, maar dat het gebruik ervan moet steunen op degelijke veiligheidsmaatregelen. De beginselen voorzien ook in richtlijnen voor het veilige gebruik van nucleaire energiebronnen en voor waarschuwing in geval van dysfunctioneren van ruimteobjecten, wanneer daarbij het risico bestaat dat radioactief materiaal op aarde belandt.

– De Verklaring van internationale samenwerking bij de verkenning en het gebruik van kosmische ruimte ten voordele en in het belang van alle staten, met name de ontwikkelingslanden (1996): stelt dat landen zelf op een gelijkwaardige en onderling aanvaardbare basis mogen bepalen in welke mate en hoe zij bijdragen aan dit type internationale samenwerking, en dat medewerking moet worden verleend op een manier die betrokken staten als het meest doeltreffend en gepast beschouwen.

Bureau voor kosmische aangelegenheden

(www.oosa.unvienna.org)
Het Bureau voor kosmische aangelegenheden, is gevestigd in Wenen en treedt op als het secretariaat voor de Commissie inzake het vreedzaam gebruik van de kosmische ruimte en helpt ontwikkelingslanden bij het toepassen van ruimtetechnologie ten dienste van hun ontwikkeling.

Via het Internationaal Ruimte-informatiesysteem (ISIS) verspreidt het Bureau in de lidstaten informatie die verband houdt met de ruimte. Via het VN-programma voor ruimtetoepassingen geeft het lidstaten technisch advies bij proefprojecten. Ook staat het Bureau in voor opleidingen en beurzen op het vlak van remote-sensing, satellietcommunicatie, satellietmeteorologie, satellietnavigatie, elementaire ruimtewetenschappen en ruimterecht. Het Bureau is voorts een orgaan dat medewerking verleent aan het internationale handvest ‘Space en Major Disasters’ – een instrument dat VN-organisaties de gelegenheid biedt om satellietbeelden aan te vragen ter ondersteuning van het optreden na rampen.

Het Bureau verleent technische bijstand aan regionale opleidingscentra voor ruimtewetenschap en -technologie, en aan het opleidingsnet voor ruimtewetenschappen en -technologie en onderzoekscentra in Oost- en Zuidoost-Europa die met de VN zijn verbonden. Deze centra leiden wetenschappers en onderzoekers op op het vlak van facetten van de ruimtewetenschappen en -technologie die kunnen bijdragen tot duurzame ontwikkeling. Het regionale centrum voor Azië en het Stille-Oceaangebied ging in 1996 in India van start; de regionale centra in Marokko en Nigeria in 1999. In 2003 vingen dergelijke centra voor Latijns-Amerika en het Caribisch gebied hun activiteiten aan in Mexico en Brazilië. Het Bureau verleent de regering van Jordanië technische ondersteuning bij het voorbereidende werk voor een regionaal centrum voor westelijk Azië.

UNISPACE-conferenties

De VN heeft drie belangrijke conferenties georganiseerd over de verkenning en het vreedzaam gebruik van de kosmische ruimte – alledrie in Wenen. De eerste conferentie (1968) onderzocht de praktische voordelen die voortvloeien uit ruimteonderzoek en -verkenning, en de mate waarin niet-ruimtemogendheden, in het bijzonder ontwikkelingslanden, daarvan kunnen profiteren. Tijdens de tweede conferentie in 1982 bleek de toenemende betrokkenheid van alle landen bij kosmische activiteiten. UNISPACE II beoordeelde de huidige staat van de ruimtewetenschappen en -technologie; boog zich over de inzet van ruimtetechnologie voor ontwikkelingsdoeleinden; en besprak internationale samenwerkingsprogramma’s.

De derde conferentie (UNISPACE III, 1999) presenteerde een breed actieprogramma voor het behoud van het milieu op aarde en het beheer van natuurlijke rijkdommen; voor een toespitsing van ruimtetoepassingen op meer veiligheid, ontwikkeling en welzijn van de mens; voor de bescherming van het milieu in de ruimte; voor grotere toegankelijkheid van de ruimtewetenschappen en de baten daarvan; en voor het uitbreiden van oefenings- en opleidingsmogelijkheden, vooral voor jonge mensen.

De conferentie ijverde ook voor de invoering van een mondiaal systeem om natuurrampen te beperken en hun schade te beheersen en te voorkomen; pleitte voor een verbetering van opleidingsprogramma's; riep op tot de bevordering van een satellitaire infrastructuur om het analfabetisme te bestrijden; en drong aan op internationale coördinatie van activiteiten in verband met ruimteobjecten in de nabijheid van de aarde. Het Space Generation Forum, georganiseerd voor en door jonge wetenschappers en studenten, droeg mede bij tot het succes van de conferentie. Het evenement bracht regeringen, intergouvernementele instanties, maatschappelijke organisaties en – voor het eerst – het bedrijfsleven bijeen.

De Algemene Vergadering riep in 1999 de week van 4 tot 10 oktober uit als Wereldruimteweek waarin elk jaar bijdragen die de ruimtewetenschappen leveren ter verbetering van het menselijk welzijn onder de aandacht worden gebracht. In 2004 wordt na vijf jaar de vooruitgang getoetst die is geboekt bij de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen van UNISPACE III.




Het Bureau werkt nauw samen met organisaties als ESA, de Internationale Ruimtevaartassociatie (IAF), de Commissie voor satellieten ten dienste van aardwaarnemingen (CEOS) en het Comité voor ruimteonderzoek (COSPAR).

Naast het Bureau zijn ook andere VN-organisaties actief op het vlak van ruimtecommunicatie, satellietmeteorologie, ruimtewetenschap en remote-sensing. Jaarlijks heeft er een interagentschappelijke vergadering inzake activiteiten in de kosmische ruimte plaats ter coördinatie van alle ruimteactiviteiten binnen het VN-systeem.

Jongste ontwikkelingen
Vanwege de snelle veranderingen op het vlak van politiek en veiligheid is het in een publicatie als deze onmogelijk om geheel actuele informatie te verschaffen – men neme als voorbeeld de situatie in en rond de Soedanese regio Darfoer. Raadpleeg de website van de VN (www.un.org) en vooral de nieuwssectie (www.un.org/News) voor de jongste ontwikkelingen en voor andere actuele informatie over de activiteiten van de VN


UNIC Logo
Terug  Home  Terug naar boven