De inzet van de Verenigde Naties voor de vrede

Afrika
    
Zuidelijk Afrika (Angola)
    Midden-Afrika (Rwanda, Burundi, De Democratische Republiek Kongo. Centraal Afrikaanse Republiek)
    West-Afrika (Bureau van de speciale vertegenwoordiger van de Secretaris-Generaal voor West-Afrika, Ivoorkust,
    Liberia, Guinee-Bissau, Sierra Leone)
    Ethiopië-Eritrea
Amerika
(Nicaragua, El Salvador, Guatemala, Haïti, Colombia)
Azië
    
Het Midden-Oosten (Libanon
, Het vredesproces in het Midden-Oosten)
    Afghanistan
    Irak
    India en Pakistan
    Tadzjikistan
    Cambodja
    Bougainville / Papoea Nieuw-Guinea
Europa
    
Cyprus
    Georgië
    De Balkan (Voormalig Joegoslavië, Kosovo)



Afrika

Zuidelijk Afrika
Toen eind jaren tachtig de koude oorlog afliep, kon de VN de vruchten plukken van haar jarenlange inspanningen om vrede te brengen in het door oorlogen geteisterde zuiden van Afrika. De afbrokkeling van het apartheidsregime, dat zijn invloed deed gelden ver over de grenzen van de 'frontliniestaten' en dat verzetsgroeperingen steunde in Mozambique en Angola speelde daarbij een doorslaggevende rol.

In 1988 verklaarde Zuid-Afrika zich bereid samen te werken met de Secretaris-Generaal voor de onafhankelijkheid van Namibië. In 1992 tekenden de regering van Mozambique en het Nationale verzet van Mozambique (RENAMO) een vredesovereenkomst die een einde maakte aan een lange, uitputtende burgeroorlog. De overeenkomst voorzag in de oprichting van de VN-Operatie in Mozambique (UNOM, 1993) die met succes toezicht hield op het staakt-het-vuren, de demobilisatie van de troepen en op de eerste algemene verkiezingen van het land in 1994.

Afrika: een prioriteit voor de Verenigde Naties

De afgelopen tien jaar heeft de VN veel aandacht besteed aan Afrika. De organisatie zoekt naarstig naar nieuwe manieren om langdurige conflicten en oude geschillen op het hoogste niveau aan te pakken. In de Millenniumverklaring van september 2000 zegden wereldleiders hun volledige steun toe en ook beloofden zij speciale maatregelen te treffen om Afrika te helpen bij het oplossen van problemen rond vrede en ontwikkeling.

De Veiligheidsraad belegde verscheidene vergaderingen op ministerieel niveau over Afrika. In 1997 verklaarde de Veiligheidsraad zich ernstig zorgen te maken over het aantal conflicten en de hevigheid ervan op dit continent, en riep hij op tot internationale samenwerking om de vrede en veiligheid te herstellen. In 1998 nam de Raad op een vergadering van ministers van Buitenlandse Zaken resoluties aan over de destabiliserende gevolgen van de illegale wapenhandel, over een wapenembargo en over conflictpreventie in Afrika.

In 2000 vestigde de Veiligheidsraad de aandacht op de benarde situatie in Afrika door gedurende de hele maand januari vergaderingen over deze problematiek te beleggen. Kwesties die aan de orde kwamen, waren de oplossing van conflicten, HIV/aids, vluchtelingen en ontheemden, en de VN-vredesinspanningen in Afrika. Wat dat laatste element betreft is in de loop der jaren nauw samengewerkt met de Afrikaanse Unie en subregionale organisaties zoals ECOWAS (de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten) en SADC (de Gemeenschap voor de Ontwikkeling van Zuidelijk Afrika). De Raad riep op tot een intensivering van die samenwerking.

Voor de Secretaris-Generaal heeft Afrika grote prioriteit. Hij onderneemt dan ook persoonlijk en met 18 speciale vertegenwoordigers, waarnemers en gezanten voor dit continent veel actie om conflicten te voorkomen of te beheersen. In een verslag aan de Veiligheidsraad van 1998 over de conflictoorzaken in Afrika en de bevordering van duurzame vrede, verzocht hij de Afrikaanse staten dringend om naar politieke in plaats van militaire oplossingen te zoeken, zich in te zetten voor goed bestuur en mensenrechten, voor democratisering en verantwoordelijkheidszin van overheden, en om hervormingen door te voeren gericht op economische groei. Hij riep de internationale gemeenschap op om op haar beurt meer politieke steun en schuldverlichting te bieden aan Afrika, en om de grenzen open te stellen voor Afrikaanse exportproducten.

De VN heeft zich in de loop der jaren onder meer verdienstelijk gemaakt voor Afrika met haar anti-apartheidscampagne in Zuid-Afrika, met actieve steun voor de onafhankelijkheid van Namibië en met een twintigtal vredesoperaties. Er hadden van 1992 tot 1995 drie vredesoperaties plaats in Somalië om de vrede te herstellen en noodhulp te bieden. Een nieuwe vredesoperatie die in 2003 van start ging, helpt Liberia bij de wederopbouw van het land na een veertien jaar durende burgeroorlog.

De bredere economische en sociale context is van grote invloed op de vrede en veiligheid in Afrika – het verband tussen schrijnende armoede en oorlog is overduidelijk. Die relatie manifesteert zich ook in het lot van vluchtelingen en ontheemden, de HIV/aids-epidemie, de buitenlandse schuld, milieuschade, schendingen van de mensenrechten en de aanhoudende economische crisis. Ook op economisch en sociaal vlak is Afrika een belangrijke prioriteit voor de Verenigde Naties.

Angola. De regering en UNITA (de Nationale unie voor de volledige onafhankelijkheid van Angola) waren al sinds de onafhankelijkheid van Portugal in 1975 verwikkeld in een verwoestende burgeroorlog die met tussenpozen opflakkerde. De VN speelde een belangrijke rol bij het beëindigen van het conflict. Die inbreng omvatte bemiddeling door de Secretaris-Generaal en zijn gezanten, de organisatie van vredesbesprekingen, het opleggen van een wapen- en olie-embargo en reisverboden tegen UNITA en het toezicht houden op de nationale verkiezingen.

De Veiligheidsraad vaardigde verscheidene vredestichtende en politieke missies af naar Angola. De eerste, in 1989, moest toezien op de terugtrekking van de regeringsgezinde Cubaanse troepen. De tweede, in 1991, hield toezicht op het staakt-het-vuren, op de demobilisatie van troepen en op de verkiezingen in 1992. De uitslagen werden echter verworpen door UNITA en de gevechten laaiden opnieuw op.

Bemiddeling door de speciale gezant van de Secretaris-Generaal Alioune Blondin Beye, resulteerde in het Protocol van Lusaka, dat een broze vrede bewerkstelligde. Het akkoord voorzag in een staakt-het-vuren en in integratie van UNITA in regering en leger. Om het akkoord te steunen en de partijen te helpen bij het herstel van de vrede en bij het bereiken van nationale verzoening, stelde de Veiligheidsraad een derde missie in. (Een aantal jaren later, in juni 1998, kwam de speciale gezant tijdens een vredesmissie om het leven bij een vliegtuigongeluk.).

De Secretaris-Generaal bezocht Angola in 1997 om de verzoening te bevorderen en een regering van nationale eenheid te installeren die in april 1997 ook werd beëdigd. In datzelfde jaar werd de VN-waarnemersmissie in Angola (MONUA) ingesteld om te helpen bij het herstel van de vrede en bij de overgang naar het normale leven. Maar na vier jaar relatieve vrede laaide het conflict in december 1998 weer op en eiste het een hoge tol onder de burgerbevolking. De Veiligheidsraad verscherpte de sancties tegen UNITA wegens het niet nakomen van verplichtingen uit hoofde van het Akkoord van Lusaka.

In december 1998 stortte een door de VN gecharterd vliegtuig neer in een gevechtszone; alle 14 inzittenden kwamen om het leven. Een maand later, in januari ‘99, werd in hetzelfde gebied een ander chartervliegtuig van de VN onder vuur genomen met de dood van de negen inzittenden tot gevolg. De Veiligheidsraad herhaalde dat met name UNITA verantwoordelijk was voor de afbrokkeling van het vredesproces. In februari 1999 beëindigde de Raad het mandaat van MONUA. In oktober riep de Raad het Bureau van de Verenigde Naties in Angola (ONUA) in het leven en stelde hij een afgevaardigde van de Secretaris-Generaal aan om naar wegen te zoeken om de vrede te herstellen en om hulp te bieden bij het opbouwen van bestuurscapaciteit, bij de humanitaire hulpverlening en bij de bevordering van de mensenrechten.
Er kwam snel een einde aan de aanslepende oorlog in Angola toen de stichter en leider van UNITA, Jonas Savimbi, op 22 februari 2002 werd gedood tijdens gevechten met regeringstroepen. UNITA en het regeringsleger bereikten een akkoord over een staakt-het-vuren in maart en in april werd er een memorandum van overeenstemming getekend met het oog op de tenuitvoerlegging van de resterende bepalingen van het Protocol van Lusaka.

Dit leidde tot een lichte uitbreiding van de politieke aanwezigheid van de VN in het land: in augustus werd de VN-missie voor Angola (UNMA) opgezet om de partijen bij te staan bij het afwerken van de resterende taken in het kader van het Protocol van Lusaka en om de regering hulp te bieden bij verkiezingen, te ijveren voor de mensenrechten, het gezag van recht en gerechtigheid te vergroten, de herintegratie van gedemobiliseerde soldaten te faciliteren en om bij te dragen tot een herstel van de economie.

In december 2002 hief de Veiligheidsraad alle sancties op die gedurende de voorgaande negen jaar golden voor UNITA. Begin 2003 hadden alle resterende taken krachtens het Protocol van Lusaka hun beslag gekregen. UNMA werd ontbonden en de verantwoordelijkheid voor de laatste activiteiten van de beweging werd overgedragen op het versterkte kantoor van de residerende VN-coördinator.


Midden-Afrika


Rwanda. De VN raakte in 1993 betrokken bij de problemen in Rwanda, toen dit land en Oeganda de Veiligheidsraad vroegen om militaire VN-waarnemers te stationeren langs hun gemeenschappelijke grenzen, teneinde te voorkomen dat het Rwandees Patriottisch Front (RPF) dit gebied zou gebruiken voor militaire doeleinden. Om aan dat verzoek tegemoet te komen riep de Veiligheidsraad de VN-Waarnemersmissie voor Oeganda en Rwanda (UNOMUR) in het leven.

In 1990 braken in Rwanda gevechten uit tussen de voornamelijk uit Hutu’s samengestelde regering en het RPF van de Tutsi’s, dat opereerde vanuit Oeganda. In 1993 bereikte men een vredesakkoord dat voorzag in een interim-regering en verkiezingen. Op verzoek van beide partijen stelde de Veiligheidsraad daarop de VN-Hulpmissie voor Rwanda (UNAMIR) in om te helpen bij de tenuitvoerlegging van de afspraken. Zoals later evenwel bleek, waren extremistische elementen van de Hutu-meerderheid bezig met het plannen van een campagne om Tutsi’s en gematigde Hutu’s uit te roeien. Begin april 1994 leidde de dood van de presidenten van Rwanda en Burundi tijdens een vliegtuigcrash – veroorzaakt door een raketaanval – tot een golf van grootscheepse en systematische bloedbaden die verscheidene weken aanhielden. Het doden van Tutsi's en gematigde Hutu's was hoofdzakelijk het werk van door Hutu's gedomineerde legeronderdelen en milities.

UNAMIR slaagde er niet in een bestand te bewerkstelligen en UNAMIR-personeel werd steeds vaker het doelwit van aanvallen. Toen enkele landen unilateraal besloten hun contingenten terug te trekken, reduceerde de Veiligheidsraad het aantal manschappen van 2548 tot 270. Ondanks hun geringe aantal slaagden UNAMIR-medewerkers er toch in duizenden Rwandezen te beschermen. In mei kondigde de Veiligheidsraad een wapenembargo af tegen het land en stemde hij in met de uitbreiding van UNAMIR tot 5500 manschappen. Maar het duurde bijna een half jaar voordat lidstaten het nodige personeel ter beschikking stelden. In juli namen RPF-troepen de macht over in Rwanda, kwam er een einde aan de burgeroorlog en werd er een op brede basis samengestelde regering geïnstalleerd.

Van de 7,9 miljoen Rwandese burgers werden er 800.000 vermoord. Ongeveer 2 miljoen mensen vluchtten naar andere landen en binnen het land zelf zwierven nog eens 2 miljoen ontheemden rond. Na een oproep van de VN werd er humanitaire hulp ingezameld ter waarde van 762 miljoen dollar om tegemoet te komen aan deze reusachtige humanitaire uitdaging. Een door de Veiligheidsraad aangestelde commissie van deskundigen meldde in september dat er 'overstelpende bewijzen' waren dat Hutu-elementen zich schuldig hadden gemaakt aan genocide tegen de Tutsi-bevolking.

In november 1994 heeft de Raad het Internationaal Straftribunaal voor Rwanda (ICTR) ingesteld om verdachten van volkenmoord en oorlogsmisdaden te vervolgen en te berechten. Toen Rwandese vluchtelingen op grote schaal terugkeerden naar hun land, namen grote aantallen Rwandese Hutu’s – onder hen personen die betrokken waren geweest bij de volkenmoord – de wijk naar oostelijk Zaire, van waaruit deze génocidaires aanvallen uitvoerden op westelijk Rwanda.

Op verzoek van Rwanda beëindigde de Veiligheidsraad in 1996 het mandaat van UNAMIR. VN-organisaties bleven humanitaire hulp en ondersteuning bij de terugkeer van vluchtelingen verlenen. In 1999 concludeerde een door de Secretaris-Generaal ingestelde onafhankelijke onderzoekscommissie dat het Secretariaat, de Veiligheidsraad en de lidstaten samen verantwoordelijk waren voor het falen van pogingen om een einde te maken aan de genocide. De Secretaris-Generaal sprak zijn 'diepe wroeging' uit over dit falen van de VN en beloofde met klem dat de organisatie nooit meer zou tekortschieten in het voorkomen van massale slachtpartijen.

De overgangsregering die na de volkenmoord werd geïnstalleerd, besloot in 1999 om de overgangsperiode met vier jaar te verlengen teneinde zich te kunnen kwijten van een aantal belangrijke taken, o.a. decentralisatie van het landsbestuur, de overgang naar een democratisch bestel, een nieuwe grondwet, het bevorderen van nationale verzoening en veranderingen binnen het rechtssysteem – onder meer de invoering van het gacaca-systeem dat voorziet in de berechting door hun eigen gemeenschappen van personen die zijn beschuldigd van misdaden in de context van de genocide. In juni 2003 vertoefden ongeveer 110.000 beschuldigden van volkenmoordgerelateerde misdaden in detentiecentra onder uitsterst hachelijke omstandigheden.

Hoewel het ICTR onder anderen voormalig president Jean Kambanda al had veroordeeld tot levenslange vrijheidsstraf, werden de werkzaamheden van het tribunaal ernstig belemmerd door de ontstentenis van getuigen en door een gebrek aan volledige medewerking van regeringszijde – de regering betichtte het ICTR van ondoeltreffendheid door génocidaires te laten spreken namens de verdediging. Vanwege de trage procesgang die daarvan het gevolg was, besloot de Veiligheidsraad een groep van 18 kort zittende rechters (ad litem) te vormen van wie er maximaal negen gelijktijdig zouden mogen zetelen (tot dan toe gold een maximum van vier). In juni 2003 had het tribunaal 81 personen in staat van beschuldiging gesteld, van wie er 61 in hechtenis verbleven. Het ICTR zal in 2008 zijn werkzaamheden beëindigen.

Met het oog op de voor 2003 geplande stembusgang stuurde de VN op verzoek van de Rwandese commissie ter voorbereiding van de nationale verkiezingen een missie naar Rwanda om de behoeften te inventariseren. In mei werd per referendum een nieuwe grondwet aangenomen. In augustus bezorgden de kiezers Paul Kagame een overweldigende zege bij de presidentsverkiezingen. Een maand later behaalde zijn partij, de RPF, een ruime meerderheid tijdens de eerste open en vrije parlementsverkiezingen sinds de onafhankelijkheid in 1962. Ter nagedachtenis aan de volkenmoord die tien jaar eerder in Rwanda had plaatsgevonden, riep de Algemene Vergadering 7 april 2004 uit tot ‘Internationale Dag ter nagedachtenis van de genocide van 1994 in Rwanda’.

Op regionaal niveau kwamen Oeganda en Rwanda tussenbeide in de Democratische Republiek Kongo, de nieuwe naam van Zaïre, daar zij zich zorgen maakten om hun veiligheid, daar Kongo een toevluchtsoord was geworden voor overblijfselen van voormalige Hutu-milities (‘Interahamwe’) en leden van de Rwandese strijdkrachten (‘ex-FAR-manschappen’) die verantwoordelijk waren voor de genocide van 1994. Na intensief diplomatiek optreden van de VN, de OAE en landen in de regio werd het Bestandsakkoord van Lusaka voor Kongo getekend. Daarop stelde de Veiligheidsraad de VN-missie in de Democratische Republiek Kongo (MONUC) in.

In juli 2002 bereikten de presidenten Kagame en Kabila overeenstemming over de terugtrekking van Rwandese troepen uit Kongo en de ontmanteling van de troepen van het gewezen FAR en van Interahamwe, hetgeen een belangrijk keerpunt betekende in de richting van vrede en stabiliteit in het gebied van de Grote Meren. Rwanda voltooide de terugtrekking van zijn troepen op 7 oktober. MONUC had eind 2003 zo’n 900 Rwandese strijders en hun naasten op vrijwillige basis gerepatrieerd.




Burundi. Het VN-bureau in Burundi werkt mee aan internationale acties die worden ondernomen om de crisis in dit land te helpen oplossen. Een langdurig intern conflict liep in 1993 uit op een couppoging waarbij de eerste democratische verkozen president (een Hutu) en zes ministers werden gedood. Hierna braken tussen de partijen gevechten uit, die in de drie volgende jaren meer dan 150.000 slachtoffers eisten.

In 1996 werden de regering en de president – aangesteld na een overeenkomst tussen de Hutu-meerderheid en de Tutsi-minderheid in 1994 – afgezet bij een militaire coup onder leiding van Tutsi's. De Veiligheidsraad veroordeelde de staatsgreep en riep de militaire leiders op de grondwettelijke orde te herstellen. De buurlanden kondigden een economisch embargo af. Toen de gevechten tussen het overwegend uit Tutsi's bestaande leger en Hutu-rebellen weer oplaaiden, werden 500.000 mensen onder dwang naar 'hergroeperingskampen' overgebracht en zochten 300.000 mensen een veilig heenkomen in Tanzania.

In 1996 ondernam Julius Nyerere, ex-president van Tanzania, bemiddelingspogingen die in 1998 leidden tot een nieuwe overgangsgrondwet met als zwaartepunten: politieke samenwerking tussen Hutu's en Tutsi's, de installatie van een overgangsparlement en afspraken met een aantal partijen over een staakt-het-vuren. In 1999 schortten de buurlanden de economische sancties op. De voormalige Zuid-Afrikaanse president Nelson Mandela volgde Nyerere (na diens dood in 2000) op als bemiddelaar in het vredesproces in Burundi. Zijn inspanningen leidden tot het ‘Verdrag voor vrede en verzoening’ dat in augustus 2000 in Arusha (Tanzania) werd ondertekend.

De Veiligheidsraad juichte het akkoord toe en riep de partijen die niet waren betrokken bij het vredesproces op zich er alsnog volledig toe te verbinden. De overgangsregering werd geïnstalleerd in november 2001, kort daarna gevolg door de tijdelijke nationale assemblee en senaat. Zuid-Afrika, bijgestaan door Gabon en Tanzania, voerde met steun van de VN en de Afrikaanse Unie de inspanningen op om te onderhandelen over een volledig staakt-het-vuren. Begin 2003 waren er bestandsafspraken getekend met drie van de voornaamste facties.

In april 2003 gaf de AU toestemming tot stationering van de Afrikaanse Missie in Burundi (AMIB), bestaande uit 3500 manschappen en 120 militaire waarnemers. Op 30 april, op het einde van de eerste helft van de overgangsperiode, werd een Hutu als president en een Tutsi als vice-president ingezworen, aldus een overdracht van de uitvoerende macht van de Tutsi-minderheid naar de meerderheid van de Hutu’s bezegelend.

Maar eind juni werden vier parlementsleden ontvoerd door de rebellerende factie CNDD/FDD (de ‘Nationale Raad ter Verdediging van de Democratie’ samen met de ‘Troepen ter Verdediging van de Democratie’) toen dodelijke aanvallen plaatshadden op de Burundese hoofdstad Bujumbura. Er waren ook meldingen van botsingen tussen het regeringsleger en opstandelingen van Palipehutu-FNL. Zestien van de zeventien provincies van Burundi gingen gebukt onder geïsoleerde gevechten, plunderingen en gewapende roofovervallen. De VN trok haar niet strikt noodzakelijke medewerkers terug uit Bujumbura, waar grote aantallen mensen werden gedood en duizenden op de vlucht waren geslagen.

Toch leidden de onvermoeibare inspanningen van de Zuid-Afrikaanse president Thabo Mbeki en andere leiders uit de regio tot de ondertekening door de overgangsregering en de CNDD/FDD van een protocol teneinde gezamenlijk kwesties over de machtsverdeling op het gebied van landsbestuur, defensie en veiligheid op te lossen (het Protocol van Pretoria). Een en ander leidde tot het overkoepelend bestandsakkoord van 16 november 2003. Het gevolg daarvan was dat de CNDD/FDD deel ging uitmaken van de nationale instellingen. De Veiligheidsraad riep Palipehutu-FNL (Rwasa), de enige opstandige beweging die zich nog niet had aangesloten bij het Akkoord van Arusha, op om dat alsnog te doen.

Ten langen leste kon men de reële hoop koesteren dat uit een decennium van burgeroorlog die een tol van 250.000 tot 300.000 doden had geëist, een herboren en democratisch Burundi zou verrijzen. De aanwezigheid van AMIB was van groot belang geweest om te zorgen voor een klimaat van veiligheid en om de partijen te helpen vooruitgang te boeken in het ontwapeningsproces. AMIB kampte echter met een ernstig tekort aan middelen en logistieke ondersteuning – op vrijwillige basis verschaft door donorlanden – hetgeen de missie belette haar mandaat volledig ten uitvoer te brengen. Dit was in het bijzonder een punt van zorg vanwege de parlementsverkiezingen die vóór 31 oktober 2004 moesten plaatsvinden. De AU verzocht derhalve de VN om de taken van AMIB van haar over te nemen.

Op 21 mei 2004 gaf de Veiligheidsraad krachtens de bindende bepalingen van het Handvest toestemming tot de stationering per 1 juni 2004 van de VN-operatie in Burundi (ONUB) – die aanvankelijk louter de bestaande AMIB-macht zou omvatten. De Raad machtigde ONUB om alle noodzakelijke middelen in te zetten om naleving van de bestandsakkoorden te verzekeren; om activiteiten op het vlak van ontwapening en demobilisatie te ontplooien; en om toe te zien op de onwettige instroom van wapens uit de buurlanden. ONUB moest ook bijdragen tot het scheppen van de noodzakelijke veilige omstandigheden om humanitaire hulp mogelijk te maken, de vrijwillige terugkeer van vluchtelingen en ontheemden faciliteren en bijdragen tot een succesvolle afronding van het electorale proces door zorg te dragen voor een veilig klimaat voor vrije, transparante en vreedzame verkiezingen.

Op 1 juni werden meer dan 2000 AMIB-manschappen ‘omgedoopt’ tot VN-soldaten.




De Democratische Republiek Kongo. Na de massamoorden in Rwanda in 1994 en de installatie van een nieuwe regering in dat land, vluchtten 1,2 miljoen Rwandese Hutu's – onder hen mensen die zich schuldig hebben gemaakt aan genocide – naar de provincie Kivu in Oost-Zaïre, een gebied waar onder meer etnische Tutsi's wonen. Daar begon in 1996 een opstand waarbij rebellen onder leiding van Laurent Désiré Kabila de strijd aanbonden tegen het leger van president Moboetoe Sese Seko. In 1997 veroverden Kabila’s troepen met hulp van Rwanda en Oeganda de hoofdstad Kinshasa en riep men de Democratische Republiek Kongo uit. De burgeroorlog leidde tot een stroom van meer dan 450.000 vluchtelingen en ontheemden.

In 1998 begon in de provincie Kivu een opstand tegen de regering van Kabila en in een paar weken tijd kregen de rebellen grote delen van het land onder controle. Angola, Tsjaad, Namibië en Zimbabwe zegden president Kabila militaire steun toe, maar de rebellen hielden de oostelijke provincies in handen. Rwanda en Oeganda steunden de rebellen van de Kongolese democratiseringsbeweging RCD. De Veiligheidsraad riep op tot een staakt-het-vuren en terugtrekking van buitenlandse troepen. Voorts maande de Raad staten om zich niet te mengen in de binnenlandse aangelegenheden van Kongo. In mei 1999 viel de RCD uiteen in twee facties.

Diplomatieke inspanningen van de Secretaris-Generaal, de OAE en de Gemeenschap voor de ontwikkeling van zuidelijk Afrika (SADC) leidden in juli 1999 tot het bestand van Lusaka. Dit staakt-het-vuren werd ondertekend door de Democratische Republiek Kongo, Angola, Namibië, Rwanda, Oeganda en Zimbabwe, en voorzag in het beëindigen van de vijandelijkheden en in een ‘inter-Kongolese’ dialoog. De RCD en de Mouvement de Libération du Congo ondertekenden het akkoord in augustus. De Veiligheidsraad stemde toe in de inzet van 90 VN-verbindingsofficieren in strategische gebieden in het land en in de hoofdsteden van de ondertekenende landen, om te helpen bij de implementatie van het verdrag. In november stelde de Raad de VN-missie in de Democratische Republiek Kongo (MONUC) in om relaties met de partijen te onderhouden en om toe te zien op de implementatie van het akkoord en op de veiligheidssituatie.

Op 16 januari 2001 werd president Kabila vermoord in zijn paleis in Kinshasa. Zijn zoon Joseph Kabila volgde hem op.
In april 2001 meldde een door de Veiligheidsraad ingesteld panel van deskundigen dat het conflict in Kongo voornamelijk draaide om pogingen van buitenlandse legers om zich meester te maken van de rijke bodemschatten van het land. In het bijzonder vijf belangrijke mineralen exploiteerden deze legers op systematische wijze: diamant, koper, kobalt, goud en coltan (een grondstof voor elektronische chips voor mobiele telefoons en laptopcomputers). Ook was gebleken dat ondernemingen wapens hadden geleverd in ruil voor grondstoffen of middelen ter beschikking hadden gesteld om wapens te kopen. Kongo beschikt ook over reserves aan edelstenen, hout en uranium.

In mei liet president Joseph Kabila weten het verbod op politieke partijen in Kongo te zullen opheffen. Toch bleef in het oosten de strijd tussen gewapende groeperingen en soldaten uit Rwanda en Burundi, de plaatselijke Kongolese militie Mayi-Mayi en RCD in hevigheid toenemen. In oktober gaf de Veiligheidsraad toestemming tot het stationeren van VN-troepen en militaire VN-waarnemers in die regio, daar in Addis Abeba een begin was gemaakt met de lang verwachte inter-Kongolese dialoog.

In juli 2002 kwam er een akkoord tussen de regeringen van Kongo en Rwanda over de terugtrekking van Rwandese troepen uit Kongo en de ontmanteling van de strijdmachten van de ex-FAR en de Interahamwe. In september bereikten Kongo en Oeganda een soortgelijk akkoord. Tegen oktober dreigde een heropleving van de strijd in oostelijk Kongo het hele land te destabiliseren.

Diplomatieke inspanningen ter ondersteuning van de inter-Kongolese dialoog werden voortgezet en in december 2002 kwamen de partijen in het geschil door bemiddeling van de VN en Zuid-Afrika overeen een overgangsregering te vormen, in de hoop na een overgangsperiode van twee jaar open en democratische verkiezingen te kunnen houden. De Veiligheidsraad breidde de capaciteit van MONUC uit tot 8700 militairen en vergrootte voorts de aanwezigheid van MONUC in het oosten, om in te staan voor de veiligheid op de locaties waar werd overgegaan tot de ontwapening en ontbinding van legereenheden, en om hulp te bieden bij de vernietiging van geconfisqueerde wapens en munitie.

Helaas kwam het weer snel tot geweldsuitbarstingen in zuidelijk Kivu, hetgeen ertoe leidde dat in twaalf dagen tijd meer dan 8500 Kongolese vluchtelingen een veiliger heenkomen zochten in buurland Burundi. Eind januari 2003 opende het WFP een luchtbrug om 892 ton voedsel te bezorgen aan ongeveer 115.000 wanhopige en hongerige mensen die door de gevechten waren verdreven uit hun huizen in Bunia – de voornaamste plaats van het grondstoffenrijke district Ituri, onderdeel van de Oostprovincie. In maart werd er door bemiddeling van de VN in Ituri een bestand op plaatselijk niveau getekend. Maar na de terugtrekking van het Oegandese leger in mei, laaide het geweld weer op in Bunia toen groepen Hema’s en Lendu’s strijd gingen leveren om de controle over de regio.

Uiteindelijk tekenden de partijen in mei 2003 dan toch een bestandsakkoord voor het Ituri-gebied. Onder betrekkelijk kalme omstandigheden bleef MONUC patrouilleren in Bunia. De missie poogde zo de etnische spanningen terug te dringen en de doodsbange plaatselijke bevolking gerust te stellen – ook toen even ten noorden van Bunia de lichamen werden ontdekt van twee militaire VN-waarnemers die een week tevoren waren gedood. De meedogenloze interetnische machtsstrijd had tot dan toe ruim 400 levens gekost en werd verder gekenmerkt door stelselmatige verkrachting en moord, en het gedwongen toezien bij kannibalisme als een vorm van psychologische foltering. Op 30 mei gaf de Veiligheidsraad opdracht tot de stationering in Bunia van een multinationale tussentijdse noodtroepenmacht (IEMF) tot 1 september, teneinde bij te dragen tot een klimaat van stabiliteit. De manschappen werden geleverd door de Europese Unie – de eerste troepenmacht van die aard en omvang buiten Europa – en stonden onder Frans bevel.

Op 29 juni bereikten de regering en de voornaamste oppositiegroepen in het land – waaronder de RCD en de Kongolese bevrijdingsbeweging MLC – een overeenkomst inzake maatregelen op militair gebied en qua veiligheid. Op 17 juli werd de tijdelijke regering van nationale eenheid geïnstalleerd in Kinshasa met de eedaflegging door vier vice-presidenten die mede leiding gingen geven aan president Kabila’s overgangsregering die een nieuwe verdeling van de macht in Kongo moest bewerkstelligen. De Veiligheidsraad verlengde het mandaat van MONUC tot na 30 juli 2004 en voerde de troepensterkte op tot 10.800 manschappen, dit ter voorbereiding van de overname van de veiligheidstaken van IEMF in september.

Krachtens hoofdstuk VII van het Handvest machtigde de Raad de missie ook – voor het eerst sinds haar oprichting – om alle noodzakelijke middelen in te zetten, met inbegrip van geweld, om haar mandaat in Ituri en in de provincies Noord- en Zuid-Kivu tot een goed einde te brengen. Ook stelde de Raad een wapenembargo in tegen alle buitenlandse en Kongolese gewapende groeperingen in het oosten van het land. MONUC werd gemachtigd de noodzakelijke maatregelen te treffen om burgers en hulpverleners te beschermen tegen het almaar dreigende geweld; om personeel, gebouwen en voorzieningen van de VN te beschermen; in te staan voor de bewegingsvrijheid van MONUC-medewerkers; en om bij te dragen tot een betere veiligheidssituatie voor het verlenen van humanitaire hulp.

Tegen 5 september 2003, nadat IEMF haar taken had overgedragen aan MONUC, hadden zo’n 2500 VN-vredessoldaten de situatie goed in de hand in Bunia. In de zes maanden die volgden werd de getalssterkte van de MONUC-brigade voor Ituri uitgebreid tot circa 4500 manschappen en werd de presentie uitgebreid met zeven locaties buiten Bunia. Ondanks het stabiliserende effect van die aanwezigheid, hield het geweld aan in Ituri. Zo belandde een MONUC-konvooi in februari 2004 in een hinderlaag van een plaatselijke militie waarbij een militaire VN-waarnemer omkwam. Op 28 oktober meldde een VN-panel dat onderzoek verrichtte naar de plundering van de natuurlijke rijkdommen en bodemschatten van Kongo, dat de illegale exploitatie daarvan nog altijd een van de voornaamste bronnen van inkomsten vormde voor groepen die betrokken waren bij het doen voortduren van het conflict. De Veiligheidsraad veroordeelde deze praktijken. Intussen worden er voorbereidingen getroffen voor verkiezingen die zijn gepland voor 2005.




Centraal Afrikaanse Republiek. Het conflict in de Centraal-Afrikaanse Republiek barstte los toen soldaten halverwege de jaren negentig overgingen tot een reeks opstanden. In 1998, na optreden van troepen uit Frankrijk – de voormalige koloniale macht in het land – en later door een Afrikaanse multinationale troepenmacht (MISAB), ging de VN over tot de instelling van de VN-missie in de Centraal-Afrikaanse Republiek (MINURCA) – een vredesoperatie met het mandaat om bij te dragen aan een verbetering van de veiligheidssituatie in de hoofdstad Bangui. Later bood de VN ook steun bij verkiezingen die het jaar daarna plaatshadden. Het VN-kantoor voor vredesopbouw in de Centraal-Afrikaanse Republiek (BONUCA) werd opgericht in februari 2000, na de terugtrekking van MINURCA.

Maar de onrust bleef bestaan en in mei 2001 werd een couppoging door legerofficieren verijdeld. Twee jaar later, in maart 2003, kwam een groep onder aanvoering van generaal François Bozizé via een gewelddadige staatsgreep aan de macht; de wettig herverkozen president Ange Félix Patassé werd verdreven. De Veiligheidsraad veroordeelde de coup en drong er op aan dat de gezaghebbers in Bangui een plan voor nationale dialoog moesten formuleren, met inbegrip van een tijdpad voor zo spoedig mogelijk te houden verkiezingen.

Eind juni berichtte de Secretaris-Generaal dat de nieuwe machthebbers zich opmaakten voor een proces van nationale dialoog, gevolgd door een grondwettelijk referendum en door algemene verkiezingen in 2004 – hetgeen leidde tot de terugkeer naar een grondwettelijk landsbestuur in januari 2005. De regering koos er voor alle politieke facties en maatschappelijke organisaties te betrekken bij het overgangsproces en er werd een aanvang gemaakt met een dialoog om te komen tot nationale verzoening. In oktober 2003 sprak de Secretaris-Generaal zich lovend uit over de geest van ‘openheid, vergeving en begrip’ die deze besprekingen kenmerkte.

Intussen was het mandaat van BONUCA verlengd tot eind 2004 om steun te blijven verlenen aan de inspanningen van de regering om via een nationale dialoog te komen tot een herstel van de grondwettelijke orde en ook om de binnenlandse capaciteit en bekwaamheid op te voeren ter bevordering van recht en gerechtigheid gedurende de overgangsperiode voorafgaand aan de algemene verkiezingen.


West-Afrika

Bureau van de speciale vertegenwoordiger van de Secretaris-Generaal voor West-Afrika. In maart 2001 bezocht een interagentschappelijke VN-missie elf landen in West-Afrika. De missie deed de aanbeveling om de ernstige, onderling verweven problemen van politieke, economische en sociale aard waarmee West-Afrikaanse landen kampen, aan te pakken door middel van een geïntegreerde subregionale strategie met een belangrijke inbreng van de VN en haar partners. In november 2001 besloot de Secretaris-Generaal tot oprichting van het Bureau van de speciale vertegenwoordiger van de Secretaris-Generaal voor West-Afrika ter bevordering van een dergelijke integrale benadering. Het Bureau bevindt zich in Dakar (Senegal) en is operationeel sinds september 2002.

Het Bureau houdt zich ook bezig met de verlening van goede diensten en met speciale opdrachten in West-Afrikaanse landen, onderhoudt contacten met subregionale organisaties en brengt verslag uit aan de VN-hoofdzetel over belangrijke ontwikkelingen van subregionale betekenis. Zo is de speciale vertegenwoordiger sinds eind 2002 nauw betrokken bij internationale inspanningen om het conflict in Ivoorkust op te lossen.

De speciale vertegenwoordiger treedt ook op als voorzitter van de Gemengde commissie voor Kameroen en Nigeria (CNMC), ingesteld door de Secretaris-Generaal op verzoek van de presidenten van Nigeria en Kameroen om zich te buigen over alle aspecten van de tenuitvoerlegging van een uitspraak van het Internationaal Gerechtshof inzake de grenzen tussen beide landen.

De betrekkingen tussen Kameroen en Nigeria waren al enige tijd gespannen vanwege kwesties in verband met de 1600 kilometer lange grens over land – van het Tsjaadmeer tot het schiereiland Bakassi – en de zeegrens in de Golf van Guinee. Die vraagstukken spitsten zich toe op rechten inzake olievoorraden te land en in de zee, en op het lot van plaatselijke bevolkingen. De spanningen escaleerden eind 1993 tot een militaire confrontatie na stationering van Nigeriaanse troepen op het schiereiland Bakassi, dat zich uitstrekt over 1000 km2. In 1994 legde Kameroen het grensgeschil voor aan het IGH.

Op 10 oktober 2002 deed het Hof uitspraak en in december vergaderde de Gemengde commissie voor de eerste keer, waarna zij om de twee maanden bijeenkwam – afwisselend in Yaoundé (Kameroen) en Abuja (Nigeria) – en zodoende gestaag vooruitgang boekte. In april 2004 besloot de commissie dat de terugtrekking van troepen en de overdracht van het gezag over het grensgebied zou plaatsvinden tussen 15 juni en 15 juli. Terugtrekking van het schiereiland Bakassi en de overdracht van het gezag aldaar op Kameroen zou tussen 15 juli en 15 september geschieden.



Ivoorkust.
In december 1999 zette een groep officieren en soldaten onder aanvoering van generaal Robert Guei de wettige Ivoriaanse regering af, die werd geleid door de in december 1993 aan de macht gekomen president Konan Bedié. In oktober 2000 werden er nieuwe presidentsverkiezingen gehouden. Toen Guei besefte dat hij in de peilingen terrein verloor aan Laurent Gbagbo, voorman van het Ivoriaanse Volksfront (FPI), eiste hij op 23 oktober de overwinning voor zich op. Alassane Ouattara, de leider van het Democratisch Verbond van Republikeinen (RDR), werd uitgesloten van deelname aan de verkiezingen krachtens de bepalingen van een nieuwe en omstreden grondwet die zes maanden tevoren was aangenomen.

Toen duizenden mensen in Abidjan betoogden tegen de actie van Guei, riep Gbagbo zichzelf uit tot president en verliet Guei de stad. Daarop volgden in de straten van de hoofdstad hevige onlusten tussen Gbagbo’s aanhangers, de achterban van Ouattara en veiligheidstroepen. Er vielen honderden doden. Een onafhankelijke onderzoekscommissie, ingesteld door de Secretaris-Generaal, kwam later tot de slotsom dat de verantwoordelijkheid voor het neerslaan van de protesten berustte bij de veiligheidstroepen en dat zij betrokken waren geweest bij de dodelijke slachtpartijen.

In augustus 2002 stelde president Gbagbo een nieuwe regering op brede basis samen. De spanningen hielden aan ondanks een proces van nationale verzoening dat in oktober 2001 was ingezet onder voorzitterschap van ex-premier Seydou Diarra. Op 19 september 2002 deden groepen misnoegde militairen een couppoging en bezetten daarbij het noordelijke deel van het land. Een topconferentie van de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten (ECOWAS) op 29 september in Accra besloot tot de instelling van een vredesmacht en van een zeskoppige contactgroep om te helpen bij het bezweren van de crisis in Ivoorkust. De opstandige Patriottische Beweging van Ivoorkust (MPCI) en de regering tekenden een bestandsakkoord op 17 oktober en de ECOWAS-troepenmacht maakte een aanvang met het toezicht op de naleving daarvan.

Het gevolg van de couppoging was een feitelijke verdeling van het land, waarbij de regering de controle had in het zuiden, de MPCI in het noorden en noordoosten, en twee andere opstandige groeperingen die in november 2002 op het toneel waren verschenen – de Volksbeweging van het Grote Westen (MPIGO) en de Beweging voor Gerechtigheid en Vrede (MJP) – de macht uitoefenden in het westen. Gevechten leidden tot grote aantallen ontheemden in het binnenland en grote stromen vluchtelingen naar de buurlanden.

Nadat besprekingen onder leiding van ECOWAS eind 2002 in een impasse waren geraakt, had er in Linas-Marcoussis (Frankrijk) van 15 tot 23 januari 2003 een bijeenkomst plaats met vertegenwoordigers van de regering en de opstandige groeperingen. Daar kwam men tot een vredesakkoord dat zich uitsprak over de kwesties die ten grondslag lagen aan het conflict en dat voorzag in de vorming van een regering van nationale verzoening. Op 11 januari hadden MPIGO en MJP een bestandsakkoord met de regering getekend.

Op 4 februari aanvaardde de Veiligheidsraad resolutie 1464 (2003) die de politieke krachten in Ivoorkust opriep tot onmiddellijke tenuitvoerlegging van het Akkoord van Linas-Marcoussis. Ook machtigde de resolutie de troepen van ECOWAS en de hen ondersteunende Franse legereenheden tot optreden krachtens Hoofdstuk VII van het Handvest om in te staan voor hun eigen veiligheid en bewegingsvrijheid, en voor de bescherming van burgers in hun operatiegebied. De Secretaris-Generaal stelde op 7 februari Albert Tevoedjre aan als zijn speciale vertegenwoordiger voor Ivoorkust.

Conform het Akkoord van Linas-Marcoussis ging president Gbagbo op 13 maart over tot de vorming van een nationale regering van verzoening met Seydou Diarra als nieuwe premier, behept met uitgebreide bevoegdheden. Het nog hangende vraagstuk van de benoeming van de minister van Defensie en de minister van Binnenlandse Veiligheid werd behandeld door een nationale veiligheidsraad. Op 3 mei tekenden de nationale strijdkrachten van Ivoorkust (FANCI) en de Nieuwe Strijdkrachten – de milities van MPCI, MJP en MPIGO – een bestandsakkoord dat van toepassing was op het gehele Ivoriaanse grondgebied en dat voorzag in de stationering van Franse legereenheden en ECOWAS-troepen ter beveiliging van westelijk Ivoorkust.

Krachtens resolutie 1479 van 13 mei 2003 stelde de Veiligheidsraad de VN-missie in Ivoorkust (MINUCI) in, bestaande uit 76 militaire verbindingsofficieren en een civiele component, met het mandaat om bij te dragen tot de tenuitvoerlegging van het Akkoord van Linas-Marcoussis. Maar in november werd duidelijk dat het vredesproces op ernstige moeilijkheden was gestuit.

De overgangsregering had verzuimd om meteen na haar aantreden te starten met met de herstructurering van het leger en de veiligheidstroepen, zoals het akkoord had bepaald. En in september verwierpen de Nieuwe Strijdkrachten, die de noordelijke provincies beheersten, de benoeming door president Gbagbo van de ministers van Defensie en van Binnenlandse Veiligheid en trokken zij zich terug uit de regering. Samen met zes andere ondertekenaars protesteerden ze tegen het feit dat president Gbagbo niet voldoende macht had gedelegeerd naar de premier en de regering van nationale verzoening.

Voorafgaand aan de beroering rond de eeuwwisseling had de wereld Ivoorkust lange tijd beschouwd als de meest toonaangevende economie in West-Afrika en ook als een toonbeeld van verdraagzaamheid. Maar in november 2003 gaf de Veiligheidsraad uiting aan zijn ernstige bezorgdheid over het stagneren van het vredesproces. Ook veroordeelde de Raad aanvallen op VN-personeel in oktober in door oppositiegroeperingen beheerst gebied en de moord op een Franse journalist in Abidjan, het handelscentrum onder controle van de regering. Tegen het einde van het jaar sprak de Noodhulpcoördinator van de VN zich in zorgelijke bewoordingen uit over de toenemende spanningen in het land en over de gevolgen voor de burgerbevolking van een mogelijke heropleving van het conflict.

Als reactie op deze situatie riep de Veiligheid op 27 februari 2004 de VN-operatie in Ivoorkust (UNOCI) in het leven, die haar werkzaamheden aanvatte op 4 april – de Secretaris-Generaal verzoekend om tegen die tijd het gezag van de troepen van MINUCI en ECOWAS over te dragen aan UNOCI. Ook machtigde de Raad de Franse eenheden om alle noodzakelijke middelen aan te wenden ter ondersteuning van UNOCI, waarvan de getalssterkte was vastgesteld op maximaal 6240 manschappen.

UNOCI heeft het mandaat om in samenwerking met de Franse troepen toe te zien op de tenuitvoerlegging van het volledige bestand van mei 2003 en op de bewegingen van gewapende groepen; assistentie te verlenen bij de ontwapening, demobilisatie, herintegratie, repatriëring en hervestiging; VN-personeel, instellingen en burgers te beschermen; ondersteuning te bieden bij humanitaire hulpacties en bij de tenuitvoerlegging van het vredesproces; en bijstand te bieden op het vlak van mensenrechten, publieksvoorlichting en ordehandhaving


Liberia.
In 1997 werd na acht jaar van burgertwisten een democratisch verkozen regering geïnstalleerd in Liberia en werd het VN-bureau ter ondersteuning van de vredesopbouw in Liberia (UNOL) opgezet. Maar de politieke instabiliteit en de onveiligheid bleven voortduren en in 1999 braken er gevechten uit tussen de regeringstroepen en rebellen van LURD (Liberianen Verenigd voor Verzoening en Democratie). Het vechten nam in omvang en hevigheid toe toen begin 2003 in het westen van het land een nieuwe rebellengroep op het toneel verscheen: MODEL (Beweging voor democratie in Liberia). In mei 2003 hadden groepen opstandelingen in 60 procent van het land het gezag in handen. De humanitaire situatie was zeer ernstig, mede vanwege de duizenden ontheemden.

In april 2003 had de Liberiaanse president Charles Taylor de twee co-voorzitters van de internationale contactgroep voor Liberia meegedeeld dat zijn regering bereid was om zonder voorwaarden vooraf onderhandelingen over een staakt-het-vuren te beginnen met de rebellerende groeperingen. Toen de partijen op 4 juni bijeenkwamen in Accra (Ghana) voor vredesbesprekingen onder auspiciën van ECOWAS, liet het door de VN gesteunde bijzondere gerechtshof voor Sierra Leone weten dat het president Taylor in beschuldiging had gesteld voor oorlogsmisdaden begaan in Sierra Leone gedurende de tienjarige burgeroorlog aldaar en vaardigde het een bevel uit voor Taylors arrestatie. In een rede voor de conferentie bood president Taylor aan zich terug te trekken uit het onderhandelingsproces indien die stap de vrede zou bespoedigen.

Amper twee weken later tekenden de Liberiaanse regeringsdelegatie bij de besprekingen, LURD en MODEL een bestandsakkoord dat voorzag in de onmiddellijke start van een dialoog om binnen dertig dagen te komen tot een allesomvattend vredesakkoord. Ook riepen de partijen op tot de vorming van een overgangsregering zonder president Taylor. Toen dit nieuws bekend werd, kwamen de burgers jubelend de straat op in de Liberiaanse hoofdstad Monrovia. Enkele dagen later meldde Zwitserland dat het op verzoek van het bijzondere gerechtshof verscheidene persoonlijke en zakelijke bankrekeningen van de president had bevroren of geblokkeerd.

Ondanks de akkoorden duurde het vechten in Monrovia en in de rest van het land voort. Honderden onschuldige burgers kwamen daarbij om het leven. Op 28 juni waarschuwde de Secretaris-Generaal voor het reële risico van een grootschalige humanitaire ramp en riep hij de Veiligheidsraad op het mandaat te verstrekken voor de stationering van een multinationale troepenmacht. Op 7 juli, toen de besprekingen in Accra werden hervat, berichtte president Taylor dat hij voornemens was af te treden en Liberia te verlaten. In luttele dagen tijd benoemde de Secretaris-Generaal Jacques Paul Klein, voormalig hoofd van de VN-missie in Bosnia en Herzegovina, als zijn speciale vertegenwoordiger voor Liberia.

De diplomatieke en politieke inspanningen werden opgevoerd. Op 23 juli, toen Monrovia onder mortiervuur van de rebellen lag, verdrongen honderden hongerige en bange vluchtelingen op zoek naar een veilig heenkomen zich binnen de muren van het VN-complex. ECOWAS besloot daarop om een vooruitgaande troepenmacht te zenden van 1000 tot 1500 manschappen. Bij hun aankomst vertrok president Taylor en kort daarop trokken versterkingen van de Verenigde Staten en andere landen binnen om alles in gereedheid te brengen voor de VN-missie.

Op 1 augustus gaf de Veiligheidsraad toestemming voor een multinationale ECOWAS-troepenmacht. Drie dagen later transporteerde de VN het eerste van twee bataljons via een luchtbrug van Nigeria naar de grootste luchthaven van Liberia voor de opbouw van een hoofdkwartier voor de ECOWAS-troepen. Profiterend van een korte windstilte in al het geweld, begonnen de VN en andere hulporganisaties in hoog tempo voedsel en medische artikelen uit te delen onder de honderdduizenden wanhopige mensen die zich verdrongen in de straten van het door oorlogsgeweld geteisterde Monrovia. De VN riep op tot het beschikbaar maken van noodhulp voor Liberia van 69 miljoen dollar.

Op 11 augustus trad president Taylor formeel af en ging hij in Nigeria in ballingschap. Hij werd opgevolgd door vice-president Moses Blah, die aantrad als hoofd van de interimregering. Enige dagen later slaagde de speciale vertegenwoordiger van de Secretaris-Generaal er in om tijdens besprekingen in Accra de partijen over te halen tot het ondertekenen van een akkoord dat voorzag in de onbelemmerde toegang tot de gebieden onder hun controle om daar noodhulp te bieden en in de veiligheid van de internationale hulpverleners. De regering, LURD en MODEL tekenden ook een allesomvattend vredesakkoord, dat werd medeondertekend door ECOWAS, de Afrikaanse Unie en Paul Klein namens de VN.

Op 19 september stelde de Veiligheidsraad de VN-missie in Liberia (UNMIL) in – bestaande uit 15.000 militairen en 1000 man burgerpolitie – om per 1 oktober de taken van ECOWAS over te nemen. Het mandaat omvatte het bewaken van het bestand; hulp bieden bij de ontwapening, demobilisatie, herintegratie en repatriëring (het zogeheten DDRR-takenpakket) van alle gewapende partijen; instaan voor de veiligheid van belangrijke regeringsgebouwen en van de voornaamste infrastructuur; het beschermen van VN-personeel, faciliteiten en burgers; en ondersteuning geven bij noodhulpoperaties en bij het doen naleven van de mensenrechten – met bijzondere aandacht voor kwestbare bevolkingsgroepen als vluchtelingen en ontheemden. UNMIL kreeg ook het mandaat om de overgangsregering te helpen bij het opzetten van een strategie ter consolidering van haar instellingen, dit met het oog op vrije en eerlijke verkiezingen tegen oktober 2005. Later kwam het bericht dat UNMIL in de plaats zou komen van het VN-bureau in Liberia.

De overdracht van taken verliep zoals gepland en 3500 ECOWAS-soldaten – het eerste contingent van de 15.000 manschappen die UNMIL zou stationeren – werden uitgerust met de blauwe VN-helm. Nog geen twee weken later riepen de regering en de rebellenleiders Monrovia uit tot een ‘wapenvrije zone’. De dag daarna, op 14 oktober, werd de nationale overgangsregering van Liberia geïnstalleerd met Gyude Bryant als voorzitter. Op 17 oktober bezorgde ex-president Blah de VN-vredessoldaten een grote hoeveelheid wapens met de woorden ‘wij willen niet meer vechten’. Op 7 november ging de speciale vertegenwoordiger van de Secretaris-Generaal van start met een project ter waarde van 220.000 dollar om wegen in Monrovia te herstellen, een onderdeel van een grootschalig infrastructuurproject van UNMIL.

Op 13 november reageerde UNMIL op schendingen van het bestand in gebieden langs de grenzen van Guinee en Ivoorkust door de patrouilles te land en in de lucht op te voeren. Op 17 november ging een brede voorlichtingscampagne van start over het DDRR-proces, dat formeel op 1 december aanving. Meer dan 8000 voormalige strijders hadden op 14 december hun wapens ingeleverd. Op die datum werd het proces tijdelijk opgeschort om er enkele wijzigingen in aan te brengen. Volgens UNHCR waren wel 40.000 ex-strijders na 14 jaar strijd in afwachting van demobilisatie en herintegratie in het normale leven.

Tegen het einde van het jaar werd er ook gewerkt aan plannen voor een internationale conferentie over de wederopbouw van Liberia. Die vond plaats op 5 en 6 februari 2004. In juni meldde de speciale vertegenwoordiger van de Secretaris-Generaal dat de stationering van UNMIL-troepen de situatie in het land aanzienlijk had gestabiliseerd en dat het vredesproces degelijk op koers was. Hij voegde eraan toe dat 70 procent van naar schatting 53.000 voormalig strijders inmiddels hun wapens hadden ingeleverd



Guinee-Bissau. Na een periode van conflicten in Guinee-Bissau werd in februari 1999 een regering van nationale eenheid ingehuldigd. In maart richtte de VN het VN-bureau ter ondersteuning van de vredesopbouw in Guinee-Bissau (UNOGBIS) op om te helpen bij het scheppen van een gunstig klimaat voor het herstellen en consolideren van de vrede, de democratie en het recht, en om de organisatie van vrije en eerlijke verkiezingen mogelijk te make.Het VN-bureau droeg bij tot het bevorderen van nationale verzoening en tot de versterking van democratische instellingen. In mei echter werd het vredesakkoord opgeschort, flakkerde de strijd weer op en werd president João Bernardo Vieira afgezet door rebellen. Na de parlementaire en presidentiële verkiezingen in november 1999 en januari 2000 droeg de overgangsregering de macht over aan de burgerregering onder het bevel van de nieuwe president Koumba Yala.

Hoewel het VN-bureau de nieuwe regering gedurende de overgangsperiode hulp bleef bieden, werden de consolidering van de vrede en het economisch herstel ernstig belemmerd door de politieke instabiliteit in het land, hetgeen ertoe leidde dat donorlanden hun hulp beperkt hielden. De hachelijke economische toestand gaf aanleiding tot toenemende sociale spanningen. Eind november 2002 ontbond president Yala de nationale assemblee en benoemde hij een ‘regering van zaakwaarnemers’. De voor mei 2003 geplande parlementaire verkiezingen werden herhaaldelijk uitgesteld. Uiteindelijk werd de president op 14 september 2003 afgezet tijdens een geweldloze coup.

In zijn rapport aan de Veiligheidsraad enkele maanden later, stelde de Secretaris-Generaal dat het afzetten van de democratisch verkozen president, hoe laakbaar ook, had plaatsgevonden nadat grondwettelijke normen herhaaldelijk met voeten waren getreden. Hij omschreef de militaire coup als ‘het culminatiepunt van een onhoudbare situatie’ en riep de internationale gemeenschap op methoden aan te bevelen die moeten voorkomen dat democratisch verkozen regeringen, in landen die verkeren in de nadagen van een conflict, de hand lichten met de grondbeginselen van degelijk openbaar bestuur.

Op 28 september tekenden het leger en 23 van de 24 erkende partijen in het land een charter voor de politieke overgang. Deze tekst voorzag in de vorming van een door burgers geleide overgangsregering onder aanvoering van een voorlopige burgerpresident en -premier; parlementaire verkiezingen binnen zes maanden; en presidentsverkiezingen binnen een jaar na de eedaflegging van de nieuwe volksvertegenwoordigers. Op 6 oktober waren alle overgangsmaatregelen van kracht en werd de econoom en zakenman Henrique Perreira Rosa (gewezen voorzitter van de kiescommissie ten tijde van de eerste meerpartijenverkiezingen in 1994) ingezworen als overgangspresident.

Op 18 november deed de president een beroep op de Veiligheidsraad om zijn land te helpen bij het betalen van de achterstallige ambtenarensalarissen. De vorige regering had verzuimd die salarissen uit te keren, wat had geleid tot stakingsgolven in het onderwijs, de gezondheidszorg en andere publieke sectoren – én tot de coup van 14 september. Hij deelde later mee dat de parlementsverkiezingen zouden plaatsvinden op 28 maart 2004. Op 19 december riep de Raad op tot het verlenen van dringende hulp aan Guinee-Bissau. Er kwam een noodfonds beheerd door UNDP om de regering – kampend met een begrotingstekort van 18,3 miljoen dollar – te helpen bij de hervatting van haar maatschappelijke dienstverlening.


Sierra Leone.
De VN raakte in 1995 betrokken bij de gebeurtenissen in Sierra Leone, toen de Secretaris-Generaal een speciaal afgezant benoemde om te bemiddelen in de burgeroorlog. In 1991 waren aanhangers van het Verenigd Revolutionair Front (RUF) in het oosten van het land ten strijde getrokken om de regering omver te werpen. Het leger van Sierra Leone probeerde daarop met steun van Nigeriaanse en Guineese troepen de regering te verdedigen, maar in 1992 pleegde het leger zelf een coup. Ondanks die wisseling van de macht bleef RUF aanvallen.

De speciale gezant onderhandelde met steun van de OAE en ECOWAS over een bestand en de terugkeer van een burgerregering. In 1996 werden verkiezingen gehouden, waarna het leger de macht overdroeg aan de winnaar, Ahmed Tejan Kabbah. RUF nam echter niet deel aan de verkiezingen en bleef doorgaan met de vijandigheden. De speciale gezant was in 1996 betrokken bij de ondertekening van het Vredesakkoord van Abidjan tussen de Sierra-Leoonse regering en RUF, dat echter al in 1997 ontspoorde met een nieuwe militaire staatsgreep waarbij het leger en RUF samen een junta gingen vormen. President Kabbah en zijn regering gingen in ballingschap in Guinee. De Veiligheidsraad stelde een olie- en wapenembargo in en machtigde ECOWAS om toe te zien op de implementatie daarvan, ondersteund door ECOMOG, de waarnemersgroep van ECOWAS.

In 1998 startte ECOMOG, in antwoord op een aanval van de aanhangers van de junta, een militair offensief dat leidde tot de val van de junta. President Kabbah hervatte zijn taken en de Veiligheidsraad hief het embargo op. In juni stelde de Raad de VN-waarnemersmissie in Sierra Leone (UNOMSIL) in om toe te zien op de veiligheidssituatie; zich in te spannen voor de ontwapening van de strijdkrachten; en om de veiligheidstroepen te reorganiseren. Ongewapende UNOMSIL-teams – beschermd door ECOMOG-troepen – leverden bewijzen van gruweldaden jegens burgers en van schendingen van mensenrechten.

De gevechten hielden aan en de alliantie van rebellen verwierf de controle over meer dan de helft van het land. In een offensief om de hoofdstad Freetown te veroveren, bezette de alliantie in januari 1999 bijna de hele stad. Alle UNOMSIL-medewerkers werden geëvacueerd, maar de speciale gezant en de militaire hoofdwaarnemer bleven op hun post. Ze onderhielden contacten met alle partijen en volgden de ontwikkelingen op de voet. Nog dezelfde maand heroverden ECOMOG-troepen de stad en installeerden ze opnieuw de burgerregering. De oorlog bracht 700.000 ontheemden op de been; 450.000 mensen vluchtten naar buurlanden.

De speciale gezant ondernam in overleg met de West-Afrikaanse staten diplomatieke pogingen om de dialoog met de rebellen op gang te brengen. Onderhandelingen tussen de regering en de rebellen leidden tot het Vredesakkoord van Lomé. Met de ondertekening daarvan in juli 1999 kwam er een einde aan de oorlog en werd een regering van nationale eenheid geïnstalleerd.

In oktober besloot de Veiligheidsraad UNOMSIL te vervangen door een grotere missie – de VN-missie in Sierra Leone (UNAMSIL) – om de partijen bij te staan bij de uitvoering van het akkoord en bij de ontwapening, demobilisatie en reïntegratie van zo'n 45.000 strijders. In februari 2000, na de aankondiging dat de ECOMOG-troepen zich zouden terugtrekken, vergrootte de Veiligheidsraad het UNAMSIL-contingent tot 11.000 manschappen.

Maar in april vielen RUF-leden VN-troepen aan toen ex-strijders hun wapens kwamen inleveren. Vier vredessoldaten kwamen daarbij om. RUF gijzelde 500 VN-medewerkers en wederom laaiden de gevechten op. In mei heroverden Britse troepen – op basis van een bilateraal akkoord met de Sierra-Leoonse regering – de hoofdstad en de luchthaven. Ze waren ook betrokken bij de arrestatie door de politie van RUF-leider Foday Sankoh. Tegen het einde van die maand was ongeveer de helft van de gijzelaars weer vrij. De Veiligheidsraad vergrootte het UNAMSIL-contingent nogmaals – tot 13.000 man – om de vrede in het land te herstellen. In juli organiseerde UNAMSIL een reddingsoperatie waarbij ook de overgebleven gijzelaars in veiligheid werden gebracht. In augustus begon de Veiligheidsraad met de opzet van een speciaal strafhof om oorlogsmisdadigers te berechten.

Sinds 2001 heeft de VN gestaag vooruitgang geboekt bij de tenuitvoerlegging van haar vredesmandaat in Sierra Leone. In november was UNAMSIL gestationeerd in alle delen van het land en het ontwapeningsproces kon in januari 2002 worden afgerond. In totaal werden 57.000 strijders van alle factie en milities ontwapend en gedemobiliseerd. Aldus werd het pad geëffend voor presidents- en parlementsverkiezingen.

Na de verkiezingen in mei 2002 richtte UNAMSIL zich op het bijstaan van de regering bij het consolideren van de vrede door te bespoedigen dat het staatsgezag het hele land bestreek, door de herintegratie van ex-strijders – in totaal 46.900 voormalige strijders konden in juni 2003 profiteren van kortlopende herintegratieprojecten – en door zich in te spannen voor huisvesting van ontheemden (IDP’s) en repatrianten. De hervestiging van de IDP’s werd afgerond in december 2002; de repatriëring van Sierra-Leoonse vluchtelingen is nog gaande. De Waarheids- en Verzoeningscommissie en het Bijzonder gerechtshof voor Sierra Leone hebben hun activiteiten medio 2002 aangevangen.

In september 2002 stemde de Veiligheidsraad in met een ontmanteling van UNAMSIL in vier fasen, die in december 2004 moet zijn voltooid. De eerste twee fasen zijn volgens plan verlopen. In februari 2004 was de troepensterkte van UNAMSIL teruggebracht van 17.500 tot 11.672 manschappen. Het tempo van de ontmanteling is gekoppeld aan de vooruitgang die wordt geboekt bij het opbouwen van capaciteit bij de veiligheidstroepen van Sierra Leone om de verantwoordelijkheid te kunnen overnemen voor de binnenlandse en internationale veiligheid van het land. Met het oog daarop gaf de Raad toestemming voor de detachering van 170 man burgerpolitie bij UNAMSIL om te helpen bij de opleiding van de politie van Sierra Leone, terwijl een internationaal team van militaire adviseurs assistentie verleent bij de herstructurering en hervorming van het leger.




Ethiopië-Eritrea

Na de val van de militaire regering in Ethiopië in 1991 verklaarde het Eritrese Volksbevrijdingsfront (EPLF) een interim-regering te zullen vormen en een volksraadpleging te houden om de wensen van het Eritrese volk te peilen betreffende hun status ten opzichte van Ethiopië. In 1992 nodigde de voorzitter van de Eritrese referendumcommissie de VN uit om toezicht te houden op het referendumproces.

De Algemene Vergadering stelde daartoe de VN-waarnemersmissie voor toezicht bij het referendum in Eritrea (UNOVER) in om toe te zien op de organisatie en het verloop van het referendum dat plaatsvond in 1993. Negenennegentig procent van de kiezers stemde voor onafhankelijkheid. Kort daarna riep Eritrea de onafhankelijkheid uit en trad het toe tot de Verenigde Naties

In mei 1998 leidden grensgeschillen tot gevechten tussen Ethiopië en Eritrea. De Veiligheidsraad verzocht de partijen een einde te maken aan de vijandigheden en bood technische steun aan bij de bepaling van de landsgrenzen. De Secretaris-Generaal riep op tot een staakt-het-vuren om de weg vrij te maken voor bemiddelingspogingen door de VN en Rwanda. Vervolgens nam de OAE het voortouw bij de bemiddeling. In mei 2000 stelde de Veiligheidsraad een wapenembargo in tegen beide landen.

Na toenaderingsgesprekken onder auspiciën van de OAU werd in juni in Algiers een akkoord aanvaard over het staken van de vijandigheden. Om toe te zien op de implementatie van het verdrag stelde de Veiligheidsraad de VN-missie in Ethiopië en Eritrea (UNMEE) waarbij ook verbindingsofficieren in de hoofdsteden en militaire waarnemers in het grensgebied werden gestationeerd. In september gaf de Raad toestemming voor de inzet van 4200 soldaten om toezicht te houden op het beëindigen van de vijandigheden en op de naleving van de veiligheidsafspraken die door beide landen waren gemaakt.

Met de komst van de vredessoldaten gingen de Ethiopische en Eritrese strijdkrachten over tot herstationering en kwam er een tijdelijke veiligheidszone (TSZ). UNMEE kreeg tot taak in die zone te patrouilleren en te surveilleren. Ook kreeg de missie de taak toegewezen om de Militaire Coördinatiecommissie voor te zitten, de mijnopruiming in en rond de TSZ te coördineren en technisch te begeleiden, en om haar activiteiten af te stemmen op het werk van de VN en andere organisaties inzake humanitaire aangelegenheden en mensenrechten.

De partijen bleven met de hulp van Algerije besprekingen voeren over hun onderlinge geschillen en in december 2000 tekenden ze een vredesakkoord dat voorzag in de permanente beëindiging van de militaire vijandelijkheden en in de vrijlating van krijgsgevangenen. Ook strekte het akkoord tot de instelling van een onafhankelijke commissie voor de bepaling van de grenzen op basis van koloniale verdragen en het toepasselijk internationaal recht. In april 2002 kwam de uit vijf leden bestaande Grenscommissie tot een definitief en bindend besluit over de grens tussen beide landen. Om bij te dragen tot de tenuitvoerlegging van dat besluit verruimde de Veiligheidsraad het mandaat van UNMEE met de taak om mijnen te ruimen ter ondersteuning van de demarcatie en om de kantoren te velde van de Commissie bij te staan met administratieve en logistieke ondersteuning.

In 2003 was de militaire situatie over het algemeen stabiel, maar het vredesproces bleef verkeren in een kritieke fase, daar Ethiopië de aanbevelingen van de Grenscommissie had verworpen. In grote lijnen respecteerden de partijen de TSZ, ingesteld als een eerste stap op weg naar de demarcatie van de grens, al werd er wel melding gemaakt van enkele schendingen. Die overtredingen leidden begin november tot een schietincident waarbij een Eritrees militielid omkwam. Gedurende het hele jaar betekende de ontstentenis van direct politiek contact tussen de twee landen een beletsel voor de normalisering van de bilaterale betrekkingen – een element van vitaal belang in elk vredesproces. De Secretaris-Generaal en zijn speciale vertegenwoordiger riepen de landen op tot hervatting van de politieke dialoog. In september maande de Veiligheidsraad de landen om de noodzakelijke voorwaarden te scheppen om de afbakening van de grenzen voort te zetten.

Op 30 januari 2004 sprak de Secretaris-Generaal grote bezorgdheid uit over het uitblijven van vorderingen bij het beslechten van het grensgeschil. Hij deelde mee dat hij beide partijen zijn goede diensten had aangeboden en dat hij Lloyd Axworthy (ex-minister van Buitenlandse Zaken van Canada) had benoemd als zijn speciale gezant voor Ethiopië en Eritrea.



Amerika

De VN speelde een cruciale rol bij het herstellen van de vrede in Midden-Amerika door middel van een van de meest complexe en succesvolle vredesoperaties ooit.

De VN raakte in 1989 betrokken in Centraal-Amerika toen de regeringen van Costa Rica, El Salvador, Guatemala, Honduras en Nicaragua om steun vroegen bij hun gemeenschappelijke pogingen om de conflicten te beëindigen die de hele regio in hun greep hielden, om het pad te effenen voor democratische verkiezingen en om de democratisering en de dialoog te bevorderen. De Veiligheidsraad riep daarop de VN-waarnemersgroep in Midden-Amerika (ONUCA) in het leven om te controleren of afspraken over het beëindigen van de steun aan guerrillagroepen en opstandige bewegingen werden nagekomen en om te bewerkstelligen dat het grondgebied van deze landen niet meer zou worden gebruikt als uitvalsbasis voor aanvallen op andere landen.




Nicaragua. De vijf landen kwamen overeen een plan op te stellen voor de demobilisatie van de leden van de Nicaraguaanse verzetsbeweging, en de Nicaraguaanse regering kondigde aan algemene verkiezingen uit te schrijven die zouden plaatsvinden onder toezicht van buitenlandse waarnemers en VN-waarnemers. De VN-waarnemersmissie voor Toezicht bij de Verkiezingen in Nicaragua (ONUVEN) zag toe op het voorbereidende proces en het verloop van de verkiezingen van 1990 – de eerste verkiezingen die de VN begeleidde in een onafhankelijk land. Het succes van ONUVEN droeg bij tot een klimaat waarin de contra’s in 1990 vrijwillig en onder supervisie van ONUCA overgingen tot demobilisatie.


El Salvador. In El Salvador leidden onderhandelingen onder auspiciën van de Secretaris-Generaal en zijn persoonlijke vertegenwoordiger in 1992 tot vredesakkoorden die een einde maakten aan het conflict dat twaalf jaar had geduurd en naar schatting aan 75.000 mensen het leven had gekost. De VN-waarnemersmissie in El Salvador (ONUSAL) zag toe op de tenuitvoerlegging van de akkoorden, de demobilisatie van de troepen en op de naleving door beide partijen van afspraken inzake mensenrechten. ONUSAL werkte ook mee aan de hervormingen die nodig waren om de onderliggende oorzaken van de burgeroorlog weg te nemen – zoals juridische hervormingen en de vorming van een nieuwe burgerpolitie. Op verzoek van de regering hield ONUSAL ook toezicht bij de verkiezingen van 1994. In 1995 kwam er een einde aan het mandaat van ONUSAL.




Guatemala. Op verzoek van Guatemala en de Guatemalteekse Nationale Revolutionaire Eenheid (URNG) woonde de VN begin 1991 besprekingen bij die beëindiging beoogden van het conflict tussen deze partijen dat al ruim dertig jaar aansleepte en had geleid tot 200.000 doden en vermisten. In 1994 kwamen de partijen tot een akkoord waarbij de VN de taak kreeg de tenuitvoerlegging van de afspraken te begeleiden en een mensenrechtenmissie op te richten. In 1994 riep de Algemene Vergadering dan ook de VN-verificatiemissie inzake de mensenrechten in Guatemala (MINUGUA) in het leven.

In 1996 gingen de partijen akkoord met een staakt-het-vuren en tekenden ze een vredesakkoord dat een einde maakte aan het laatste en langst aanslepende conflict in Midden-Amerika. Voor het eerst in 36 jaar heerste er weer vrede in de regio. MINUGUA is nog in het land om toe te zien op de naleving van de akkoorden, terwijl VN-organisaties zich blijven inzetten om de sociale en economische problemen te verhelpen die aan de basis liggen van de conflicten in dit gebied.



Haïti. In 1990, na het vertrek van 'president voor het leven' Jean-Claude Duvalier en een reeks kortstondige regeringen, verzocht de interim-regering van Haïti de VN om het verkiezingsproces in dat jaar te begeleiden. De VN-waarnemersgroep voor toezicht bij de verkiezingen in Haïti (ONUVEH) hield toezicht bij de voorbereidingen en het verloop van de verkiezingen waarbij Jean-Bertrand Aristide tot nieuwe president werd verkozen. Maar in 1991 maakt een militaire staatsgreep een einde aan dit democratische bewind en ging de president in ballingschap.

De Secretaris-Generaal benoemde op verzoek van de Algemene Vergadering een bijzondere gezant voor Haïti, die ook bijzondere gezant van de OAS werd. In reactie op de verslechterende situatie werd in 1993 een gezamenlijke missie van de OAS en de VN – de Internationale civiele missie in Haïti (MICIVIH) – in het land gestationeerd. De missie had tot taak toe te zien op de mensenrechtensituatie en eventuele schendingen te onderzoeken.

In een poging het grondwettelijke gezag te herstellen kondigde de Veiligheidsraad in 1993 een olie- en wapenembargo af tegen Haïti, in 1994 gevolgd door een handelsembargo. Vervolgens machtigde de Veiligheidsraad lidstaten een multinationale troepenmacht op te zetten om een terugkeer van het democratische bewind te bewerkstelligen. Juist toen de troepenmacht zijn taken wilde aanvangen, kwamen de Verenigde Staten en de militaire leiders overeen verder geweld te voorkomen. Het contingent onder leiding van de VS werd vreedzaam in Haïti gestationeerd, president Aristide keerde terug en het embargo werd opgeheven. In 1995 nam een VN-vredesmissie de taak van de multinationale troepenmacht over om de regering te assisteren bij het handhaven van een veilige en stabiele omgeving, en bij het opzetten van de eerste civiele politiediensten in het land.

Tegen de achtergrond van een aanhoudende politieke crisis riep de Algemene Vergadering in 2000 een nieuwe vredesmissie in het leven, de Internationale civiele ondersteuningsmissie in Haïti (MICAH), die het mandaat van de vorige missies en MICIVIH overnam. De nieuwe missie kreeg tot taak de regering bij te staan bij de ontwikkeling van democratische instellingen, vooral op het vlak van mensenrechten, justitie en openbare veiligheid. Deze missie rondde haar taken af in februari 2001, maar de VN bleef actief in Haïti via het werk van UNDP en andere organisaties.

Toen Haïti op 1 januari 2004 zijn 200-jarig bestaan vierde, werd de stabiliteit in het land bedreigd door een ernstige politieke impasse. De Secretaris-Generaal wees er op dat het uitroepen van de onafhankelijke republiek Haïti op 1 januari 1804 het startsignaal was geweest voor de afschaffing van de slavernij in Noord- en Zuid-Amerika en drukte voorts de hoop uit dat de Haïtianen in staat zouden zijn de huidige impasse op vreedzame wijze vlot te trekken. In de weken daarna leidden dodelijke aanvaringen tussen regeringsgezinde en regeringsvijandige milities tot een spiraal van escalerend geweld.

Op 29 februari verliet president Aristide het land en zou hij naar verluidt zijn afgetreden. Inderdaad ontving de Veiligheidsraad een ontslagbrief. Luttele uren later machtigde de Raad krachtens resolutie 1529 de onmiddellijke stationering van een Multinationale Interim-troepenmacht (MIF), dit naar aanleiding van een verzoek van de kort tevoren ingezworen president Boniface Alexandre ‘om internationale hulp ter ondersteuning van het grondwettelijke politieke proces thans gaande in Haïti’. Terstond werd een aanvang gemaakt met het zenden van troepen onder commando van de VS naar Haïti.

Op 30 april aanvaardde de Veiligheidsraad resolutie 1542, strekkende tot de instelling van de VN-stabiliseringsmissie in Haïti (MINUSTAH) – zoals reeds in de eerdere resolutie werd beoogd – ter ondersteuning van de voortgang van een vreedzaam en grondwettelijk politiek proces en ter handhaving van een veilig en stabiel klimaat. MINUSTAH aanvaardde haar taken formeel op 1 juni en nam op 25 juni de verantwoordelijkheid over van MIF. De toegestane getalssterkte van de missie beloopt 6700 soldaten en 1622 man burgerpolitie, aangevuld met internationaal en plaatselijk burgerpersoneel.



Colombia. De Secretaris-Generaal verleent via zijn speciale adviseur goede diensten in Colombia sinds december 1999. Deze functionaris levert een bijdrage aan de vredesinspanningen door het onderhouden van regelmatig contact met de regering, guerrillagroepen, maatschappelijke organisaties en de internationale gemeenschap.

In januari 2002 slaagde de speciale adviseur er in om samen met een groep van tien mentorstaten en de rooms-katholieke kerk een breuk te voorkomen in de vredesbesprekingen tussen de regering en FARC (de revolutionaire gewapende strijdmachten van Colombia). Soortgelijke inspanningen in februari mislukten echter: de besprekingen werden gestaakt. Ondanks deze problemen blijft de VN ondersteuning bieden bij het vinden van een vreedzame oplossing van het conflict in Colombia.



Azië en het Stille-Zuidzeegebied

Het Midden-Oosten
Al vanaf haar oprichting houdt de VN zich bezig met het vraagstuk in het Midden-Oosten. De Verenigde Naties heeft beginselen geformuleerd voor een vreedzame regeling, verscheidene vredesoperaties opgezet en zet haar pogingen voort om een rechtvaardige, duurzame en algehele oplossing te vinden voor de politieke problemen die aan de basis van het geschil liggen.

De oorsprong van het probleem schuilt in het vraagstuk van de toekomst van Palestina. In 1947 werd Palestina – krachtens een mandaat van de Volkenbond – een door het Verenigd Koninkrijk bestuurd gebied. Er woonden ongeveer twee miljoen mensen, van wie twee derde Arabieren en een derde joden. In 1947 aanvaardde de Algemene Vergadering een door het bijzondere VN-comité voor Palestina voorgelegd verdelingsplan van het gebied, dat voorzag in de oprichting van een Arabische en een joodse staat, en een internationaal statuut voor Jeruzalem. Dit plan werd niet aanvaard door de Palestijnse Arabieren noch door de Arabische en andere staten

Op 14 mei 1948 deed het Verenigd Koninkrijk afstand van zijn mandaat over Palestina, waarna het Joods Agentschap de staat Israël uitriep. De volgende dag bonden Palestijnse Arabieren, gesteund door de Arabische staten, de strijd aan met de nieuwe staat. De vijandelijkheden werden gestaakt nadat de Veiligheidsraad had opgeroepen tot een bestand. Een VN-bemiddelaar, benoemd door de Algemene Vergadering, werd belast met het toezicht op het bestand, daarin bijgestaan door een militaire waarnemersgroep die bekend werd als de VN-Organisatie voor toezicht op het bestand (UNTSO) – de eerste VN-waarnemersmissie.

Ten gevolge van dit conflict verloren zo’n 750.000 Palestijnse Arabieren hun huis en bestaansmiddelen en werden zo vluchtelingen. Om hen bij te staan, richtte de Algemene Vergadering in 1949 het VN-Agentschap voor hulp aan de Palestijnse vluchtelingen in het Nabije Oosten (UNRWA) op. Sedertdien is UNRWA de belangrijkste hulporganisatie en een stabiliserende factor in de regio.

De kwestie bleef bestaan en leidde in 1956, 1967 en 1973 tot nieuwe oorlogen, waarbij lidstaten de VN telkens weer verzochten om te bemiddelen en vredestroepen te sturen. In 1956 werd de eerste VN-vredesmacht gestationeerd – de VN-interventiemacht (UNEF I) – die toezicht hield op de terugtrekking van de troepen en moest bijdragen tot vrede en stabiliteit.

In juni 1967 kwam het opnieuw tot vijandelijkheden tussen Israël, Egypte, Syrië en Jordanië, waarbij Israël de Sinaï, de Gazastrook, de Westelijke Jordaanoever – met inbegrip van Oost-Jeruzalem – en een deel van de Syrische Golanvlakte bezette. De Veiligheidsraad riep op tot een staakt-het-vuren en stationeerde waarnemers om toezicht te houden op het bestand in de Egyptisch-Israëlische sector.

In resolutie 242 (1967) vervatte de Veiligheidsraad de beginselen voor een rechtvaardige en duurzame vrede: 'terugtrekking van Israëlische strijdkrachten uit de tijdens het recente conflict bezette gebieden'; en 'beëindiging van de staat van oorlog, alsmede eerbiediging en erkenning van de soevereiniteit, de territoriale onschendbaarheid en de politieke onafhankelijkheid van alle staten in de regio, en van hun recht op een vreedzaam bestaan binnen veilige en erkende grenzen, vrij van bedreigingen en gewelddaden'. De resolutie bevestigde tevens de noodzaak van 'een rechtvaardige regeling van het vluchtelingenprobleem'.

Na de oorlog van 1973 tussen Israël, Egypte en Syrië keurde de Veiligheidsraad resolutie 338 (1973) goed, die de uitgangspunten van resolutie 242 herbevestigde en opriep tot onderhandelingen om te komen tot een 'rechtvaardige en duurzame vrede'. Deze resoluties blijven de basis vormen voor een algemene vredesregeling voor het Midden-Oosten.

Om toezicht te houden op het bestand van 1973 besloot de Veiligheidsraad tot het opzetten van twee vredesoperaties. De VN-waarnemersmacht voor toezicht op het troepenscheidingsakkoord (UNDOF) – opgericht om toe te zien op het akkoord tussen Israël en Syrië – is nog steeds aanwezig op de hoogvlakte van Golan. De andere operatie was UNEF II in de Sinaï.

In de jaren die hierop volgden riep de Algemene Vergadering op tot het organiseren van een internationale vredesconferentie over het Midden-Oosten onder auspiciën van de VN. In 1974 nodigde de Vergadering de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) uit om als waarnemer deel te nemen aan de werkzaamheden van de Vergadering. In 1975 richt zij de Commissie ter verdediging van de onvervreemdbare rechten van het Palestijne volk op, die zich als suborgaan van de Algemene Vergadering blijft inzetten voor de rechten van het Palestijnse volk en voor een vreedzame oplossing voor de Palestijnse kwestie.

Bilaterale onderhandelingen tussen Egypte en Israël, onder bemiddeling van de Verenigde Staten, leidden tot de ondertekening van de Camp David-akkoorden (1978) en het vredesverdrag tussen Israël en Egypte (1979): Israël trok zich terug uit het Sinaï-gebied, dat weer onder het gezag van Egypte kwam. In 1994 tekenden ook Israël en Jordanië een vredesverdrag.




Libanon. Intussen hadden er in Zuid-Libanon geregeld schermutselingen plaats tussen Palestijnse groeperingen enerzijds en Israëlische strijdkrachten en hun Libanese hulptroepen anderzijds. Nadat Israëlische troepen in 1978 Zuid-Libanon waren binnengevallen – als reactie op een inval van Palestijnse commando’s in Israël – aanvaardde de Veiligheidsraad resoluties 425 en 426. De Raad riep Israël op zich uit het land terug te trekken en stationeerde de VN-interimvredesmacht in Libanon (UNIFIL). Deze vredesmacht moest de terugtrekking van Israëlische troepen bevestigen, de internationale vrede en veiligheid herstellen en de Libanese regering helpen opnieuw haar gezag in het gebied te vestigen.

In 1982, na zware gevechten in zuidelijk Libanon en langs de Israëlisch-Libanese grens, vielen Israëlische strijdkrachten opnieuw Libanon binnen en bereikten en omsingelden Beiroet. In 1985 trok het Israëlische leger zich vrijwel volledig terug uit het land, met uitzondering van een veiligheidszone in zuidelijk Libanon, waar het Israëlische leger met hulp van plaatselijke troepen bleef opereren en dat voor een groot deel het operatiegebied van UNIFIL overlapte. Het Israëlische leger en zijn hulptroepen bleven gewikkeld in vijandelijkheden met Libanese troepen.

In de loop der jaren bleef de Veiligheidsraad de territoriale onschendbaarheid, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Libanon verdedigen, terwijl de Secretaris-Generaal poogde Israël te bewegen de veiligheidszone te verlaten. Israël hield vol dat de zone een tijdelijke veiligheidsmaatregel was. UNIFIL probeerde het conflict te beëindigen en de inwoners van de regio te beschermen.

In navolging van de resoluties van de Veiligheidsraad van 1978 trok Israël in mei 2000 in samenwerking met de VN zijn troepen terug. De Secretaris-Generaal controleerde in juni of het land zich volledig had teruggetrokken. Toen Israël zich had teruggetrokken, steunde de Veiligheidsraad het operationele plan van de Secretaris-Generaal om de Libanese regering te helpen opnieuw haar gezag in het gebied te vestigen. De Raad riep alle partijen op samen te werken met de Verenigde Naties om de stabiliteit te herstellen.

In twee resoluties van 2003, strekkende tot verlenging van het UNIFIL-mandaat, droeg de Raad Libanon op stappen te ondernemen om ‘zich te verzekeren van de hervatting van zijn daadwerkelijke gezag’ in het gehele zuidelijke landsgedeelte. Ook riep de Raad alle partijen op om zich te houden aan hun belofte de door de VN bepaalde terugtrekkingslijn volledig te eerbiedigen.




Het vredesproces in het Midden-Oosten. In 1987 begon in de bezette gebieden op de Westelijke Jordaanoever en in de Gazastrook de Palestijnse opstand (intifada) voor onafhankelijkheid en soevereiniteit. In 1988 riep de Palestijnse Nationale Raad de Palestijnse staat uit. De Algemene Vergadering ondersteunde deze verklaring en besloot de PLO voortaan te beschouwen als Palestina, zij het dat de waarnemersstatus werd gehandhaafd.

Na besprekingen in Madrid en latere bemiddeling door Noorwegen, erkenden Israël en de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie elkaar op 10 september 1993. Drie dagen later ondertekenden Israël en de PLO in Washington de Verklaring inzake de beginselen ten grondslag aan regelingen voor voorlopig zelfbestuur. Dit historische akkoord maakte de weg vrij voor Israëlische terugtrekking uit de bezette gebieden en voor voorlopig Palestijns zelfbestuur.

De Secretaris-Generaal juichte het akkoord zeer toe en verklaarde dat VN-organisaties en -programma's hulp zouden bieden bij de tenuitvoerlegging. De VN zette een taakgroep op voor de sociale en economische ontwikkeling in de Gazastrook en Jericho, en benoemde een speciale coördinator om het ontwikkelingswerk van de VN-programma's en organisaties te begeleiden. Het mandaat van de speciale coördinator werd in 1999 uitgebreid en omvat sedertdien ook hulp in de vorm van goede diensten in het kader van het vredesproces in het Midden-Oosten.

De overdracht van de bevoegdheden van Israël naar de Palestijnse Autoriteit in de Gazastrook en Jericho begon in 1994. In 1995 tekenden Israël en de PLO een overeenkomst inzake zelfbestuur op de Westelijke Jordaanoever, die voorzag in de terugtrekking van Israëlische troepen en in de overdracht van bevoegdheden aan een te verkiezen Palestijnse Raad. In 1996 werden er verkiezingen gehouden voor de leden en president van de Palestijnse Autoriteit. Yasser Arafat, voorzitter van de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie, werd verkozen tot president.

In 1999 werd het vredesproces nieuw leven ingeblazen met de ondertekening van een interim-akkoord dat strekte tot de verdere terugtrekking van Israëlische troepen van de Westelijke Jordaanoever, afspraken vastlegde over gevangenen, voorzag in de opening van een veilige doorgang tussen de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook, en ook in de hervatting van de onderhandelingen over kwesties rond een permanente status. In een poging de nog hangende zaken tot een goed einde te brengen, hadden er in juli 2000 in Camp David vredesbesprekingen op het hoogste niveau plaats met de VS als bemiddelaar, maar die leveren geen resultaten op. Onopgeloste kwesties waren onder meer de status van Jeruzalem, het Palestijnse vluchtelingenprobleem, de veiligheid, de grensbepaling en de Israëlische nederzettingen.

Eind september 2000 deed zich in de bezette Palestijnse gebieden opnieuw een golf van protest en geweld voor. De periode die daarop volgde werd gekenmerkt door toenemend geweld, vele dodelijke slachtoffers, verwoestingen, de herbezetting van Palestijnse bevolkingscentra en een nakende humanitaire noodsituatie op de Westelijke Jordaanoever en in de Gazastrook. De Veiligheidsraad riep herhaaldelijk op tot beëindiging van het geweld en bevestigde middels resolutie 1397 (2002) de visie van een regio waarin twee staten, Israël en Palestina, naast elkaar zouden bestaan binnen veilige en wederzijds erkende grenzen.

Internationale inspanningen om de situatie ter plaatse tot bedaren te brengen en om beide partijen weer aan de onderhandelingstafel te krijgen kregen meer en meer gestalte door toedoen van het ‘kwartet’ – bestaande uit de Verenigde Staten, de Verenigde Naties, de Europese Unie en de Russische Federatie. Op 30 april 2003 legde het kwartet de partijen een ‘routekaart’ voor die de weg uitstippelt naar een oplossing met twee staten. De routekaart is een stappenplan met afzonderlijke fasen en ijkpunten, dat beoogt te komen tot parallelle en wederzijdse stappen van beide partijen op het vlak van de politiek, de veiligheid, de economie, humanitaire aangelegenheden en de opbouw van een institutioneel raamwerk – dat alles onder auspiciën van het kwartet – hetgeen moet leiden tot een permanente oplossing van het conflict tegen 2005. De Veiligheidsraad verbond zijn steun aan de routekaart in zijn resolutie 1515 (2003).

Hoewel beide partijen de routekaart aanvaardden, leidde een felle escalatie van geweld in de tweede helft van 2003 tot een in hevigheid toenemende cyclus van vergelding en wraakacties. In september stelde Terje Roed-Larsen – de speciale VN-coördinator voor het vredesproces in het Midden-Oosten en speciale vertegenwoordiger van de Secretaris-Generaal bij de PLO en bij de Palestijnse Autoriteit – dat geen van beide partijen zich actief had ingespannen voor de bekommernissen van de ander: voor Israël betreft dat de veiligheid en de vrijwaring van terroristische aanvallen; voor de Palestijnen is het de eerste zorg om te komen tot een levensvatbare en onafhankelijke staat binnen de grenzen van vóór 1967. Maar de Palestijnse zelfmoordaanslagen hielden aan, terwijl Israël grote haast maakte met de bouw van een ‘scheidingsbarrière’ op de Westelijke Jordaanoever.

(Op verzoek van de Algemene Vergadering om een advies inzake de wetmatigheid van de muur, belegde het Internationaal Gerechtshof drie dagen van openbare hoorzittingen in februari 2004 en bracht daarna op 9 juli 2004 zijn advies uit. Met 14 tegen één stem oordeelde het Hof dat de bouw van de muur indruist tegen het internationaal recht en dat Israël verplicht is de bouw te staken, het reeds gebouwde gedeelte af te breken en schadevergoedingen te betalen voor alle schade die door de bouw is veroorzaakt. Adviezen van het Hof zijn niet bindend.)

Eind 2003 formuleerde een groep prominente Israëliërs en Palestijnen, in de context van een onafhankelijk initiatief, het ‘Akkoord van Genève’, een tekst die gedetailleerde stappen oppert voor de oplossing van het Israëlisch-Palestijnse conflict. De Secretaris-Generaal juichte deze poging om de patstelling op te heffen van harte toe. Hoewel dergelijke particuliere initiatieven geen alternatief konden zijn voor officieel diplomatiek overleg, zei hij, was het Akkoord verenigbaar met de routekaart en had het inmiddels het debat in positieve zin gestimuleerd.

De routekaart voorziet in een algehele oplossing van het conflict in het Midden-Oosten, met inbegrip van het Syrisch-Israëlische en het Libanees-Israëlische pad – op basis van de resoluties 242 (1967), 338 (1973) en 1397 (2002) van de Veiligheidsraad, de vredesconferentie van Madrid (1991), het principe ‘land in ruil voor vrede’, eerder gemaakte afspraken tussen de partijen en een vredesinitiatief dat onderschreven werd tijdens de topconferentie van de Arabische Liga in Beiroet in maart 2002.


Afghanistan
Het meest recente hoofdstuk in de betrokkenheid van de VN in Afghanistan dateert van september 1995, toen Taliban-milities tijdens de burgeroorlog in Afghanistan het grootste deel van het land hadden bezet en de hoofdstad Kaboel innamen. President Burhanudin Rabbani vluchtte en schaarde zich bij de Noordelijke Alliantie, die alleen in het noorden van het land nog grondgebied controleerde. In oktober 1996 veroordeelden de Veiligheidsraad en de Algemene Vergadering de ontvoering door de Taliban van voormalig president Nadjiboella en diens broer uit VN-gebouwen in Kaboel – waar zij vier jaar tevoren een heenkomen hadden gevonden – en hun wrede executie nadien.

De Veiligheidsraad gaf herhaaldelijk uiting aan zijn bezorgdheid dat het Afghaanse conflict een vruchtbare voedingsbodem verschafte aan terrorisme en drugshandel. Daar de gevechten aanhielden, benoemde de Secretaris-Generaal in juli 1997 Lakhdar Brahimi, gewezen minister van Buitenlandse Zaken van Algerije, als zijn speciale gezant voor Afghanistan. In oktober belegde Brahimi met de Onder-Secretaris-Generaal voor Politieke Aangelegenheden een reeks informele bijeenkomsten van de ‘Zes-plus-Twee-groep’ – de zes buurlanden van Afghanistan (China, Iran, Pakistan, Tadzjikistan, Turkmenistan en Oezbekistan) plus de Verenigde Staten en Rusland.

Op 7 augustus 1998 eisten terroristische bomaanslagen op de Amerikaanse ambassades in Nairobi (Kenia) en Dar-es-Salaam (Tanzania) honderden levens. Met resolutie 1193 herhaalde de Raad zich grote zorgen te maken over de voortdurende aanwezigheid van terroristen in Afghanistan. Met resolutie 1214 van 8 december eiste de Raad dat de Taliban stopten met het verschaffen van onderdak en opleidingen aan internationale terroristen en hun organisaties, en dat alle Afghaanse facties zouden samenwerken om de in beschuldiging gestelde terroristen te laten berechten.

Verwijzend naar het niet opvolgen van deze eis door de Taliban ging de Raad op 15 oktober 1999 over tot het afroepen van een breed pakket sancties krachtens de dwangbepalingen van het Handvest. In resolutie 1267 stelde de Raad dat Osama bin Laden door de VS in beschuldiging was gesteld voor de bomaanvallen op de ambassades en eiste de Raad dat de Taliban – nooit erkend als Afghanistan’s wettige regering – hem zouden overdragen aan de bevoegde autoriteiten om recht te doen geschieden.

Op 22 oktober sprak de Raad diepe ontsteltenis uit naar aanleiding van meldingen dat duizenden niet-Afghanen betrokken waren bij de strijd aan de zijde van de Taliban – sommigen van hen amper 14 jaar oud. De Veiligheidsraad toonde zich ook ernstig bezorgd over de gedwongen verhuizingen, standrechtelijke executies, mishandeling en willekeurige detentie van burgers, geweld tegen vrouwen en meisjes, en lukrake bombardementen. De Raad verwees daarbij naar de bezetting door de Taliban van het Iraanse consulaat-generaal in Mazar-e-Sharif en de moord op Iraanse diplomaten en een journalist. Voorts sprak men grote verontrusting uit over de aanzienlijke toename in de papaverteelt en –verwerking, en de handel in drugs, met name in gebieden onder controle van de Taliban. De Raad eiste dat er een einde werd gesteld aan dergelijke illegale praktijken.

De godsdienstige onverdraagzaamheid van de Taliban leidde alom evenzeer tot scherpe afkeuring. In maart 2001 bliezen extremisten twee boeddhabeelden op die 1300 jaar geleden waren gehouwen in de zandsteenrotsen in de vallei van Bamiyan, waaronder het grootste boeddhabeeld ter wereld. Hulpverleners werden lastiggevallen en mishandeld na ongegronde beschuldigingen van ‘immoreel gedrag’. In mei vereiste een verordening dat hindoevrouwen zich net als moslimvrouwen dienden te sluieren, en dat alle niet-moslims merktekens moesten gaan dragen. In augustus werden acht hulpverleners gearresteerd en vervolgens berecht voor het ‘verspreiden van het christendom’.

Hun ‘proces’ was gaande op 11 september toen leden van Bin Ladens organisatie al-Qaeda vier burgervliegtuigen kaapten in de VS. Met twee van die toestellen doorboorden zij het World Trade Center in New York, één verwoestte een deel van het Pentagon in Washington en het vierde vliegtuig stortte neer op een akker in Pennsylvania nadat passagiers hadden gepoogd de kapers te overmeesteren. Ongeveer drieduizend mensen kwamen om het leven. In de dagen na de aanslagen stelde de VS de Taliban voor een ultimatum: Osama bin Laden uitleveren en terroristische operaties in Afghanistan staken of een grootschalige militaire aanval riskeren. De Taliban weigerden op die eisen in te gaan.

Militair optreden. Op 7 oktober lanceerden troepen van de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk raketaanvallen op militaire doelen van de Taliban en op trainingskampen van Bin Laden in Afghanistan. Na twee weken van bombardementen volgde de stationering van Amerikaanse grondtroepen. In december zetten leden van Afghaanse milities, met Amerikaanse luchtsteun de aanval in op een bolwerk op een bergtop in Tora Bora van Osama bin Laden en op al-Qaeda-eenheden in oostelijk Afghanistan nabij de Pakistaanse grens.

In de weken na 11 september verbond de Veiligheidsraad zijn steun aan de inspanningen van het Afghaanse volk om het Taliban-regime omver te werpen. Opnieuw veroordeelde de Raad dat bewind voor het feit dat het toestond dat het land werd gebruikt als basis voor de export van terrorisme en voor het verschaffen van een toevluchtsoord Osama bin Laden.

Op 1 oktober zei Secretaris-Generaal Kofi Annan in een rede tijdens een speciale, één week durende zitting van de Algemene Vergadering over terrorisme: ‘Wanneer wij de politieke wil en middelen mobiliseren die nodig zijn om met succes de strijd tegen het terrorisme aan te gaan, dan dient onze aandacht ook uit te gaan naar alle slachtoffers van het terrorisme.’ In dat licht deed hij een oproep aan donorstaten en riep hij de internationale gemeenschap op om 584 miljoen dollar te geven voor van de humanitaire behoeften van circa 7,5 miljoen Afghaanse burgers gedurende zes maanden.

De VN bleef zich ook inspannen om de dialoog tussen de partijen in Afghanistan te bevorderen teneinde te komen tot een alle partijen omvattende regering op de breedst mogelijke basis. Met dat doel benoemde de Secretaris-Generaal opnieuw Lakhdar Brahimi als zijn speciale vertegenwoordiger in Afghanistan – Brahimi had twee jaar eerder zijn taken neergelegd toen onderhandelingen in een impasse waren beland.

Op 12 november bereikt de Zes-plus-Twee-groep tijdens een bijeenkomst onder voorzitterschap van de Secretaris-Generaal een akkoord over de noodzaak van een vrije gekozen Afghaanse regering op brede basis. De leden van de groep zegden toe hun steun te blijven verbinden aan de humanitaire inspanningen van de VN in Afghanistan zelf en in Afghaanse vluchtelingenkampen in de buurlanden. Op 27 november ging onder auspiciën van UNDP, de Wereldbank en de Aziatische Ontwikkelingsbank in Islamabad een conferentie van start over de wederopbouw van Afghanistan. Begin december had er in Berlijn een aansluitende donorconferentie plaats die zich boog over de behoeften op korte en langere termijn.

Tussentijdse regelingen. In de tussentijd had de Noordelijke Alliantie Mazar-e-Sharif, Herat en vervolgens ook Kaboel heroverd – een doorslaggevende gebeurtenis in de nederlaag van de Taliban. Eind november belegde de VN een bijeenkomst van Afghaanse politieke leiders in Bonn. Toen deze vergadering op 5 december werd afgerond, hadden de vier vertegenwoordigde partijen, waaronder de Noordelijke Alliantie, een akkoord bereikt over een voorlopige regeling, hangende de heroprichting van permanente regeringsinstellingen. Bij wijze van eerste stap werd de Afghaanse Interimautoriteit ingesteld.

Op 20 december 2001 machtigde de Veiligheidsraad krachtens resolutie 1386 de instelling van een Internationale troepenmacht ter ondersteuning van de veiligheid (ISAF) om de interimautoriteit te helpen de veiligheid in Kaboel en omstreken te handhaven. Op 22 december droeg de internationaal erkende regering van president Rabbani de macht over aan een nieuwe Afghaanse Interimautoriteit, die in Bonn in het leven was geroepen en onder aanvoering stond van voorzitter Hamid Karzai. Lakhdar Brahimi trok naar Kaboel voor zijn werkzaamheden ter ondersteuning van de nieuwe Afghaanse bestuursautoriteit en ook werden de eerste ISAF-eenheden gestationeerd.

Toen de vijandelijkheden in hevigheid afnamen, kon het Wereldvoedselprogramma een recordvolume van 114.000 ton voedselhulp – genoeg om 6 miljoen mensen twee maanden lang te voeden – afleveren. Maar op 20 december was slechts 358 miljoen dollar ontvangen van de 662 miljoen dollar die benodigd was voor de VN-noodhulp. Om de aandacht voor Afganistan niet te laten tanen werd in januari in Tokio een internationale conferentie over hulp bij de wederopbouw in Afghanistan gehouden.

In een rede voor deze conferentie op 21 januari 2002 zei Secretaris-Generaal Kofi Annan dat er met de wederopbouw een bedrag van 10 miljard dollar gespreid over tien jaar gemoeid zou zijn, waarvan 1,3 miljard nodig was voor het lopende jaar en 376 miljoen dollar voor onmiddellijk te ondernemen herstelprojecten met snel effect. Dergelijke projecten omvatten de terugkeer naar school van zo’n 1,5 miljoen Afghaanse kinderen in twee maanden tijd. De conferentie van Tokio had opmerkelijk veel succes: er werd ruim 4,5 miljard dollar toegezegd. De behoeften van het land met het oog op de wederopbouw waren dan ook immens.

Bij een eerste evaluatie door de Wereldbank, UNDP en de Aziatische Ontwikkelingsbank werd een aantal belangrijke prioriteiten geïnventariseerd. Het betrof o.a. het ruimen van mijnen; elementaire gezondheidszorg om de sterfte onder kinderen en moeders terug te dringen; ruim een miljoen meisjes en jongens voor het eerst naar school laten gaan; het snel opvoeren van de voedselproductie en van de beschikbaarheid van veilig drinkwater; onderdak verschaffen met het oog op hervestiging en de ontwikkeling van de stedenbouwkundige en planologische capaciteit; noodvoorzieningen voor energie in afwachting van het herstel van de bestaande stroomvoorziening; werkgelegenheid in de steden en op het platteland; wederopbouw op lokaal niveau; en de opbouw van een geschikt sociaal-economisch klimaat voor terugkerende vluchtelingen.

De eerste mijlpaal van het Akkoord van Bonn werd bereikt toen dezelfde dag bekend werd gemaakt dat er een onafhankelijke commissie voor de convocatie van een spoedzitting van een Loya Jirga (Pasjtoe voor ‘Grote Raad’) was samengesteld. De Loya Jirga is een traditioneel forum waar stamoudsten bijeenkomen om kwesties van algemeen belang te regelen. Het doel van deze nood-Loya Jirga was de verkiezing van een staatshoofd voor de overgangsregering en het goedkeuren van voorstellen voor de structuur van die regering en de voornaamste functionarissen daarin. Krachtens het Akkoord van Bonn dienden er binnen twee jaar na het houden van de Loya Jirga vrije en eerlijke verkiezingen plaats te vinden.

In januari 2002 nam de Veiligheidsraad middels een verklaring van de voorzitter met instemming kennis van de positieve veranderingen in Afghanistan na de val van het Talibanbewind. De Raad besloot zijn sancties zodanig aan te passen aan de nieuwe stand van zaken dat ze zich voortaan zouden richten op al-Qaeda en zijn aanhangers.

Op 28 maart stelde de Raad op aanbeveling van de Secretaris-Generaal de VN-hulpmissie in Afghanistan (UNAMA) in ter behartiging van de taken die de VN krachtens het Akkoord van Bonn waren toegewezen op het vlak van o.m. de mensenrechten, politie en justitie, en man/vrouw-kwesties. Onder leiding van de speciale vertegenwoordiger van de Secretaris-Generaal zou UNAMA ook de nationale verzoening bevorderen en tegelijkertijd het humanitaire optreden van de VN in Afghanistan aansturen in overleg met de Interimautoriteit en haar opvolgers.

In april 2002 begon het proces van de verkiezing van de leden van de nood-Loya Jirga. Afghanen in 300 districten kregen tot taak potentiële kandidaten te selecteren voor de vorming van een longlist waarvan aansluitend, vanaf mei, 1500 leden moesten worden geselecteerd. Er gold een bijzondere bepaling ten gunste van de deelname van vrouwen aan de Loya Jirga. De grote raad die negen dagen zou duren, werd op 11 juni geopend door Zahir Shah, de voormalige koning van Afghanistan, die Hamid Karzai aanstelde om het land te leiden. Op 13 juni werd Karzai verkozen als staatshoofd van Afghanistan, met als taak de overgangsregering te leiden gedurende twee jaar.

Een jaar later, op 26 april 2003, werd er een 35-koppige commissie voor grondwettelijke herzieningen ingehuldigd. De commissie hield openbare hoorzittingen in heel Afghanistan en in het buitenland ter inventarisatie van de standpunten van het Afghaanse volk. De ontwerp-grondwet die daarvan het gevolg was, spreekt zich uit over kwesties als: de rechten en vrijheden van de individuele burger; de aan te nemen regeringsvorm; de respectievelijke bevoegdheden van de centrale regering en lokale instellingen; de gelijkwaardigheid van alle Afghaanse burgers; de rol van de islam; en de status van de gesproken talen; en de status van de godsdienstige gezindten in het land. In oktober legde de commissie de ontwerptekst voor aan de grondwetgevende Loya Jirga. In november werd de tekst openbaar gemaakt en op grote schaal verspreid. De Loya Jirga zou vijf weken later bijeenkomen.

De inschrijving van de kiezers startte in december 2003, in acht steden verspreid over Afghanistan, met het oog op de algemene verkiezingen in 2004 voor het nationale parlement en voor het presidentschap. Iedere Afghaanse burger die op 20 juni 2004 achttien jaar en ouder zou zijn en die zich persoonlijk kwam aanmelden, kon worden geregistreerd als kiezer.
Op 29 december 2003 werd de ontwerp-grondwet verdeeld tijdens een plenaire bijeenkomst van de grondwetgevende Loya Jirga. De tekst, met daarin wijzigingen die eerder waren goedgekeurd door de verzoeningscommissie van de Loya Jirga, voorzag in de instelling van een presidentschap met aanzienlijke bevoegdheden en van een wetgevend tweekamerstelsel met een gegarandeerd minimumaantal vrouwelijke leden. Ook werd de eerbiediging van de fundamentele mensenrechten grondwettelijk vastgelegd en werd bepaald dat de wetten van het land dienden te stroken met de beginselen van de islam.
Op 4 januari 2004 raakte de Loya Jirga het eens over de concepttekst. Op 26 januari, nadat de versies in het Perzisch en in het Pasjtoe – de twee landstalen – volledig met elkaar in overeenstemming waren gebracht, werd het ontwerp met de handtekening van de Afghaanse president Hamid Karzai formeel aanvaard als de grondwet van Afghanistan.

Ontwapening. Gedurende de hele overgangsperiode werd er met hulp van UNAMA intensief gewerkt aan de ontwapening, ondanks tal van uitdagingen en opschortingen van dat proces. Op 18 juli 2002 maakten drie Afghaanse facties in de omgeving van Mazar-e-Sharif een aanvang met het inleveren van hun wapens onder toezicht van de VN. Het was de eerste vrijwillige operatie van die aard in de geschiedenis van Afghanistan. Op 24 oktober 2003 ging UNAMA officieel van start met haar programma voor ontwapening, demobilisatie en herintegratie in de noordelijke provincie Koendoez.

Drugs. Eind jaren negentig was Afghanistan berucht geworden als het land van herkomst van bijna 80 procent van alle illegale opium – waaruit heroïne wordt bereid. Bijna 1 procent van alle bebouwbare grond – ca. 640 km2 – werd aangewend voor de papaverteelt In oktober 2003 meldde UNODC (het VN-bureau voor drugs en criminaliteit) dat Afghanistan inderdaad driekwart van alle opium in de wereld leverde. Zo’n 1,7 miljoen Afghanen – ongeveer 7% van de bevolking – was werkzaam in die sector, terwijl het areaal voor de papaverteelt in een jaar tijd was gegroeid tot 8 procent van alle landbouwgrond. In december 2003 had de minister van Buitenlandse Zaken van Afghanistan een ontmoeting met UNODC in Wenen om de inspanningen inzake drugsbeheersing te bespreken.

Reïntegratie, wederopbouw en humanitaire actie. In december 2002 verzocht de Secretaris-Generaal om een bedrag van 815 miljoen dollar voor humanitaire hulp, ondersteuning bij de wederopbouw en voor het ontwikkelen van binnenlandse beleidscapaciteit. UNESCO spande zich in voor het behoud van Afghanistans culturele erfgoed – waaronder hetgeen resteerde van de grote boeddhabeelden. Een jaar later meldde UNICEF dat sinds de val van de Taliban 16 miljoen kinderen waren ingeënt tegen mazelen en 12 miljoen tegen polio. Meer dan 700.000 vrouwen hadden een tetanusvaccinatie gekregen, er waren zo’n 50.000 onderwijzers opgeleid, en 4 miljoen kinderen – onder wie 1,2 miljoen meisjes – waren teruggekeerd naar school. UNHCR hielp bij de terugkeer van meer dan 2,5 miljoen Afghaanse vluchtelingen uit Iran en Pakistan, en bood voorts ondersteuning aan een half miljoen ontheemden (IDP’s).

FAO verdeelde ruim voor het nieuwe zaaiseizoen hoogwaardig zaad en meststoffen onder ongeveer 60.000 Afghaanse boerenfamilies, wat meer dan een half miljoen mensen ten goede kwam. Eind 2003 kende de Wereldbank het land een rentevrije lening toe van 95 miljoen dollar ten bate van de wederopbouw. Ook zou IBRD 40 miljoen dollar aan rentevrije kredieten verschaffen voor de reparatie van het irrigatiesysteem – gevoed door de vijf grootste rivieren van het land – een een rentevrije financiering van 31 miljoen dollar voor de bouw van douaneposten en de aanleg van communicatie-infrastructuur bij grensovergangen, binnenlandse depots voor in- en uitklaring, transitcontroleposten en op de luchthaven van Kaboel.

Veiligheid. In schril contrast met deze successen in het post-Taliban-tijdperk stond de broze veiligheidssituatie in het land, die alle inspanningen op het vlak van politiek en wederopbouw op losse schroeven dreigde te zetten. In de eerste helft van 2002 werden er meerdere regeringsfunctionarissen vermoord en ook had er een aanslag plaats op president Karzai. VN-medewerkers en andere hulpverleners werden steeds vaker het mikpunt, in het bijzonder Afghaanse burgers die voor deze hulporganisaties werkzaam waren.

In juli 2002 nam de Secretaris-Generaal kennis van het feit dat de Taliban, hoe verzwakt ook, de strijd niet formeel hadden opgegeven. Hoewel hun optreden doeltreffend werd ingedamd door de coalitie onder Amerikaans commando, waren zij nog altijd aanwezig, samen met resterende al-Qaeda-strijders. Ook de uiteenlopende gewapende milities leidden tot instabiliteit. Het was van eminent belang dat de internationale gemeenschap zou instaan voor de veiligheid, terwijl in hoog tempo nationale politie- en legereenheden werden opgeleid.

Nog voor de val van de Taliban had het VN-mijnopruimingsprogramma Afghanistan omschreven als het gevaarlijkste mijnenveld ter wereld met een onthutsend totaal van 9,7 miljoen landmijnen. In mei 2003, toen het VN-mijnopruimingscentrum in Afghanistan te velde actief was met 8000 man ontmijningspersoneel, moest het zijn werkzaamheden langs gedeelten van de weg tussen Kaboel en Kandahar opschorten vanwege de wankele veiligheidssituatie. De ontmijning kon weer op volle sterkte worden hervat dankzij de introductie van een nieuwe technologie die het handmatige werk aanzienlijk reduceerde.

Op 13 oktober gaf de Veiligheidsraad gehoor aan de aanbeveling van de Secretaris-Generaal om ISAF ook buiten Kaboel te stationeren.

Intussen had de VN in september aangekondigd dat in november een nieuwe politieschool zou worden geopend in Gardez en dat er in 2004 nog meer van dergelijke opleidingen zouden komen in Mazar-e-Sharif, Koendoez, Bamiyan, Jalalabad en Herat. De cursussen zouden worden gegeven aan politiemensen met weinig of geen eerdere scholing en zouden de democratische beginselen van het politiewerk, de mensenrechten en elementaire wetskennis behelzen, evenals specifieke politietechnieken zoals arrestaties. Meer dan 80 Afghaanse politiemensen waren al gestart met een driejarige forensische opleiding om te leren vervalsingen op te sporen en om DNA- en bloedmonsteranalyses te leren uitvoeren.


Irak
Het Departement voor Politieke Aangelegenheden (DPA) speelt een voorname rol bij de ondersteuning van de inspanningen van de Secretaris-Generaal en het VN-stelsel, en bij de tenuitvoerlegging van de vele resoluties van de Veiligheidsraad m.b.t. Irak – van resolutie 660 van 2 augustus 1990 tot resolutie 1511 van 16 oktober 2003.

De VN en Irak in de jaren negentig. Gedurende de jaren negentig en ook daarna heeft de Secretaris-Generaal zijn goede diensten bewezen met het oog op het overwinnen van verschillende impasses tussen de Iraakse regering van Saddam Hoessein en de Veiligheidsraad. De Secretaris-Generaal en zijn gezanten hadden herhaaldelijk ontmoetingen met Iraakse bewindslieden en andere landen in de regio om verslechtering van de situatie af te wenden en om de internationale vrede en veiligheid in deze geplaagde regio te herstellen.

Het antwoord van de VN op de invasie van Irak in Koeweit in augustus 1990 was een goed voorbeeld van de initiatieven die de VN kan nemen om de vrede en veiligheid te herstellen. Met resoluties 660 en 661 veroordeelde de Veiligheidsraad de invasie onmiddellijk, eiste de terugtrekking van Irak en kreeg het land ingrijpende sancties opgelegd, met inbegrip van een olie- en handelsembargo. Opheffing van die sancties werd gekoppeld aan het tegemoetkomen door Irak aan alle bepalingen van resolutie 660, die de onmiddellijke terugtrekking van Irak uit Koeweit eiste. Op de zitting van 1990 van de Algemene Vergadering veroordeelde het gros van de lidstaten de Iraakse inval.

Op 29 november 1990 stelde de Veiligheidsraad met resolutie 678 het ultimatum dat Irak zich op uiterlijk 15 januari 1991 diende te schikken naar resolutie 660. Voorts gaf de Raad de lidstaten toestemming om krachtens hoofdstuk VII van het Handvest alle nodige middelen in te zetten om de internationale vrede en veiligheid in het gebied te herstellen. Op 16 januari begonnen de coalitietroepen van de landen die een bondgenootschap hadden gesloten om de soevereiniteit van Koeweit te herstellen, met aanvallen op Irak. Deze geallieerde troepenmacht handelde met instemming van de Veiligheidsraad, maar niet onder leiding of bevel van de VN. In februari kwam er met de terugtrekking van de Iraakse troepen uit Koeweit een einde aan de vijandelijkheden.

De Veiligheidsraad formuleerde in resolutie 687 van 8 april 1991 de voorwaarden voor een staakt-het-vuren en eiste dat Irak en Koeweit de onschendbaarheid van hun gezamenlijke grens zouden respecteren. Ook verzocht de Raad om stationering van VN-waarnemers, werkte hij aan de compensatie voor oorlogsschade en bepaalde hij dat Iraks massavernietigingswapens, o.a. chemische en biologische wapens, moesten worden ontmanteld. Om de ontwapening van Irak te verifiëren stelde de Veiligheidsraad de Speciale VN-commissie inzake de ontwapening van Irak (UNSCOM) in, met de bevoegdheid onaangekondigde inspecties uit te voeren. Het Internationaal Atoomagentschap (IAEA) kreeg soortgelijke verificatietaken toevertrouwd op het vlak van kernwapens, daarbij geassisteerd door UNSCOM.

Resolutie 687 voorzag ook in een gedemilitariseerde zone langs de grens van Irak met Koeweit. De Raad gaf met resolutie 689 de VN-waarnemersmissie voor Irak en Koeweit (UNIKOM) opdracht om in deze zone te surveilleren.

Vervolgens werd de Commissie voor de grensbepaling tussen Irak en Koeweit opgericht, bestaande uit één vertegenwoordiger uit Irak, één uit Koeweit en drie door de Secretaris-Generaal benoemde, onafhankelijke deskundigen. In 1992 trok Irak zich terug uit die commissie. In 1994 liet Irak de Secretaris-Generaal weten de soevereiniteit, territoriale onschendbaarheid en internationale grenzen van Koeweit – zoals bepaald door de Commissie conform de akkoorden tussen beide landen in 1931 en 1963 – te erkennen.

In 1991 riep de Raad voorts de VN-schadevergoedingscommissie in het leven om aanspraken op compensatie te behandelen en om regeringen, individuen of ondernemingen schadeloos te stellen voor verlies of schade als gevolg van de Iraakse inval in Koeweit. Deze schadevergoedingen werden bekostigd met een percentage van de opbrengsten van de verkoop van Iraakse olie. Tegen eind 2003 had deze commissie bedragen uitgekeerd van ca. 48 miljard dollar.

Tijdens hun inspecties ontdekten en ontmantelden UNSCOM en IAEA grote hoeveelheden van Iraks verboden wapenprogramma’s en ook stuitten zij op het Iraakse potentieel op nucleair, chemisch en biologisch gebied. Ondanks hun inspanningen konden UNSCOM en IAEA niet vaststellen of Irak zich had gevoegd naar alle verplichtingen die het had aanvaard naar aanleiding van de resoluties 661, 678 en 687 van de Veiligheidsraad.

In 1998 bemiddelde de Secretaris-Generaal bij een geschil met Irak over de opheffing van het olie-embargo. Irak stelde geen verboden wapens meer te hebben, terwijl UNSCOM aanvoerde dat het geen bewijs had dat Irak zich volledig had gevoegd naar resolutie 687. In oktober schortte Irak de samenwerking met UNSCOM op en riep het land de Veiligheidsraad nogmaals op het olie-embargo op te heffen.

UNSCOM voerde haar laatste verificatiemissie uit in december 1998. In dezelfde maand startte de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk met luchtaanvallen op Irak.

Ter vervanging van UNSCOM richtte de Veiligheidsraad op 17 december 1999 met resolutie 1284 de nieuwe wapencontrolestructuur UNMOVIC op (VN-commissie voor toezicht, verificatie en inspectie). Irak diende de VN-wapeninspectieteams volledige samenwerking te verlenen en onbeperkte toegang en informatie te verschaffen. De Raad was bereid de economische sancties op te heffen, mits Irak alle medewerking zou verlenen aan UNMOVIC en IAEA. Over die medewerking zou om de 120 dagen verslag worden uitgebracht.

In februari 2000 benoemde de Secretaris-Generaal ambassadeur Joeli Vorontsov tot coördinator voor de terugkeer van vermiste goederen en personen van Irak naar Koeweit.

Sancties en olie voor voedsel. Met resolutie 986 van 17 december 1995 stelde de Veiligheidsraad een olie-voor-voedselprogramma in ter beperking van de ernstige humanitaire gevolgen van de economische sancties en om het Iraakse volk bij te staan. Het programma zag toe op de verkoop van olie door de Iraakse regering in ruil voor voedsel en noodhulp, en beheerde voorts de verdeling van het voedsel in het land. Het programma was de enige bron van bestaansmiddelen voor 60 procent van de naar schatting 27 miljoen mensen tellende Iraakse bevolking.

Nieuwe wapeninspecties en militair optreden.
Voorafgaand aan het militair ingrijpen in Irak op 19 maart 2003 door een coalitie onder leiding van de VS, had de Veiligheidsraad tal van besprekingen gevoerd over de tenuitvoerlegging van resolutie 1441 (8 november 2002) die voorzag in een uitgebreide inspectiesystematiek en die Irak een laatste kans gaf zich te schikken naar de resoluties van de Veiligheidsraad.

Krachtens resolutie 1441 werd Irak gemaand UNMOVIC en IAEA onmiddellijke, onvoorwaardelijke en onbeperkte toegang te verlenen voor inspecties van Iraakse wapenprogramma’s. Op 27 november 2002 keerden VN-inspecteurs terug naar Irak. De Veiligheidsraad werd herhaaldelijk geïnformeerd over de vooruitgang door Hans Blix en Mohammed el-Baradei, resp. uitvoerend voorzitter van UNMOVIC en directeur-generaal van IAEA. Maar de Raad bleef verdeeld over de wijze waarop hij zich diende te verzekeren van Iraks naleving van diens internationale verplichtingen.

Tijdens onderhandelingen legden de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Spanje Irak het ultimatum voor dat het land voor 17 maart 2003 volledig moest zijn ontwapend. Tegenover de toenemende waarschijnlijkheid van dreigend militair optreden, gaf de Secretaris-Generaal op 17 maart internationale VN-medewerkers opdracht Irak te verlaten en alle operaties op te schorten, met inbegrip van het olie-voor-voedselprogramma. Militair optreden door een coalitie onder commando van de VS en het Verenigd Koninkrijk begon drie dagen later.

Na de instorting van het bewind van Saddam Hoessein benadrukte de Veiligheidsraad met resolutie 1483 (22 mei 2003) het recht van het Iraakse volk om zelf te beschikken over de politieke toekomst van het land. Ook erkende de Raad de specifieke zeggenschap, verantwoordelijkheden en verplichtingen van de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk als bezettende mogendheden (de ‘Autoriteit’) tot de inhuldiging van een internationaal erkende regering. Met dezelfde resolutie wijzigde de Raad het olie-voor-voedselprogramma en gaf hij toestemming de levering van voedsel en medische voorraden gedurende een overgangsperiode van zes maanden te hervatten. Ook gespecialiseerde VN-organisaties verschaften noodhulp.

VN-bijstandsmissie. Met resolutie 1483 hief de Veiligheidsraad tevens de internationale sancties op en werd de VN een wettelijke titel verschaft om haar activiteiten in Irak te hervatten. De Raad besloot dat de VN een centrale rol moest spelen bij het verschaffen van humanitaire hulp, de wederopbouw van het land, en bij het herstel en/of de opzet van instellingen voor representatief landsbestuur. De Secretaris-Generaal benoemde op 27 mei Sergio Vieira de Mello als speciale vertegenwoordiger voor Irak.

Met resolutie 1500 (14 augustus 2003) riep de Veiligheidsraad de VN-bijstandsmissie voor Irak (UNAMI) in het leven, aanvankelijk voor een periode van 12 maanden. UNAMI kreeg het mandaat om de hulp op humanitair gebied en bij de wederopbouw te coördineren, en om een bijdrage te leveren aan het politieke proces dat uiteindelijk zou leiden tot de vorming van een internationaal erkende en soevereine Iraakse regering. De Raad verwelkomde ook de oprichting van de Iraakse regeringsraad – een in juli ingesteld orgaan bestaande uit Iraakse vertegenwoordigers dat de Veiligheidsraad toejuichte als een belangrijke stap in de richting van de vorming van een soevereine en representatieve regering.

Enkele dagen later, op 19 augustus 2003, was het VN-hoofdkwartier in Bagdad het doelwit van een terroristische aanslag die 22 doden en meer dan 150 gewonden eiste. Vijftien van de omgekomen slachtoffers waren VN-medewerkers. Onder hen Sergio Vieira de Mello, het hoofd van de missie en de speciale vertegenwoordiger van de Secretaris-Generaal.
Na de aanslag trok de Secretaris-Generaal het merendeel van het internationale VN-personeel terug uit Bagdad; slechts een klein team bleef ter plaatse om elementaire humanitaire hulp te bieden. Zowel binnen Irak als vanuit het buitenland zette de VN haar hulp voort, o.a. door in het hele land voedsel, water en medische zorg te leveren, daarbij voornamelijk een beroep doende op Iraakse VN-medewerkers.

De Secretaris-Generaal benoemde ook een onafhankelijk panel van deskundigen – voorgezeten door Martti Ahtisaari, ex-president van Finland en gewezen Onder-Secretaris-Generaal van de VN – om zich te buigen over de voor 19 augustus 2003 getroffen veiligheidsmaatregelen en om aanbevelingen te doen ter verbetering van het veiligheidssysteem voor VN-personeel in Irak en in andere gevaarlijke omgevingen. Het rapport van het panel concludeerde dat het veiligheidssysteem van de VN hervormd diende te worden.

De Secretaris-Generaal benoemde in december 2003 Ross Mountain als waarnemend speciaal vertegenwoordiger voor Irak en hoofd van UNAMI, om met een tijdelijk vanuit Cyprus, Jordanië en Koeweit opererend kernteam de werkzaamheden voort te zetten. Dit team concentreerde zich op de coördinatie en uitvoering van VN-activiteiten rond hulpverlening, herstel en wederopbouw en op plannen voor een uiteindelijke terugkeer van de missie op Iraaks grondgebied.

Politieke ontwikkelingen en de rol van de VN. Met resolutie 1511 van 16 oktober 2003 machtigde de Veiligheidsraad de stationering van een multinationale troepenmacht onder verenigd commando om alle nodige maatregelen te treffen die zouden bijdragen tot de handhaving van de veiligheid en stabiliteit in Irak, en om bij te dragen tot de veiligheid van UNAMI, de regeringsraad van Irak en van andere instellingen van het Iraakse interimbestuur. Op 15 november kwamen de Iraakse regeringsraad en de CPA (de Voorlopige Autoriteit onder de Coalitie) tot overeenstemming over het herstel van de soevereiniteit per 30 juni 2004, en over een agenda voor het opstellen van een nieuwe grondwet en voor het houden van verkiezingen.

Op 15 januari 2004 benoemde de Secretaris-Generaal zijn aftredend hoofdgezant voor Afghanistan, Lakhdar Brahimi, als speciaal adviseur. Op verzoek van de Iraakse regeringsraad en van CPA-bewindvoerder Paul Bremer om VN-hulp bij de hervatting van de soevereiniteit en bij de toekomstige landelijke verkiezingen, zond de Secretaris-Generaal een team voor assistentie bij verkiezingen onder leiding van Carina Perelli, om te beoordelen wat er diende te gebeuren teneinde tegen 31 januari 2005 geloofwaardige verkiezingen te kunnen houden. Hij vroeg Brahimi en zijn assistenten ook om terug te keren naar Irak en daar samen te werken met de Irakezen bij de voorbereidingen van de politieke overgang.

De speciale adviseur arriveerde op 4 april in Irak en begon aan een brede serie overlegrondes met een brede dwarsdoorsnede van de Iraakse samenleving, o.a. met de Iraakse regeringsraad, NGO’s, voorvechters voor de mensenrechten, academische kringen, vakbondsleiders, vooraanstaande woordvoerders van onderwijs- en landbouworganisaties, intellectuelen, studenten en leiders van de Iraakse vrouwenbeweging. Ook vervolgde hij het overleg ad hoc met leden van de CPA.

Toen hij terugkeerde naar New York voor een toespraak voor de Veiligheidsraad op 27 april, zei Brahimi dat hij van plan was de besprekingen met de Irakezen te hervatten om tegen eind mei tot overeenstemming te komen over de samenstelling van een interimregering als opvolgster van de CPA onder leiding van de VS. Ondanks de moord van 17 mei op de president van de regeringsraad, Ezz El-Din Salim, duurden de besprekingen voort. Op 28 mei besloot de raad Iyad Allawi aan te wijzen als premier van Irak.

Op 1 juni meldde de speciale adviseur dat sjeik Ghazi Al-Yawar, de nieuwe voorzitter van de regeringsraad, zou aantreden als president van de interimregering die tegen het einde van die maand het landsbestuur van de CPA zou overnemen. Op 8 juni aanvaardde de Veiligheidsraad unaniem resolutie 1546 en ging aldus akkoord met de vorming van de nieuwe interimregering. De Raad besloot ook dat het mandaat van de multinationale troepenmacht (MNF) onder commando van de VS zou worden herzien op verzoek van de Iraakse regering of twaalf maanden na aanvaarding van resolutie 1546, en dat dat mandaat zou aflopen op het moment van de rechtstreekse nationale verkiezingen – zo mogelijk op 31 december, maar niet later dan 31 januari 2005. De Raad verklaarde ook het mandaat van MNF eerder te zullen beëindigen indien de Iraakse regering daarom zou verzoeken.

Op 28 juni 2004, twee dagen voor de aangekondigde datum, werd de soevereiniteit officieel overgedragen van de CPA op de nieuwe Irakese interimregering.


India en Pakistan
De VN houdt zich al lang bezig met het reeds decennia aanslepende geschil tussen India en Pakistan over Kasjmir. Het conflict dateert van de jaren veertig toen de staat Jammu en Kasjmir, een voormalig Indiaas prinsdom, volgens het verdelingsplan en de Indiase onafhankelijkheidsverklaring van 1947 zelf mocht kiezen voor aansluiting bij India of bij Pakistan. De hindoemaharadja van het overwegend islamitische Kasjmir tekende dat jaar voor aansluiting bij India.
De kwestie kwam voor het eerst voor de Veiligheidsraad in 1948, toen India een klacht indiende tegen het feit dat bepaalde clans en andere bewegingen met actieve steun van Pakistan Kasjmir binnenvielen en dat er gevechten waren uitgebroken. Pakistan wees die beschuldiging van de hand en verklaarde de aansluiting van Kasjmir bij India onwettig.

De Raad beval verschillende maatregelen aan, waaronder het zenden van militaire waarnemers, richtte een VN-commissie voor India en Pakistan op om te bemiddelen in een bestand en in de terugtrekking van troepen, en opperde ook een referendum over de kwestie te houden. Beide partijen aanvaardden de voorstellen, maar werden het niet eens over de voorwaarden van de volksraadpleging. Sinds 1949 houdt de Militaire VN-waarnemersgroep in India en Pakistan (UNMOGIP) toezicht op de demarcatielijn in Jammu en Kasjmir, krachtens een door India en Pakistan in Karachi ondertekend bestandsakkoord.

Naar aanleiding van een overeenkomst die beide partijen ondertekenden in 1972, verplichtten India en Pakistan zich ertoe hun geschillen langs vreedzame weg op te lossen, maar door de jaren heen bleven er spanningen bestaan. In april 2003 gloorde er hoop dat de aanslepende impasse zou worden doorbroken, toen de premier van India en de president van Pakistan een aanvang maakten met een reeks vertrouwenwekkende stappen om de spanningen te temperen en de bilaterale relaties te verbeteren. Naarmate dat proces vorderde, drukte de Secretaris-Generaal de hoop uit dat de normalisering van de diplomatieke betrekkingen en de heropening van spoor-, weg- en luchtverbindingen en andere vertrouwenscheppende maatregelen die beide partijen troffen, zouden leiden tot de hervatting van een duurzame dialoog.

In november 2003 bood Pakistan aan een eenzijdig staakt-het-vuren door te voeren langs de bestandslijn in Jammu en Kasjmir, dit per 25 november, de aanvang van het mohammedaanse suikerfeest. India reageerde positief op dat aanbod. De Secretaris-Generaal drong er bij beide landen op aan dat zij hun inspanningen geduldig en vastberaden zouden voortzetten. Uiteindelijk leidden deze maatregelen tot een topontmoeting, op 4 en 5 januari in Islamabad, tussen de Indiase premier Atal Bihari Vajpayee en de Pakistaanse president Pervez Musharraf en diens premier, Zafarullah Khan Jamali.

De Secretaris-Generaal prees beide leiders en voegde er aan toe dat een verbetering van de betrekkingen tussen de twee staten veel zou betekenen voor de Zuid-Aziatische regio als geheel – niet alleen in de zin dat de politieke spanningen er zouden afnemen, maar ook in economisch en sociaal opzicht. Hij riep beide partijen op hun inspanningen voort te zetten, in de hoop dat de topontmoeting een duurzame en ernstige dialoog in een positieve stroomversnelling zou brengen.


Tadzjikistan
Na de val van de vroegere Sovjet-Unie werd Tadzjikistan in 1991 onafhankelijk. Het land werd meteen geteisterd door een sociale en economische crisis, door regionale en politieke spanningen en meningsverschillen tussen voorstanders van secularisme en pro-islamitische traditionalisten, die leidden tot een burgeroorlog. In 1994 resulteerden besprekingen onder auspiciën van de speciale gezant van de Secretaris-Generaal tot een staakt-het-vuren. De Veiligheidsraad stelde daarop de VN-waarnemersmissie in Tadzjikistan (UNMOT) in om toe te zien op het bestand.

Onderhandelingen onder aegide van de VN leidden in 1997 tot een vredesakkoord. UNMOT zou toezien op de tenuitvoerlegging en werkte daarbij nauw samen met een vredesmacht van het Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS) en met een missie van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE). In februari 2000 vonden de eerste meerpartijenverkiezingen plaats. UNMOT trok zich terug in mei, waarna de VN een kantoor voor vredesopbouw opende om de vrede te consolideren en de democratisering te bevorderen.


Cambodja
Voor de tenuitvoerlegging van de door de VN bewerkstelligde vredesakkoorden van Parijs (1991) verkeerde Cambodja in een staat van diepe interne verdeeldheid en vertoefde het land in een isolement ten opzichte van een groot deel van de wereld. Nadat het land zich in de jaren vijftig had ontworsteld aan het Franse kolonialisme, had Cambodja niet alleen te kampen gekregen met grensoverschrijdende effecten van de oorlog in Vietnam in de jaren zestig en zeventig, maar ook met verwoestende binnenlandse conflicten en het vernietigende totalitaire regime van Pol Pot. Tijdens het Rode Khmer-bewind (van 1975 tot 1979) kwamen bijna 2 miljoen mensen om door moord, ziekte of honger.

In 1993 hield Cambodja met hulp van de VN-overgangsautoriteit in Cambodia (UNTAC) zijn eerste democratische verkiezingen. Via haar organisaties en programma’s heeft de VN de Cambodjaanse regering bijgestaan bij het verzoeningsproces en op ontwikkelingsgebied. Het Bureau van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten, dat ook de werkzaamheden ondersteunt van de speciale vertegenwoordiger van de Secretaris-Generaal voor de mensenrechten in Cambodja, blijft de regering en de bevolking van Cambodja helpen bij de bevordering en bescherming van de mensenrechten, die gelden als hoekstenen voor recht en gerechtigheid, en democratische ontwikkeling in elk land.

Na langdurige onderhandelingen kwam er in 2003 een akkoord tussen de regering van Cambodja en de Verenigde Naties, dat erin voorzag dat de VN het land zou helpen bij de opzet en het functioneren van een speciaal gerechtshof ter berechting van misdaden gepleegd ten tijde van de Rode Khmer. Dat akkoord werd goedgekeurd door de Algemene Vergadering en ondertekend op 6 juni 2003. De overeenkomst moet nog worden bekrachtigd door het parlement van Cambodja. Intussen bezocht een technische ondersteuningsteam van de VN in december 2003 Phnom Penh om samen met de regering te werken aan de operationele en technische aspecten van de werking van het beoogde gerechthof.


Bougainville / Papoea Nieuw-Guinea
Begin 1998, na een decennium van gewapende conflicten over het vraagstuk van de onafhankelijkheid van het eiland Bougainville, sloten de regering van Papoea Nieuw-Guinea en politieke leiders op Bougainville het Akkoord van Lincoln, dat het raamwerk voor een vredesproces verwoordt. Krachtens dit akkoord werd een regionaal team voor toezicht op het bestand – bestaande uit toezichthouders uit Australië, Nieuw-Zeeland, Fiji en Vanuatu – omgevormd tot een PMG (groep voor toezicht op de vrede).

Conform het Akkoord van Lincoln verzocht en kreeg de regering van Papoea Nieuw-Guinea steun van de Veiligheidsraad voor het akkoord en de aanstelling van een kleine VN-waarnemersmissie: het Politiek VN-bureau in Bougainville (UNPOB). Deze eerste VN-missie in het zuidelijke Stille-Oceaangebied werd operationeel op 1 augustus 1998.

UNPOB zou in nauwe samenwerking met de PMG toezien op de tenuitvoerlegging van het akkoord. Ook zou UNPOB het Adviescomité voor het Vredesproces voorzitten – een orgaan dat bevoegd is overleg te voeren over alle aspecten van het staakt-het-vuren, om plannen te ontwikkelen voor het uit omloop nemen van wapens, om het publiek bewust te maken van het vredesproces en om op andere gebieden assistentie te verlenen. Het comité werd samengesteld uit vertegenwoordigers van de partijen bij het conflict, UNPOB en de leden van de PMG.

Op 30 augustus 2001, na ruim twee jaar van besprekingen onder de hoede en leiding van UNPOB, tekenden de partijen het Vredesakkoord van Bougainville – met daarin bepalingen over het inzamelen van wapens, zelfbestuur en een referendum. UNPOB nam het voortouw bij het aansturen van het plan voor de wapeninzameling. De afronding van de tweede fase van het plan, officieel bevestigd door UNPOB, effende het pad voor de formulering van een ontwerp-grondwet voor Bougainville en voor de voorbereidingen van de verkiezing van een autonome regering van Bougainville.

Naarmate voor Bougainville zelfbestuur steeds dichterbij kwam, werd tegen eind 2003 de situatie op het eiland stabieler. Als reactie op de toegenomen rust in Bougainville verving de VN op 1 januari 2004 UNPOB voor een kleinere missie: de VN-waarnemersmissie in Bougainville (UNOMB).


Europa

Cyprus

De VN-vredesmacht op Cyprus (UNFCYP) werd ingesteld in 1964 ter voorkoming van een heropflakkering van de strijd tussen de Grieks-Cypriotische en Turks-Cypriotische gemeenschap, en om bij te dragen tot de handhaving en het herstel van de rechtsorde en tot een terugkeer naar normale omstandigheden.

In 1974 volgde op een staatsgreep door Grieks-Cypriotische en Griekse elementen die aansluiting bij Griekenland voorstonden, een militaire interventie van Turkije, met een feitelijke tweedeling van het eiland als gevolg. Sinds 1974 ziet UNFICYP toe op een (de facto) staakt-het-vuren dat op 16 augustus 1974 van kracht werd en voorziet in een bufferzone tussen de Grieks-Cypriotische nationale garde en Turkse en Turks-Cypriotische troepen. Zolang er geen politieke overeenkomst is, blijft UNFICYP present op het eiland.

De Secretaris-Generaal heeft zijn goede diensten aangewend om te komen tot een alomvattende oplossing en trad in dat licht in 1999 en 2000 op als gastheer voor toenaderingsgesprekken tussen beide leiders. Daarop volgden in januari 2002 intensieve, rechtstreekse besprekingen. In november presenteerde hij de delegaties een uitvoerig voorstel dat de resterende knelpunten tussen hen beoogde weg te nemen. Het bleek echter niet mogelijk beide leiders ervan te overtuigen het voorstel d.m.v. een referendum aan beide bevolkingsgroepen op het eiland voor te leggen. Op die wijze zou Cyprus op 16 april het verdrag van toetreding tot de Europese Unie als herenigde staat kunnen ondertekenen.

De besprekingen werden in maart 2003 opgeschort. In april maakten de Turks-Cypriotische autoriteiten een aanvang met het openen van grensovergangen, waardoor voor het eerst sinds dertig jaar het Grieks-Cypriotische publiek naar het noorden en Turks-Cyprioten naar het zuiden konden reizen. Terwijl VN-technici werkten aan de verbetering van de wegen, stemde de Veiligheidsraad toe het burgerpolitiepersoneel bij UNFICYP uit te breiden met het oog op een ordelijk en veilig grensverkeer van personen en voertuigen. Tegen 2 november was de grens ongeveer 2 miljoen keer gepasseerd.

De Secretaris-Generaal juichte het nieuwe initiatief toe, maar benadrukte dat het niet in de plaats kon treden van een allesomvattende regeling. Op 10 februari 2004 hervatten de Griekse-Cypriotische leider en de Turks-Cypriotische leider – samen met de garantstaten Griekenland, Turkije en het Verenigd Koninkrijk – hun onderhandelingen in New York op basis van gedetailleerde voorstellen van de Secretaris-Generaal. Het streven was om te komen tot een afgeronde tekst die middels referenda zou worden voorgelegd aan de bevolkingen in april – teneinde Cyprus op 1 mei als een herenigde natie te laten toetreden tot de EU.

Na zes weken onderhandelen, toen een akkoord binnen handbereik lag, diende de Secretaris-Generaal zich aan om de ‘allesomvattende regeling voor het probleem van Cyprus’ af te ronden. Die regeling bestond uit de oprichting van de Verenigde Republiek Cyprus, bestaande uit een Grieks-Cypriotische constituerende staat en een Turks-Cypriotische constituerende staat, verbonden door een federale regering. Op 24 april sprak 76 procent van de kiezers in het Grieks-Cypriotische referendum zich uit tegen het plan, terwijl 65 procent van de kiezers in het Turks-Cypriotische referendum zich voorstander toonde.

Omdat het plan niet de goedkeuring genoot van beide gemeenschappen, werd het verworpen. Op 1 mei trad Cyprus toe tot de Europese Unie als een verdeeld en gemilitariseerd eiland. Er was evenwel veel bereikt door de onderhandelingen. In een toespraak voor de Veiligheidsraad op 8 juni 2004 beklemtoonde Alvaro de Soto, speciaal adviseur van de Secretaris-Generaal voor Cyprus, hoe belangrijk het was een beter inzicht te ontwikkelen in de beweegredenen van Grieks-Cypriotische zijde om het plan te verwerpen. ‘Wij moeten te weten komen hoe men aan Grieks-Cypriotische zijde denkt over de nu te bewandelen weg.’ In de tussentijd is de missie van goede diensten van de Secretaris-Generaal opgeschort.



Georgië
De spanningen tussen Abchazië en Georgië slepen al decennia aan. Nieuwe pogingen in 1990 van de plaatselijke autoriteiten in Abchazië (in het noordwesten van Georgië) om zich opnieuw af te scheiden van de in 1991 onafhankelijk geworden republiek Georgië, leidden in 1992 tot een reeks gewapende confrontaties waarbij honderden slachtoffers vielen en zo'n 30.000 mensen naar de Russische Federatie vluchtten. Een in 1993 benoemde speciale afgezant voor Georgië bemiddelde tussen de partijen en later dat jaar kwam het tot een akkoord.

Om de naleving daarvan te waarborgen, stelde de Veiligheidsraad de VN-waarnemersmissie in Georgië (UNOMIG) in. Maar de gevechten laaiden weer op en ontaardden in een burgeroorlog. In 1994 bereikten de partijen in Moskou een nieuw bestandsakkoord waarop een vredesmacht van het GOS toezicht zou houden. UNOMIG zou toezien op de tenuitvoerlegging van het akkoord en rapporteren over het optreden van de vredesmacht.

In de loop der jaren zijn speciale gezanten van de Secretaris-Generaal blijven onderhandelen en de Veiligheidsraad benadrukte geregeld het belang van een allesomvattende regeling. Maar er bestaat nog steeds geen oplossing voor de belangrijkste politieke kwestie: de toekomstige status van Abchazië binnen de staat Georgië. De VN en andere landen die zich bij het conflict betrokken achten, proberen de onderhandelingen weer op gang te krijgen.



De Balkan

Voormalig Joegoslavië. De Socialistische Bondsrepubliek Joegoslavië was medeoprichter van de Verenigde Naties. In 1991 verklaarden de republieken Kroatië en Slovenië zich onafhankelijk. Kroatische Serviërs verzetten zich tegen die stap en kregen daarbij steun van het Joegoslavische volksleger; er brak een oorlog uit tussen Kroatië en Servië. Als reactie daarop kondigde de Veiligheidsraad een wapenembargo af tegen Joegoslavië en benoemde de Secretaris-Generaal een persoonlijke gezant ter ondersteuning van vredespogingen van de EU.

Begin 1992 stelde de Veiligheidsraad de VN-Beschermingsmacht (UNPROFOR) in teneinde geschikte omstandigheden te creëren voor een oplossing. UNPROFOR werd aanvankelijk gestationeerd in Kroatië. De oorlog breidde zich echter uit naar Bosnië-Herzegovina, dat zich inmiddels ook onafhankelijk had verklaard. Die onafhankelijkheidsverklaring kon rekenen op steun van Bosnische Kroaten en Bosnische moslims, maar stuitte op verzet bij Bosnische Serviërs. De Joegoslavische en Kroatische legers mengden zich in de strijd, waarop de Veiligheidsraad economische sancties afkondigde tegen de Joegoslavische Federale Republiek, die toen nog slechts Servië en Montenegro omvatte.

De oorlog werd heviger en leidde tot de grootste vluchtelingenstroom in Europa sinds de Tweede Wereldoorlog. Als antwoord op de vele berichten over etnische zuiveringen stelde de Veiligheidsraad in 1993 voor het eerst een internationaal tribunaal in ter vervolging van oorlogsmisdaden. De Raad bakende ook een aantal ‘veilige gebieden’ af in een poging deze buiten de gevechten te houden.

UNPROFOR probeerde de humanitaire hulpverlening in Bosnië gaande te houden en de hoofdstad Sarajevo en andere veilige gebieden te beschermen. Maar de Veiligheidsraad gaf goedkeuring voor slechts 7600 manschappen, terwijl de leiders van de vredestroepen om 35.000 mannen hadden gevraagd. Op verzoek van de Secretaris-Generaal besloot de NAVO begin 1994 toestemming te geven voor luchtaanvallen om een einde te maken aan de voortdurende aanvallen op Sarajevo. Bosnische Serviërs namen daarop 400 UNPROFOR-waarnemers gevangen en gebruikten sommigen van hen als menselijk schild.

In 1995 namen de gevechten toe. Kroatië viel op grote schaal gebieden aan die door Serviërs werden bewoond. Met grootschalige luchtaanvallen beantwoordde de NAVO de constante beschietingen door Bosnische Serviërs van Sarajevo. Bosnische Serviërs bezetten de 'veilige gebieden' Srebrenica en Zepa. Zij doodden daarbij 7000 ongewapende mannen en jongens in Srebrenica – het ergste bloedbad in Europa sinds de Tweede Wereldoorlog. In een rapport van 1999 erkende de Secretaris-Generaal de tekortkomingen van de VN en haar lidstaten in hun reactie op de etnische zuiveringen die in Srebrenica een hoogtepunt hadden bereikt. Hij stelde dat deze tragedie 'voor eeuwig zal rondwaren in onze geschiedenis'.

Vredesbesprekingen in Dayton (VS) in 1995 leidden tot een vredesakkoord tussen Bosnië-Herzegovina, Kroatië en de Joegoslavische Federale Republiek. Daarmee kwam een einde aan een oorlog die 42 maanden had geduurd en 230 VN-medewerkers het leven had gekost. Om toe te zien op de naleving van de akkoorden keurde de Veiligheidsraad de oprichting goed van een multinationale implementatiemacht van 60.000 manschappen onder bevel van de NATO.

De Veiligheidsraad stelde een internationale politiemacht in die later werd opgenomen in de grotere VN-missie in Bosnië-Herzegovina (UNMIBH). Deze missie bewerkstelligde de terugkeer van vluchtelingen en ontheemden, bevorderde de vrede en veiligheid, en hielp bij de opbouw van staatsinstellingen. In 1996 stelde de Veiligheidsraad ook de VN-waarnemersmissie in Prevlaka (UNMOP) in. Deze missie hield toezicht op de demilitarisering van het schiereiland Prevlaka, een strategisch gebied in Kroatië waarvan Joegoslavië de status betwistte. UNMIBH en UNMOP beëindigden hun taken eind 2002.



Kosovo. In 1989 herriep de Joegoslavische Federale Republiek het lokaal zelfbestuur van Kosovo, een provincie in het zuiden van Joegoslavië die historisch belangrijk is voor Servië, maar waarvan de bevolking voor 90% uit etnische Albanezen bestaat. De Kosovo-Albanezen vochten deze beslissing aan en boycotten de staatsinstellingen en het gezag van de Serviërs, in een poging zelfbestuur te verwerven.

De spanningen liepen hoog op toen het Kosovaarse Bevrijdingsleger (KLA) – dat in 1996 opdook met de oproep om de wapens op te nemen voor de onafhankelijkheid – aanslagen uitvoerde op Servische functionarissen en Albanezen die met hen samenwerkten. De Servische autoriteiten reageerden daarop met grootschalige arrestaties. In maart 1998 braken er gevechten uit toen de Servische politie het gebied Drenica schoonveegde, op zoek naar leden van het KLA. De Veiligheidsraad stelde een wapenembargo in tegen Joegoslavië (inclusief Kosovo) maar de situatie ontaardde in een openlijke oorlog.

Na waarschuwingen aan Joegoslavië en tegen de achtergrond van een Servisch offensief in Kosovo, begon de NAVO in maart 1999 met luchtaanvallen op Joegoslavië. De Secretaris-Generaal betreurde het falen van de diplomatie. Hoewel er momenten zijn waarop 'het gebruik van geweld legitiem is in het streven naar vrede', zei hij, diende de Veiligheidsraad betrokken te worden bij dergelijke besluiten.

Joegoslavië begon een groot offensief tegen het KLA en deporteerde op grote schaal etnische Albanezen uit Kosovo. Dit veroorzaakte een ongekende stroom van 850.000 vluchtelingen. UNHCR en andere humanitaire organisaties schoten hen te hulp in Albanië en in de voormalige Joegoslavische republiek Macedonië.

In juni aanvaardde Joegoslavië een vredesvoorstel van de G8 (de Groep van Acht: de zeven grote westerse industrielanden en Rusland). De Veiligheidsraad steunde het voorstel en besloot een veiligheidsmacht op te richten om verder militair geweld af te schrikken, het KLA te ontwapenen en de terugkeer van vluchtelingen te bespoedigen. Voorts verzocht de Raad de Secretaris-Generaal een internationaal interim-burgerbestuur in het leven te roepen dat de bevolking een ruime mate van autonomie en zelfbestuur zou toestaan. Na de terugtrekking van de Joegoslavische troepen uit Kosovo staakte de NAVO het luchtoffensief. Een 50.000 manschappen tellende multinationale troepenmacht voor Kosovo (KFOR) werd gestationeerd om de veiligheid te waarborgen.

Het VN-interimgezag in Kosovo (UNMIK) vestigde zich onmiddellijk in het gebied. Qua complexiteit en omvang kende deze missie haar gelijke niet. De Veiligheidsraad gaf UNMIK het gezag over het gebied en de bevolking van Kosovo, met inbegrip van de wetgevende en uitvoerende macht én de leiding over het justitieel apparaat. De missie had vier kerntaken: het burgerlijk bestuur onder auspiciën van de VN; humanitaire hulpverlening onder leiding van UNHCR; democratisering en opbouw instellingen onder leiding van OVSE; en economische wederopbouw en ontwikkeling onder leiding van de EU. Het was een unieke samenwerking van vier internationale organisaties onder het overkoepelend gezag van de VN.

Minstens 841.000 van de 850.000 oorlogsvluchtelingen keerden terug; de eerste prioriteit was hen voorbereiden op de komende winter. Toen dat was geregeld, kon UNMIK vooruitgang boeken bij het herstel van het normale leven en bij de economische wederopbouw op lange termijn. De missie vaardigt richtlijnen uit over o.a. de benoeming en het ontslag van rechters, bankzaken, vergunningen, de oprichting van een centrale belastingdienst en een begroting voor Kosovo. UNMIK maakte de dialoog mogelijk tussen de leiders van de etnische gemeenschappen, herstelde de openbare nutsvoorzieningen en heropende scholen.

Er kwam een gezamenlijke interim-bestuursstructuur met vertegenwoordigers van alle etnische groepen. In het hele gebied werd 3000 man UNMIK-politiepersoneel gedetacheerd en ook kwam er een Kosovaarse politiedienst tot stand. In september 1999 was de demilitarisering van de KLA een feit; de verzetstrijders werden in de burgermaatschappij gereïntegreerd. In de maanden na het bestand trokken 210.000 niet-Albanese Kosovaren uit Kosovo naar Servië en Montenegro. Een gezamenlijke commissie zorgde dat ze veilig konden terugkeren.

Tegen eind juni 2000 werd de rol van UNHCR als een van de UNMIK-pijlers afgebouwd, hoewel de organisatie prominent aanwezig bleef in de regio. In mei 2001 nam UNMIK een nieuwe taak op zich: het vergroten van de slagkracht van politie en justitie – een aandachtspunt dat daarvoor werd behartigd in het kader van de burgerlijke administratie. De nieuwe pijler ‘politie en justitie’ kwam onder de rechtstreekse leiding van de VN te staan.

Verreweg de belangrijkste uitdaging op veiligheidsgebied was de bescherming van niet-Albanese minderheden. Ondanks aanmerkelijke vorderingen hielden intimidatie, moord en geweld tegen deze bevolkingsgroepen aan. De overblijvende etnische minderheden woonden in geïsoleerde enclaves bewaakt door KFOR. Om de spiraal van straffeloosheid, verergerd door een gebrekkig rechtssysteem, te doorbreken, benoemde UNMIK internationale rechters en aanklagers.

In april 2001 stelde het Internationaal Straftribunaal voor ex-president Slobodan Milosevic van Joegoslavië en vier anderen in staat van beschuldiging wegens misdaden tegen de menselijkheid gedurende ‘stelselmatige aanvallen op de Kosovo-Albanese burgerbevolking van Kosovo’. In juni 2001 werd hij overgebracht naar het Tribunaal. In september hief de Veiligheidsraad het wapenembargo op tegen de Federale Republiek Joegoslavië. In november werden er in heel Kosovo verkiezingen gehouden voor de samenstelling van de 120 leden tellende wetgevende assemblee. In maart 2002 verkoos dit parlement de eerste president en de eerste premier van de provincie.

Toch moest er nog veel gebeuren wat betreft de ontwikkeling van voorlopige democratische instellingen en diende er ook gezorgd te worden voor de juiste omstandigheden om te komen tot een vreedzaam en normaal leven voor alle inwoners. Bij twee gelegenheden zag het hoofd van de VN-missie zich genoodzaakt een besluit van de Kosovaarse assemblee te annuleren – de eerste keer toen het parlement zijn bevoegdheid te buiten ging in verband met een grensgeschil; de tweede keer omdat het verzuimde de rechten van minderheden te vrijwaren. De Veiligheidsraad steunde beide beslissingen.

Tegen eind 2003 presenteerde een groep hoge ambtenaren een pakket normen ter voorbereiding van de definitieve status van het door de VN bestuurde Kosovo. Die normen omvatten vrije, eerlijke en regelmatige verkiezingen; vrije media; en een gezond en onpartijdig rechtssysteem. Op 30 december vervolledigde UNMIK de overdracht van specifieke verantwoordelijkheden aan plaatselijke voorlopige instellingen. Daarbij behield UNMIK een aantal bevoegdheden, o.a. de zeggenschap over de veiligheid, buitenlandse betrekkingen, de bescherming van de rechten van minderheden, en de energievoorziening – dit zolang de definitieve status van de provincie hangende is.




UNIC Logo
Terug  Home  Terug naar boven