zondag, 23 november 2014
UNRIC logo - Nederlands

VN in jouw taal

Investeren in Ontwikkeling: een Praktisch Plan om de Millennium Ontwikkelingsdoelen te Bereiken

MillenniumProject.gif

Wat is het Millennium Project?

Het VN Millennium Project is een onafhankelijk adviesorgaan, aangesteld door de Secretaris-Generaal van de VN, Kofi Annan, dat een globaal plan moet ontwikkelen om de Millennium Ontwikkelingsdoelen (MOD’s) tegen 2015 te bereiken. Het Project wordt geleid door professor Jeffrey Sachs van de Columbia Universiteit en is gevestigd in het hoofdkantoor van het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP) te New York.

Het Project heeft zijn bevindingen in januari 2005 aan de Secretaris-Generaal voorgelegd. Het uitbrengen van het rapport ‘Investeren in Ontwikkeling: een Praktisch Plan om de Millennium Ontwikkelingsdoelen te Bereiken’, is de eerste stap van een reeks initiatieven met betrekking tot de MOD’s dit jaar, die zullen uitmonden in een belangrijke top van de Algemene Vergadering over de MOD’s in september.

2005 Biedt de historische kans om een globaal beleid tot stand te brengen dat nodig is om de armste landen te helpen de ontwikkelingsdoelen te bereiken. Het rapport van het VN Millennium Project biedt een gedetailleerde blauwdruk om dit te doen. Als de wereld de MOD’s bereikt, zullen 500 miljoen mensen uit de armoede gehaald zijn, zullen 250 miljoen mensen geen honger meer lijden en zullen 30 miljoen kinderen en twee miljoen moeders, die normalerwijze zonder hulp zouden sterven, gered worden.


Hoe ging het Millennium Project te werk?

Het VN Millennium Project rapport baseert zich op het onderzoek van tien thematische werkgroepen, dat meer dan twee jaar overspant. Deze werkgroepen bestaan in totaal uit 265 internationaal erkende deskundigen en omvatten zowat alle grote namen uit de ontwikkelingssamenwerking, zowel theoretici als mensen uit het werkveld.

Elk van deze tien werkgroepen richtte zich op ontwikkelingsthema’s van de specifieke sectoren, die door de MOD’s worden behandeld. De werkgroepen werden belast met het vaststellen van de belangrijkste beperkingen, die het bereiken van de MOD’s in de weg zouden staan en het aanbevelen van acties om te garanderen dat staten de weg zouden volgen, die tot het bereiken van de MOD’s in 2015 leidt. Samen met ‘Investeren in Ontwikkeling: een Praktisch Plan om de Millennium Ontwikkelingsdoelen te Bereiken’ vormen de rapporten van de 13 werkgroepen de totaliteit van bevindingen van het Millennium Project. De integrale rapporten zijn te vinden op de website www.unmillenniumproject.org.


Wat gebeurt er na de presentatie van ‘Investeren in Ontwikkeling’?

De aanbevelingen van het VN Millennium Project vormen een belangrijke input voor het vijfjarige voortgangsrapport van de Secretaris-Generaal betreffende de Millenniumverklaring, dat in maart 2005 zal uitkomen.

In september 2005 zullen de wereldleiders bij de VN in New York bijeenkomen voor een speciale top van de Algemene Vergadering, om de implementatie van de Millenniumverklaring te bespreken. Men verwacht dat deze bijeenkomst de ontwikkelingsagenda voor het komende decennium zal bepalen: een agenda met de grote ambitie voor de wereld om de Millennium Ontwikkelingsdoelen te bereiken.

Waarom concentreert het Millennium Project zijn werk rond de Millennium Ontwikkelingsdoelen?

Voor de meer dan een miljard mensen, die nog steeds in extreme armoede leven, zijn de MOD’s een zaak van leven of dood. Extreme armoede kan gedefinieerd worden als ‘dodelijke armoede’: het berooft mensen van de middelen die nodig zijn om honger, ziekte en milieugevaren te trotseren. Als mensen gebukt gaan onder extreme armoede en zelfs niet over het schamele inkomen beschikken om in hun basisbehoeften te voorzien, kan een enkele ziekte, droogteperiode of een plaag die de oogst vernietigt, het verschil tussen leven en dood betekenen. Huishoudens, die lijden onder extreme armoede, hebben vaak een levensverwachting, die ongeveer de helft bedraagt van huishoudens in hoge-inkomenslanden: 40 in plaats van 80 jaar. Terwijl in arme landen meer dan 100 kinderen op 1000 voor hun vijfde levensjaar sterven, bedraagt het sterfte cijfer in de rijke landen minder dan tien op duizend. Een pasgeborene in Sub-Sahara Afrika heeft vandaag slechts 33.3% kans om 65 jaar oud te worden.

Op de VN Millenniumtop in september 2000 namen 189 wereldleiders unaniem de Millenniumverklaring aan en verbonden zich als volgt: "Wij zullen geen inspanning uit de weg gaan om onze mede mannen, vrouwen en kinderen te bevrijden van de vernederende en onmenselijke toestand van extreme armoede, waaraan nog steeds meer dan 1 miljard mensen zijn onderworpen."

De Verklaring leidde tot het formuleren van acht specifieke Millennium Ontwikkelingsdoelen, die tot stand gebracht moeten worden tussen 1990 en 2015:

1. Het halveren van de extreme armoede en honger
2. Het tot stand brengen van universeel basisonderwijs.
3. Het promoten van gelijke behandeling voor mannen en vrouwen
4. Het met tweederde reduceren van kindersterfte.
5. Het met drie kwart reduceren van kraambedsterfte.
6. Het terugbrengen van de verspreiding van HIV/AIDS, malaria en andere belangrijke ziekten.
7. Het verzekeren van een duurzaam milieu.
8. Het creëren van een globaal partnerschap voor ontwikkeling.

Zijn de Millennium Ontwikkelingsdoelen haalbaar?

Ja, indien er een doorbraak bereikt wordt in 2005. Zelfs in de armste landen kunnen de MOD’s nog bereikt worden tegen 2015. Het rapport van het VN Millennium Project zet uiteen wat er moet gebeuren, waar onmiddellijke actie ondernomen zou moeten worden en hoeveel dit zou kosten. Het onderzoek van het rapport toont aan dat de kosten om de MOD’s te behalen ongeveer een half procent van het BNP van de geïndustrialiseerde landen bedragen, minder zelfs dan de 0,7 procent, die de rijke landen al beloofd hebben bij te dragen aan de armen in de wereld. In 2003 bedroeg de totale hulp van rijke aan arme landen 69 miljard dollar - of ongeveer 0,25% van hun gezamenlijke BNP.

Op de Monterrey conferentie werd eveneens overeengekomen dat er in ontwikkelingslanden dringend nood is aan een goed bestuur en transparantie in de begroting. Tientallen minst ontwikkelde landen hebben bewezen hervormingen door te voeren en zich in te zetten voor de allerarmsten. Het VN Millennium Project pleit voor een snelle toename van hulp aan de landen, die dringend internationale hulp nodig hebben om de MOD’s te bereiken en die deze hulp effectief kunnen en zullen gebruiken.

Hoe staat het tot nu toe met de vooruitgang van de MOD’s? Veel landen oogsten de voordelen van de globalisering en liggen op schema om tenminste enkele van de MOD’s te bereiken tegen de deadline van 2015. Volgens schattingen van de Wereldbank nam het aantal mensen, dat in extreme armoede leeft, tussen 1981 en 2001 af van 1,5 miljard tot 1,1 miljard (Chen en Ravallion, 2004). Verder is tussen 1990 en 2002 het aantal gevallen van kindersterfte afgenomen van 92 op 1000 levend geborenen per jaar tot 73. De levensverwachting is gestegen van 62,5 jaar tot bijna 64 jaar. 10% Meer mensen in ontwikkelingslanden hebben toegang gekregen tot water en 14% meer mensen kregen toegang tot verbeterde hygiënische voorzieningen.

Helaas is de vooruitgang op vlak van de MOD’s ver van gelijkmatig. Er bestaan enorme verschillen tussen en binnen landen. Sommige landen liggen op schema om de meeste, al dan niet alle, MOD’s te behalen en vele zullen tenminste sommige van de Ontwikkelingsdoelen bereiken. Sub-Sahara Afrika is het epicentrum van de crisis, met een voortdurende toename van extreme armoede en een hallucinant hoge kinder- en kraambedsterfte. Azië is de regio met de snelste vooruitgang, maar zelfs daar blijven honderden miljoenen mensen extreem arm. Andere regio’s boeken gemengde resultaten: in Latijns-Amerika, het Midden Oosten en Oost-Europa was tot nu toe sprake van geen of langzame vooruitgang wat sommige MOD’s betreft en ondermijnen hardnekkige ongelijkheden de vooruitgang in andere Millennium Ontwikkelingsdoelen.

Wat zijn de aanbevelingen van het Project precies? Waarin zijn de aanbevelingen anders dan voorgaande VN-rapporten en actieplannen?

Het werk van het VN Millennium Project biedt een diepgaande en allesomvattende analyse en aanbevelingen voor het bereiken van de MOD’s. Het VN Millennium Project formuleert de volgende aanbevelingen:

  • De regeringen van ontwikkelingslanden dienen armoedebestrijdingstrategieën aan te nemen, die ambitieus genoeg zijn om de Millennium Ontwikkelingsdoelen tegen 2015 te kunnen halen. Om deze deadline van 2015 te bereiken, bevelen we aan dat in alle landen deze strategieën tegen 2006 operationeel zijn. Daar waar Poverty Reduction Strategy Papers (PRSPs) al bestaan, moeten deze met de Millennium Ontwikkelingsdoelen op een lijn gebracht worden.
  • De armoedebestrijdingsstrategieën gebaseerd op de Millennium Ontwikkelingsdoelen dienen het volgende te verankeren: het verhogen van de openbare investeringen, capaciteitsopbouw, het mobiliseren van de binnenlandse middelen en de officiële ontwikkelingshulp (ODA). Ze dienen eveneens een kader aan te reiken voor het verstevigen van het bestuur, het promoten van de mensenrechten, het engageren van de civiele maatschappij en het promoten van de privé-sector.
  • De armoedebestrijdingsstrategieën moeten worden geïmplementeerd in duidelijk omlijnde, transparante en alomvattende processen, waarbij nauw samengewerkt moet worden met de civiele maatschappij, de binnenlandse privé-sector en internationale partners.
  • Internationale donoren dienen tenminste een twaalftal ‘fast-track’ landen te identificeren, die al ver gevorderd zijn in het bereiken van de Millennium-ontwikkelingsdoelstellingen, voor een snelle verhoging van de officiële ontwikkelingshulp (ODA) in 2005. Hierbij dient rekening gehouden worden met het feit dat vele landen zich al in die positie bevinden, waardoor ze in aanmerking komen voor een grote verhoging op basis van hun goed bestuur en hun absorptievermogen.
  • Ontwikkelde en ontwikkelingslanden dienen gezamenlijk een reeks “Acties met Snel Resultaat” (Quick Wins) te ondernemen, om miljoenen levens te redden, te verbeteren en bovendien de economische groei te bevorderen. Zij zouden ook een massieve inspanning moeten inzetten om expertise op gemeenschapsniveau uit te bouwen.
  • De regeringen van ontwikkelingslanden dienen nationale strategieën te harmoniseren met regionale initiatieven zoals het Nieuwe Partnerschap voor de Ontwikkeling van Afrika en de Caribische Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Markt. Regionale groepen zouden bovendien meer directe donorhulp moeten ontvangen voor regionale projecten.
  • De hogeloonlanden dienen de officiële ontwikkelingshulp te verhogen, van 0,25% van het donor-BNP in 2003 naar ongeveer 0,44% in 2006 en 0,54 in 2015, om de Millennium-ontwikkelingsdoelstellingen te ondersteunen, vooral in de lageloonlanden, met een verbeterde kwaliteit van de hulp (inclusief hulp die geharmoniseerd, voorspelbaar en overwegend in de vorm van op subsidies gebaseerde begrotingssteun is) . Elke donor zou niet later dan 2015 0,7% moeten halen om de Doelstellingen en andere prioriteiten van ontwikkelingshulp te ondersteunen. Ook de schuldverlichting zou extensiever en genereuzer moeten zijn.
  • Hogeloonlanden dienen hun markten open te stellen voor de export van ontwikkelingslanden door middel van de Doha-Handelsronde en zouden eveneens moeten helpen om de competitiveit van de export van de Minst Ontwikkelde Landen te verhogen door middel van investeringen in kritische handelsgerelateerde infrastructuur zoals elektriciteit, wegen en havens. De Doha Ontwikkelingsagenda zou uitgevoerd moeten worden en de Doha-Ronde zou ten laatste in 2006 afgerond moeten zijn.
  • Internationale donoren zouden hulp moeten mobiliseren voor globaal wetenschappelijk onderzoek en ontwikkeling, gericht op de speciale noden van de armen op het vlak van volksgezondheid, landbouw, natuurlijke hulpbronnen en milieumanagement, energie en klimaat. We schatten dat tegen 2015 de totale noden zullen stijgen tot ongeveer 7 miljard $.
  • De VN Secretaris-Generaal en de VN-Ontwikkelingsgroep dienen de coördinatie van VN-agentschappen, -fondsen en -programma’s te versterken om de Millennium Ontwikkelingsdoelen te ondersteunen, zowel op het hoofdkwartier als op landelijk niveau. De VN-Landenteams dienen versterkt te worden en samen te werken met de internationale financiële instellingen om de Ontwikkelingsdoelen te ondersteunen.

Wat zijn “Acties met Snel Resultaat” (Quick Wins) die worden aanbevolen door het VN Millennium Project?

Ieder land moet in haar op de Doelstellingen gebaseerde armoede-reductie-strategie de specifieke en praktische stappen, die nodig zijn om de doelstellingen te behalen, uiteenzetten. Gelukkig zijn deze stappen gekend. Er zijn bijvoorbeeld beproefde methodes om zwangerschaps- en kraambedsterfte tegen te gaan, of om meisjes te stimuleren zich in te schrijven voor het basisonderwijs en de hele cyclus hiervan af te maken. Er bestaan beproefde methodes om de maïsoogst in Afrika te verdriedubbelen, en om landelijke klinieken en ziekenhuizen te voorzien van een ononderbroken elektriciteitstoevoer. Er bestaan beproefde methoden om bebossing te doen toenemen in ontboste gebieden. Hetzelfde geldt voor de andere doelstellingen. De werkgroepen van het Millennium Project beschrijven deze beproefde methodes en beleidsopties gedetailleerd in hun rapporten; het zijn dan ook essentiële bijlagen van dit rapport.

Het is mogelijk om sommige elementen uit dit ‘pakket’ direct te implementeren en zo in drie jaar of minder verbazingwekkende resultaten te boeken. Hieronder staan een aantal van deze “Acties met Snel Resultaat” (Quick Wins):

  • Het afschaffen van het schoolgeld en uniformkosten om te verzekeren dat alle kinderen, vooral meisjes, niet wegblijven van school vanwege de armoede waarmee hun familie te kampen heeft. Verloren inkomsten zouden moeten vervangen worden door meer billijke en efficiënte financieringsbronnen, waaronder donorhulp.
  • Verpauperde boeren in Sub-Sahara Afrika voorzien van een betaalbare bevoorrading van stikstof en andere meststoffen.
  • Alle kinderen gratis schoolmaaltijden verstrekken waarbij gebruikt gemaakt wordt van lokaal geproduceerd voedsel en ze voorzien van een dagelijks rantsoen om naar huis mee te nemen.
  • Het opzetten van voedingsprogramma’s in de dorpen, voor zwangere vrouwen, vrouwen die borstvoeding geven en kinderen onder de vijf jaar, die borstvoeding stimuleren en die toegang bieden tot lokaal geproduceerde aanvullende voeding en waar nodig, ook voorzien in voedingssupplementen (vooral zink en vitamine A).
  • Het organiseren van jaarlijkse ontwormen voor alle schoolkinderen in getroffen gebieden, om tot betere resultaten te komen ten behoeve van de gezondheid en het onderwijs.
  • Het trainen van grote aantallen mensen uit de dorpen op het gebied van volksgezondheid, landbouw en infrastructuur (in éénjarige programma’s) om basisexpertise en diensten te verzekeren in landelijke gemeenschappen.
  • Het verdelen van gratis, duurzame, met insecticide behandelde, muskietennetten aan alle kinderen in malaria-endemische gebieden om de tol van malaria drastisch te verlagen.
  • Het afschaffen van honoraria voor basisgezondheidszorg in alle ontwikkelingslanden, gefinancierd door verhoogde binnenlandse en donor middelen voor volksgezondheid.
  • De toegang vergemakkelijken tot informatie en diensten in verband met seksuele voorlichting en reproductieve gezondheid, gezinsplanning en anticonceptiemiddelen; en het dichten van de bestaande financieringskloven voor bevoorrading en logistieke ondersteuning.
  • Het gebruik uitbreiden van effectieve geneesmiddelencocktails voor AIDS, TBC en malaria. Voor AIDS houdt dit ondermeer in het 3 tegen 5-initiatief, dat anti-retrovirale geneesmiddelen beschikbaar wil maken voor 3 miljoen mensen in 2005.
  • Het verzamelen van fondsen voor het financieren van op de gemeenschap gebaseerde opwaardering van sloppenwijken en het aanduiden van nutteloze openbare gronden om ze te kunnen toewijzen voor goedkope huisvesting.
  • Toegang verlenen tot elektriciteit, water, afvalverwerking en het Internet voor alle ziekenhuizen, scholen en andere instellingen voor sociale dienstverlening, gebruikmakend van dieselgeneratoren, zonnepanelen of andere geschikte technologieën.
  • Het hervormen en het bekrachtigen van wetgeving, die eigendoms- en erfenisrechten voor vrouwen garandeert.
  • Nationale campagnes starten om het geweld tegen vrouwen te verminderen.
  • In elk land een kantoor voor een wetenschappelijk adviseur van de president of eerste minister oprichten om de rol van de wetenschap in nationale beleidsvorming te consolideren.
  • Vrouwen een centrale rol laten spelen in de op de MOD’s gebaseerde armoedebestrijdingstrategieën en ook in andere cruciale beleidshervormingsprocessen, in het bijzonder op lokale overheidsniveaus.
  • Het verschaffen van ondersteuning op gemeenschapsniveau voor het planten van bomen met het oog op de voorziening van bodemvoedingsstoffen, schaduw, het vasthouden van water in de grond, bescherming tegen wind, brandhout, veevoer en timmerhout.

Deze “Acties met Snel Resultaat” zijn niet de enige ingrepen die nodig zijn om de MOD’s te bereiken - hieronder vallen enkel de ingrepen die onmiddellijk geïmplementeerd kunnen worden en die op korte termijn een zeer hoog potentieel bezitten om een groot impact te hebben. Andere ingrepen zijn gecompliceerder en vereisen decenniumlange inspanningen of bieden uitgestelde voordelen. De wereld kan het zich niet veroorloven nog een jaar voorbij te laten gaan zonder te investeren in deze simpele en beproefde strategieën.

Wat zijn de lessen die getrokken kunnen worden uit de tsunamiramp in Azië -en de stroom van overheids- en privé-hulp aan de slachtoffers?

De tsunamiramp herinnerde ons op een tragische manier aan het feit dat de armen in de wereld bijzonder kwetsbaar zijn bij dergelijke rampen - en dat de meerderheid van de armen in de wereld Aziaten zijn. De meeste mensen die stierven – en de meesten die nu vechten om te overleven - wonen in verarmde gemeenschappen aan de kust, die gedurende lange tijd nationale en internationale hulp nodig zullen hebben bij de wederopbouw. Doch het feit dat India en Thailand, landen die eerder veel hulp kregen, hebben aangegeven zelf zo veel mogelijk de wederopbouw te willen financieren, geeft aan dat landen niet gevangen hoeven te zitten in een vicieuze cirkel van hulpbehoevendheid, maar dat overgangshulp het zetje in de rug kan zijn om de onafhankelijkheid te bereiken, die uiteindelijk alle ontwikkelingslanden wensen.

De zeer genereuze internationale respons op de tragedie in Azië was ook een krachtig signaal van het feit dat burgers uit de welvarende landen zeker welwillend zijn om de minderbedeelden in de wereld te steunen - op voorwaarde dat ze de behoefte aan deze hulp duidelijk kunnen zien en zeker weten dat het geld dat ze schenken als belastingsbetaler of uit privé-liefdadigheid ook daadwerkelijk de mensen bereikt, die deze hulp het hardst nodig hebben. De les, die uit het onderzoek van het Project getrokken kan worden, is dat gerichte en langdurige investeringen in essentiële sociale diensten en openbare werken, arme gemeenschappen beter in staat stellen om dergelijke rampen te overleven. Het is om die reden cruciaal, dat internationale noodhulp in de getroffen landen wordt gefinancierd door extra middelen en dat deze geen fondsen of aandacht afleidt van de doelstelling op lange termijn: armoede in alle landen uitbannen.

Waarom slagen er zoveel landen niet in om gelijke tred te houden met het vooropgestelde traject voor het bereiken van de Millennium Ontwikkelingsdoelen?

Er is geen specifieke reden waarom een bepaald land niet op schema blijft. De dynamiek van armoedebestrijding is erg complex, met oplossingen die veelzijdige en gecoördineerde inspanningen vereisen. Het implementeren van deze oplossingen is nog moeilijker in landen, die te lijden hebben onder extreme en voortdurende armoede, veroorzaakt door conflicten of zwak bestuur. Sub-Sahara Afrika is de regio, die nog het verst verwijderd is van de MOD’s.

De vooruitgang in het behalen van de MOD’s varieert sterk:

  • Het aantal ondervoede kinderen en de mate van ondervoeding wordt in Sub-Sahara Afrika steeds groter, terwijl ondervoeding in de rest van de wereld afneemt.
  • In de meeste regio’s wordt vooruitgang geboekt in het basisonderwijs, maar Sub-Sahara Afrika en Zuid-Azië blijven ver achter.
  • Gendergelijkheid blijft een onvervuld doel. Ook op het gebied van onderwijs zal de pariteit als doel voor 2005 in veel landen, maar vooral in Sub-Sahara Afrika en Zuid-Azië, niet gehaald worden.
  • De kindersterftecijfers zijn in het algemeen gedaald, maar de vooruitgang verloopt langzaam, terwijl in Sub-Sahara Afrika de cijfers zelfs weer stijgen. Vooruitgang is ook beperkt in Oost-, West- en Zuid-Azie, Oceanië en de CIS.
  • Kraambedsterfte blijft in elke ontwikkelingsregio onaanvaardbaar hoog. Dit geeft aan dat er te weinig publieke aandacht is voor de behoeften van vrouwen en dat er onvoldoende toegang is tot seksuele en reproductieve gezondheidsvoorzieningen en verloskundige spoedafdelingen.
  • Er zijn op dit moment ongeveer 40 miljoen mensen geïnfecteerd met HIV/AIDS. De ziekte is pandemisch in zuidelijk Sub-Sahara Afrika en vormt een ernstige bedreiging in elke ander ontwikkelingsgebied, vooral voor vrouwen en adolescenten.
  • De wereld ligt achterop voor wat hygiënische voorzieningen betreft. De vooruitgang is te traag in Sub-Sahara Afrika, Zuid-Azie en vele gebieden in de rest van Azië.

Waarom ligt Sub-Sahara Afrika het meest achterop op weg naar de MOD’s?

De algemene diagnose voor Sub-Sahara Afrika is dat het lijdt onder een bestuurscrisis. Dit is echter iets te eenvoudig gesteld. Er zijn veel delen van Afrika die, gezien het inkomensniveau en mate van armoede, goed bestuurd worden. Het probleem is echter dat ze vastzitten in een “armoedeval”. De ontwikkelingsuitdagingen voor deze regio gaan veel dieper dan bestuur alleen. In veel landen is er behoefte aan een sterke verhoging van de publieke investeringen om de hoge kosten te overwinnen van transport, van de relatief kleine markten, van de lage landbouwproductiviteit, van de ongunstige agroklimatologische omstandigheden, van de hoge ziektelasten en van de langzame verspreiding van buitenlandse technologieën.

Eén van de centrale argumenten van het VN-Millennium Project is dat Afrika’s structurele uitdagingen overwonnen kunnen en moeten worden door middel van een intensief programma van publieke investeringen in basisinfrastructuur en sociale voorzieningen zoals: havens, wegen, generatoren, malariamuskietennetten, ziekenhuizen, enzovoort. Omdat de meeste landen in Sub-Sahara Afrika de financiële middelen voor dergelijke investeringen niet hebben, is voor hen een aanzienlijke verhoging van de officiële ontwikkelingshulp nodig om de Millennium Ontwikkelingsdoelen te halen. Aan vele regeringen met goede bedoelingen ontbreken de fiscale middelen om te investeren in infrastructuur, sociale voorzieningen en zelfs publieke administratie, middelen die essentieel zijn om het bestuur te verbeteren. Zonder wegen, meststoffen, elektriciteit, veilige brandstoffen om mee te koken, ziekenhuizen, scholen, adequaat en betaalbaar onderdak, zullen mensen chronisch honger blijven lijden en gebukt gaan onder ziekten. Zonder adequate lonen in de publieke sector en informatietechnologieën, blijft het overheidsmanagement zwak. Deze landen zijn niet in staat privé-investeringen aan te trekken of hooggeschoolde arbeidskrachten voor het land te behouden.

Wat moeten de ontwikkelingslanden doen om de MOD's te bereiken?

Er is een weg om de ontwikkelingsaspiraties van de wereld in 2005 recht te zetten. De aanbevelingen van het VN-Millennium Project tonen aan dat de MOD’s in arme landen gehaald kunnen worden door een gecoördineerd programma van gerichte investeringen in gezondheid, onderwijs en infrastructuur. Deze gerichte investeringen moeten worden ondersteund door verhoogde donorhulp van rijke landen en door een akkoord over handelsliberalisering in de Doha-onderhandelingen.

Een bedachtzame implementatie van de Millennium Ontwikkelingsdoelen en hun tijdsschema, impliceert een belangrijke verschuiving in de praktijk van het ontwikkelingswerk. Lageloonlanden en hun ontwikkelingspartners richten zich nu op het plannen van bescheiden uitbreidingen van sociale voorzieningen en infrastructuur. Het VN-Millennium Project adviseert in plaats daarvan een gewaagd investeringsplan van 10 jaar, dat gericht is op het bereiken van de kwantitatieve doelstellingen, die in de MOD’s zijn opgenomen. Eerder dan strategieën “om vooruitgang naar de MOD’s te versnellen”, zijn strategieën “om de MOD’s te bereiken” nodig.

Het Project adviseert een vier-stappen benadering.

  • Ten eerste zou elk land de belangrijkste aspecten van extreme armoede zo goed mogelijk in kaart moeten brengen – per regio, gemeente en geslacht - met de beschikbare gegevens.
  • Ten tweede zou ieder land, in overeenstemming met de ‘armoedekaarten’, een behoeftebeoordeling moeten uitvoeren, teneinde de specifieke openbare investeringen te identificeren, die noodzakelijk zijn om de MOD’s te bereiken.
  • Ten derde zou ieder land deze behoeftebeoordeling in het kader van een tienjarig actieplan moeten plaatsen, met inbegrip van openbare investering, overheidsmanagement en financiering.
  • Ten vierde zou ieder land een drie- tot vijfjarige armoedebestrijdingstrategie moeten uitwerken, gebaseerd op de MOD’s, in het kader van het tienjarig actieplan.

Het is essentieel dat het tienjarige actieplan en de drie- tot vijfjarige armoedebestrijdingstrategieën een strategie voor overheidsmanagement bevatten. Die managementstrategie voor de overheid moet vooral gericht zijn op transparantie, verantwoording, mensenrechten en resultaten. Als landen al een Poverty Reduction Strategy Paper (PRSP) hebben, zou dat opnieuw bekeken moeten worden, zodat het ambitieus genoeg kan worden gemaakt om de MOD’s te bereiken. Verder zou er een duidelijke strategie moeten worden uitgezet voor de privé-sector om economische groei te stimuleren, zodat op een zeker moment de landen geen ontwikkelingshulp meer nodig zouden hebben.

De internationale ontwikkelingspartners van het land -met inbegrip van de bilaterale donoren, VN-agentschappen, regionale ontwikkelingsbanken en de Bretton Woods instellingen- zouden alle mogelijke hulp, nodig voor het verwezenlijken van de op de Doelstellingen gebaseerde armoedebestrijdingstrategie, moeten verlenen. In het bijzonder zou de officiële ontwikkelingshulp vrijgevig genoeg moeten zijn om de financieringsnoden te vervullen, aangenomen dat bestuursbeperkingen geen bindende beperking vormen en dat de ontvangende landen zelf redelijke inspanningen leveren betreffende mobilisering van binnenlandse middelen.

Overeenkomstig de Monterrey Consensus, beaamt het VN Millennium Project dat de voornaamste verantwoordelijkheid voor armoedebestrijding bij de ontwikkelingslanden zelf ligt. Het bereiken van de Doelen in de armste landen echter -zij die oprecht de MOD’s aspireren- zal een beduidende toename in officiële ontwikkelingshulp vereisen. De aanbevelingen van het Project roepen alle lageinkomenslanden op tot een verhoging van hun eigen mobilisering van middelen voor de Doelen door inkomsten van de begroting te besteden aan prioriteitsinvesteringen. Daar waar binnenlandse middelen echter niet voldoen, worden de donoren opgeroepen te voldoen aan hun al lang bestaande verbintenissen om hulp beduidend op te voeren. Samengevat, het VN Millennium Project roept op tot de cofinanciering van steeds meer investeringen, die op de MOD’s gebaseerd zijn.

Wat zouden de geïndustrialiseerde landen moeten doen? Is er veel meer hulp nodig om de Millennium Ontwikkelingsdoelen te bereiken? Is kwijtschelding van schulden niet nog belangrijker?

Het Millennium Project beveelt de donorlanden niet alleen een snelle verhoging en onmiddellijke vermeerdering van hulp aan, maar ook een veel hogere kwaliteit van de hulp. Momenteel ontbreekt het veel Officiële Ontwikkelingshulp (ODA), die naar ontwikkelingslanden gaat, aan coherentie en onderlinge samenhang. Goed geïnvesteerde hulp in arme landen zou wegen, water, sanitaire voorzieningen, elektriciteit, klinieken, scholen, malaria bednetten, anti-retrovirale geneesmiddelen en andere dringende en beproefde investeringen, voor miljarden mensen met zich meebrengen. Hoewel wezenlijke verhogingen van hulp op zich niet voldoende zijn, zijn ze noodzakelijk voor landen om de MOD’s te bereiken. Net zoals ontwikkelingslanden hun verplichtingen betreffende beter bestuur moeten nakomen, moeten rijke landen de Monterrey verbintenis nakomen door “concrete inspanningen te leveren om het streefcijfer van 0.7% van het BNP als Officiële Ontwikkelingshulp (ODA) aan ontwikkelingslanden te bereiken”. Om de Doelstellingen te bereiken, moeten donoren geloofwaardige en lange-termijn verbintenissen aangaan voor een substantieel hogere Officiële Ontwikkelingshulp (ODA). De toegang tot een verhoogde financiering voor ontwikkelingslanden moet afhankelijk worden gemaakt van de kwaliteit van de op de MOD’s gebaseerde strategieën voor armoedebestrijding en van de geloofwaardige verbintenissen van de ontwikkelingslanden om de noodzakelijke hervormingen door te voeren.

Na een uitgebreide kostenanalyse tonen de aanbevelingen voor het bereiken van de MOD’s aan, dat de kost om landen te steunen om de ontwikkelingdoelen te bereiken, vereist dat donoren hun Officiële Ontwikkelingshulp (ODA) optrekken tot slechts 0.44 procent van hun BNP in 2006 en een verdere verhoging tot 0.54 procent van het BNP in 2015. Dit betekent met andere woorden, dat de helft van één procent genoeg is om de doelstellingen tegen 2015 wereldwijd te bereiken.

Het bereiken van MOD’s vereist echter een vlugge en efficiënte uitvoering van de hulpbeloften, die tijdens de Monterrey Conferentie over de Financiering van de Ontwikkeling werden gemaakt en tijdens de Top van de G8 in Evian, Frankrijk in 2003 werden herbevestigd. De onmiddellijke verordening van uitblijvende handelshervormingen en schuldkwijtschelding zijn eveneens essentieel. Het VN Millennium Project berekende, dat de MOD’s met een investering van ruwweg 0.5 procent van de economische output van de geïndustrialiseerde wereld kunnen worden bereikt. De rijke naties hebben zich principieel al lang verbonden om 0,7 procenten van hun BNP aan internationale ontwikkelingshulp te besteden. Momenteel echter besteden de belangrijkste donorlanden gemiddeld slechts 0,25 procent van hun BNP.

Vijf Europese landen besteden al 0,7 procent of meer van hun inkomsten aan hulp en nog eens zes landen hebben recent plannen en tijdschema’s aangekondigd om voor 2015 tot 0,7 procent te komen. Als de rijke landen nu doen wat ze al beloofden te doen, kunnen de Millennium Ontwikkelingsdoelen zelfs in de armste regio’s bereikt worden. Het VN Millennium Project roept bovendien op tot verregaande schuldenverlichting en het verstrekken van ‘toelagen’ in plaats van leningen. "Schuld duurzaamheid" zou opnieuw gedefinieerd moeten worden als “een schuldniveau, verenigbaar met het bereiken van de Doelstellingen”, zodat ontwikkelingslanden de MOD’s zonder bijkomende schulden in 2015 kunnen bereiken. Voor veel arme landen, die diep in de schulden zitten, zal kwijtschelding van de schulden nodig zijn. Veel andere landen met een gemiddeld inkomen die grote schulden hebben, zullen ook grotere schuldenverlichting nodig hebben dan eerder werd aangenomen. Tenslotte zullen sommige landen, die niet op de Heavily Indebted Poor Countries (HIPC) lijst staan, zoals Nigeria, een beduidende schuldkwijtschelding nodig hebben. Een logisch gevolg van dit beleid voor lage inkomenslanden is, dat huidige en toekomstige Officiële Ontwikkelingshulp (ODA) in de vorm van toelagen eerder dan van leningen zal moeten komen.

Welke rol kan handel spelen in het bereiken van de Millennium Ontwikkelingsdoelen?

Hoewel heel belangrijk, is handel niet het magische medicijn dat er voor zal zorgen dat de Millennium Ontwikkelingsdoelen worden behaald. De bekende slagzin ‘handel, geen hulp” (“trade, not aid’) is volkomen misleidend, zeker wat de armste landen betreft. Beide zijn essentieel. Handelshervormingen zijn complementair met andere onderdelen van het ontwikkelingsbeleid, zoals investeringen in de infrastructuur en sociale programma’s, gericht op de ontwikkeling van een gezonde en goed opgeleide beroepsbevolking. Zoals bepaald in Monterrey, zou een op de MOD’s gebaseerd internationaal handelsbeleid zich moeten richten op twee overkoepelende zaken:

  • Een verbeterde markttoegang en handelsvoorwaarden voor de arme landen.
  • Een verbeterd concurrentie vermogen van de aanbodzijde voor export door middel van investeringen in infrastructuur (wegen, elektriciteit, havens) en handelsfaciliteiten.

We adviseren politieke leiders om tot een akkoord te komen over een geschikte lange-termijn doelstelling (bijvoorbeeld 2025) voor de totale opheffing van barrières voor handel in koopwaar, een substantiële liberalisering van de handel in diensten en tot slot een universele bekrachtiging van de principes van non-discriminatie en reciprociteit. Op korte termijn, in de context van de Doha Ontwikkelingsagenda en de MOD’s, adviseren we dat er vóór juli 2005 (de Doha-deadline) een akkoord wordt bereikt over deze conclusies.

Volgens vele critici is in het verleden jarenlang ontwikkelingsgeld verspild en gestolen door corrupte, niet-representatieve regeringen. Waarom zou het ditmaal anders zijn?

Het VN Millennium Project erkent dat er in het verleden te vaak geld is verspild en keurt het doorsluizen van geld naar corrupte of dictatoriale regimes in plaats van echte investeringen in ontwikkeling af. Hoe dan ook, er is een gestaag toenemend aantal ontwikkelingslanden, dat hun economieën hervormt en goed bestuur aanhangt en daarbij proberen de benarde toestand van hun armste burgers te verbeteren; een onderneming, die zonder ontwikkelingshulp niet kan slagen.
Discussies over overheidsbeleid in ontwikkelingslanden verwarren doorgaans ‘inputs’ en ‘outcomes’. Er zijn twee zeer verschillende onderliggende oorzaken voor wat ‘slecht bestuur’ genoemd wordt. De ene is echt “corrupt” leiderschap, waarin kleptocratische of brute leiders de politieke macht in hun greep hebben. De staat zorgt in dat geval meestal voor het persoonlijke gewin van een kleine elite, een bepaalde belangengroep, of een specifieke etnische groep. Dergelijke regeringen hebben niet de wens om brede ontwikkelingsdoelen te bereiken en dus is er weinig hoop op een serieuze vermindering van armoede.

De tweede oorzaak van zwak overheidsbeleid is niet het slechte leiderschap, maar het ontbreken van de financiële middelen en technische capaciteit voor efficiënt openbaar bestuur. Veel van ‘s werelds armste landen leunen dichter tegen de tweede categorie aan, landen dus waar overheden de middelen niet hebben om de publieke sector efficiënt te besturen. De oplossing is in die gevallen te investeren in het verbeteren van het beleid door het promoten van de rechtsstaat, politieke en sociale rechten, een gezond economisch beleid, verantwoordelijke en efficiënte overheidsinstellingen en het steunen van de civiele maatschappij.

Verregaande, op de MOD’s gebaseerde, investeringsprogramma’s kunnen niet verhoogd worden in landen met extreem slecht bestuur. De internationale gemeenschap erkent echter dat veel landen met lage inkomens een sterk bestuur en het potentieel voor ambitieuzere investeringsprogramma’s hebben.

Voor 2005 adviseren we dat de internationale gemeenschap deze lage inkomenslanden een ‘fast track MOD status’ verleent en dat zij een aanzienlijke toename aan ontwikkelingshulp krijgen, die zij nodig hebben om de op MOD’s gebaseerde armoede reductie strategieën ten uitvoer te brengen.

Verschillende, reeds bestaande criteria zouden gebruikt kunnen worden om deze ‘fast track’ landen te helpen identificeren. Daar zijn landen bij, die het HIPC schuldenverlichtingsplan volledig behaald hebben; landen, die in aanmerking komen voor hulp van de US Millennium Challenge Corporation; landen, die zijn toegetreden tot het African Peer Review Mechanism of the New Partnership for Africa’s Development; en landen, die goede evaluaties kregen van de World Bank-IMF Joint Staff Assessment of Poverty Reduction Strategy Papers.

Contact:

Millennium Project
Erin Trowbridge,Tel: (+212) 906 6821, Mobile: (+917) 291 7974, Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.
Luis Montero, Tel: (+212) 906 5754, Mobile: (+347) 267 7237, Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.

UNDP
William Orme (New York), Tel: (+212) 906 5382, Mobile: (+917) 607 1026, Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.

Banner
Banner
Banner
Banner
Banner

Over UNRIC

Het mandaat van het Regionaal Informatiecentrum van de Verenigde Naties in Brussel bestrijkt West-Europa en UNRIC verspreidt informatie en documentatie aan landen in deze regio, waaronder België en Nederland.