Wat is het Millennium Project?
Het VN Millennium Project is een onafhankelijk adviesorgaan, aangesteld
door de Secretaris-Generaal van de VN, Kofi Annan, dat een globaal plan
moet ontwikkelen om de Millennium Ontwikkelingsdoelen (MOD’s) tegen
2015 te bereiken. Het Project wordt geleid door professor Jeffrey Sachs
van de Columbia Universiteit en is gevestigd in het hoofdkantoor van
het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP) te New York.
Het Project heeft zijn bevindingen in januari 2005 aan de Secretaris-Generaal voorgelegd. Het uitbrengen van het rapport ‘Investeren in Ontwikkeling: een Praktisch Plan om de Millennium Ontwikkelingsdoelen te Bereiken’,
is de eerste stap van een reeks initiatieven met betrekking tot de
MOD’s dit jaar, die zullen uitmonden in een belangrijke top van de
Algemene Vergadering over de MOD’s in september.
2005 Biedt de historische kans om een globaal beleid tot stand te
brengen dat nodig is om de armste landen te helpen de
ontwikkelingsdoelen te bereiken. Het rapport van het VN Millennium
Project biedt een gedetailleerde blauwdruk om dit te doen. Als de
wereld de MOD’s bereikt, zullen 500 miljoen mensen uit de armoede
gehaald zijn, zullen 250 miljoen mensen geen honger meer lijden en
zullen 30 miljoen kinderen en twee miljoen moeders, die normalerwijze
zonder hulp zouden sterven, gered worden.
Hoe ging het Millennium Project te werk?
Het VN Millennium Project rapport baseert zich op het onderzoek van
tien thematische werkgroepen, dat meer dan twee jaar overspant. Deze
werkgroepen bestaan in totaal uit 265 internationaal erkende
deskundigen en omvatten zowat alle grote namen uit de
ontwikkelingssamenwerking, zowel theoretici als mensen uit het werkveld.
Elk van deze tien werkgroepen richtte zich op ontwikkelingsthema’s van
de specifieke sectoren, die door de MOD’s worden behandeld. De
werkgroepen werden belast met het vaststellen van de belangrijkste
beperkingen, die het bereiken van de MOD’s in de weg zouden staan en
het aanbevelen van acties om te garanderen dat staten de weg zouden
volgen, die tot het bereiken van de MOD’s in 2015 leidt. Samen met ‘Investeren in Ontwikkeling: een Praktisch Plan om de Millennium Ontwikkelingsdoelen te Bereiken’
vormen de rapporten van de 13 werkgroepen de totaliteit van bevindingen
van het Millennium Project. De integrale rapporten zijn te vinden op de
website www.unmillenniumproject.org.
Wat gebeurt er na de presentatie van ‘Investeren in Ontwikkeling’?
De aanbevelingen van het VN Millennium Project vormen een belangrijke
input voor het vijfjarige voortgangsrapport van de Secretaris-Generaal
betreffende de Millenniumverklaring, dat in maart 2005 zal uitkomen.
In september 2005 zullen de wereldleiders bij de VN in New York
bijeenkomen voor een speciale top van de Algemene Vergadering, om de
implementatie van de Millenniumverklaring te bespreken. Men verwacht
dat deze bijeenkomst de ontwikkelingsagenda voor het komende decennium
zal bepalen: een agenda met de grote ambitie voor de wereld om de
Millennium Ontwikkelingsdoelen te bereiken.
Waarom concentreert het Millennium Project zijn werk rond de Millennium Ontwikkelingsdoelen?
Voor de meer dan een miljard mensen, die nog steeds in extreme armoede
leven, zijn de MOD’s een zaak van leven of dood. Extreme armoede kan
gedefinieerd worden als ‘dodelijke armoede’: het berooft mensen van de
middelen die nodig zijn om honger, ziekte en milieugevaren te
trotseren. Als mensen gebukt gaan onder extreme armoede en zelfs niet
over het schamele inkomen beschikken om in hun basisbehoeften te
voorzien, kan een enkele ziekte, droogteperiode of een plaag die de
oogst vernietigt, het verschil tussen leven en dood betekenen.
Huishoudens, die lijden onder extreme armoede, hebben vaak een
levensverwachting, die ongeveer de helft bedraagt van huishoudens in
hoge-inkomenslanden: 40 in plaats van 80 jaar. Terwijl in arme landen
meer dan 100 kinderen op 1000 voor hun vijfde levensjaar sterven,
bedraagt het sterfte cijfer in de rijke landen minder dan tien op
duizend. Een pasgeborene in Sub-Sahara Afrika heeft vandaag slechts
33.3% kans om 65 jaar oud te worden.
Op de VN Millenniumtop in september 2000 namen 189 wereldleiders
unaniem de Millenniumverklaring aan en verbonden zich als volgt: "Wij
zullen geen inspanning uit de weg gaan om onze mede mannen, vrouwen en
kinderen te bevrijden van de vernederende en onmenselijke toestand van
extreme armoede, waaraan nog steeds meer dan 1 miljard mensen zijn
onderworpen."
De Verklaring leidde tot het formuleren van acht specifieke Millennium
Ontwikkelingsdoelen, die tot stand gebracht moeten worden tussen 1990
en 2015:
1. Het halveren van de extreme armoede en honger
2. Het tot stand brengen van universeel basisonderwijs.
3. Het promoten van gelijke behandeling voor mannen en vrouwen
4. Het met tweederde reduceren van kindersterfte.
5. Het met drie kwart reduceren van kraambedsterfte.
6. Het terugbrengen van de verspreiding van HIV/AIDS, malaria en andere belangrijke ziekten.
7. Het verzekeren van een duurzaam milieu.
8. Het creëren van een globaal partnerschap voor ontwikkeling.
Zijn de Millennium Ontwikkelingsdoelen haalbaar?
Ja, indien er een doorbraak bereikt wordt in 2005. Zelfs in de armste
landen kunnen de MOD’s nog bereikt worden tegen 2015. Het rapport van
het VN Millennium Project zet uiteen wat er moet gebeuren, waar
onmiddellijke actie ondernomen zou moeten worden en hoeveel dit zou
kosten. Het onderzoek van het rapport toont aan dat de kosten om de
MOD’s te behalen ongeveer een half procent van het BNP van de
geïndustrialiseerde landen bedragen, minder zelfs dan de 0,7 procent,
die de rijke landen al beloofd hebben bij te dragen aan de armen in de
wereld. In 2003 bedroeg de totale hulp van rijke aan arme landen 69
miljard dollar - of ongeveer 0,25% van hun gezamenlijke BNP.
Op de Monterrey conferentie werd eveneens overeengekomen dat er in
ontwikkelingslanden dringend nood is aan een goed bestuur en
transparantie in de begroting. Tientallen minst ontwikkelde landen
hebben bewezen hervormingen door te voeren en zich in te zetten voor de
allerarmsten. Het VN Millennium Project pleit voor een snelle toename
van hulp aan de landen, die dringend internationale hulp nodig hebben
om de MOD’s te bereiken en die deze hulp effectief kunnen en zullen
gebruiken.
Hoe staat het tot nu toe met de vooruitgang van de MOD’s? Veel landen
oogsten de voordelen van de globalisering en liggen op schema om
tenminste enkele van de MOD’s te bereiken tegen de deadline van 2015.
Volgens schattingen van de Wereldbank nam het aantal mensen, dat in
extreme armoede leeft, tussen 1981 en 2001 af van 1,5 miljard tot 1,1
miljard (Chen en Ravallion, 2004). Verder is tussen 1990 en 2002 het
aantal gevallen van kindersterfte afgenomen van 92 op 1000 levend
geborenen per jaar tot 73. De levensverwachting is gestegen van 62,5
jaar tot bijna 64 jaar. 10% Meer mensen in ontwikkelingslanden hebben
toegang gekregen tot water en 14% meer mensen kregen toegang tot
verbeterde hygiënische voorzieningen.
Helaas is de vooruitgang op vlak van de MOD’s ver van gelijkmatig. Er
bestaan enorme verschillen tussen en binnen landen. Sommige landen
liggen op schema om de meeste, al dan niet alle, MOD’s te behalen en
vele zullen tenminste sommige van de Ontwikkelingsdoelen bereiken.
Sub-Sahara Afrika is het epicentrum van de crisis, met een voortdurende
toename van extreme armoede en een hallucinant hoge kinder- en
kraambedsterfte. Azië is de regio met de snelste vooruitgang, maar
zelfs daar blijven honderden miljoenen mensen extreem arm. Andere
regio’s boeken gemengde resultaten: in Latijns-Amerika, het Midden
Oosten en Oost-Europa was tot nu toe sprake van geen of langzame
vooruitgang wat sommige MOD’s betreft en ondermijnen hardnekkige
ongelijkheden de vooruitgang in andere Millennium Ontwikkelingsdoelen.
Wat
zijn de aanbevelingen van het Project precies? Waarin zijn de
aanbevelingen anders dan voorgaande VN-rapporten en actieplannen?
Het werk van het VN Millennium Project biedt een diepgaande en
allesomvattende analyse en aanbevelingen voor het bereiken van de
MOD’s. Het VN Millennium Project formuleert de volgende aanbevelingen:
Wat zijn “Acties met Snel Resultaat” (Quick Wins) die worden aanbevolen door het VN Millennium Project?
Ieder land moet in haar op de Doelstellingen gebaseerde
armoede-reductie-strategie de specifieke en praktische stappen, die
nodig zijn om de doelstellingen te behalen, uiteenzetten. Gelukkig zijn
deze stappen gekend. Er zijn bijvoorbeeld beproefde methodes om
zwangerschaps- en kraambedsterfte tegen te gaan, of om meisjes te
stimuleren zich in te schrijven voor het basisonderwijs en de hele
cyclus hiervan af te maken. Er bestaan beproefde methodes om de
maïsoogst in Afrika te verdriedubbelen, en om landelijke klinieken en
ziekenhuizen te voorzien van een ononderbroken elektriciteitstoevoer.
Er bestaan beproefde methoden om bebossing te doen toenemen in ontboste
gebieden. Hetzelfde geldt voor de andere doelstellingen. De werkgroepen
van het Millennium Project beschrijven deze beproefde methodes en
beleidsopties gedetailleerd in hun rapporten; het zijn dan ook
essentiële bijlagen van dit rapport.
Het is mogelijk om sommige elementen uit dit ‘pakket’ direct te
implementeren en zo in drie jaar of minder verbazingwekkende resultaten
te boeken. Hieronder staan een aantal van deze “Acties met Snel
Resultaat” (Quick Wins):
Deze “Acties met Snel Resultaat” zijn niet de enige ingrepen die nodig zijn om de MOD’s te bereiken - hieronder vallen enkel de ingrepen die onmiddellijk geïmplementeerd kunnen worden en die op korte termijn een zeer hoog potentieel bezitten om een groot impact te hebben. Andere ingrepen zijn gecompliceerder en vereisen decenniumlange inspanningen of bieden uitgestelde voordelen. De wereld kan het zich niet veroorloven nog een jaar voorbij te laten gaan zonder te investeren in deze simpele en beproefde strategieën.
Wat
zijn de lessen die getrokken kunnen worden uit de tsunamiramp in Azië
-en de stroom van overheids- en privé-hulp aan de slachtoffers?
De tsunamiramp herinnerde ons op een tragische manier aan het feit dat
de armen in de wereld bijzonder kwetsbaar zijn bij dergelijke rampen -
en dat de meerderheid van de armen in de wereld Aziaten zijn. De meeste
mensen die stierven – en de meesten die nu vechten om te overleven -
wonen in verarmde gemeenschappen aan de kust, die gedurende lange tijd
nationale en internationale hulp nodig zullen hebben bij de
wederopbouw. Doch het feit dat India en Thailand, landen die eerder
veel hulp kregen, hebben aangegeven zelf zo veel mogelijk de
wederopbouw te willen financieren, geeft aan dat landen niet gevangen
hoeven te zitten in een vicieuze cirkel van hulpbehoevendheid, maar dat
overgangshulp het zetje in de rug kan zijn om de onafhankelijkheid te
bereiken, die uiteindelijk alle ontwikkelingslanden wensen.
De zeer genereuze internationale respons op de tragedie in Azië was ook
een krachtig signaal van het feit dat burgers uit de welvarende landen
zeker welwillend zijn om de minderbedeelden in de wereld te steunen -
op voorwaarde dat ze de behoefte aan deze hulp duidelijk kunnen zien en
zeker weten dat het geld dat ze schenken als belastingsbetaler of uit
privé-liefdadigheid ook daadwerkelijk de mensen bereikt, die deze hulp
het hardst nodig hebben. De les, die uit het onderzoek van het Project
getrokken kan worden, is dat gerichte en langdurige investeringen in
essentiële sociale diensten en openbare werken, arme gemeenschappen
beter in staat stellen om dergelijke rampen te overleven. Het is om die
reden cruciaal, dat internationale noodhulp in de getroffen landen
wordt gefinancierd door extra middelen en dat deze geen fondsen of
aandacht afleidt van de doelstelling op lange termijn: armoede in alle
landen uitbannen.
Waarom
slagen er zoveel landen niet in om gelijke tred te houden met het
vooropgestelde traject voor het bereiken van de Millennium
Ontwikkelingsdoelen?
Er is geen specifieke reden waarom een bepaald land niet op schema
blijft. De dynamiek van armoedebestrijding is erg complex, met
oplossingen die veelzijdige en gecoördineerde inspanningen vereisen.
Het implementeren van deze oplossingen is nog moeilijker in landen, die
te lijden hebben onder extreme en voortdurende armoede, veroorzaakt
door conflicten of zwak bestuur. Sub-Sahara Afrika is de regio, die nog
het verst verwijderd is van de MOD’s.
De vooruitgang in het behalen van de MOD’s varieert sterk:
Waarom ligt Sub-Sahara Afrika het meest achterop op weg naar de MOD’s?
De algemene diagnose voor Sub-Sahara Afrika is dat het lijdt onder een
bestuurscrisis. Dit is echter iets te eenvoudig gesteld. Er zijn veel
delen van Afrika die, gezien het inkomensniveau en mate van armoede,
goed bestuurd worden. Het probleem is echter dat ze vastzitten in een
“armoedeval”. De ontwikkelingsuitdagingen voor deze regio gaan veel
dieper dan bestuur alleen. In veel landen is er behoefte aan een sterke
verhoging van de publieke investeringen om de hoge kosten te overwinnen
van transport, van de relatief kleine markten, van de lage
landbouwproductiviteit, van de ongunstige agroklimatologische
omstandigheden, van de hoge ziektelasten en van de langzame
verspreiding van buitenlandse technologieën.
Eén van de centrale argumenten van het VN-Millennium Project is dat
Afrika’s structurele uitdagingen overwonnen kunnen en moeten worden
door middel van een intensief programma van publieke investeringen in
basisinfrastructuur en sociale voorzieningen zoals: havens, wegen,
generatoren, malariamuskietennetten, ziekenhuizen, enzovoort. Omdat de
meeste landen in Sub-Sahara Afrika de financiële middelen voor
dergelijke investeringen niet hebben, is voor hen een aanzienlijke
verhoging van de officiële ontwikkelingshulp nodig om de Millennium
Ontwikkelingsdoelen te halen. Aan vele regeringen met goede bedoelingen
ontbreken de fiscale middelen om te investeren in infrastructuur,
sociale voorzieningen en zelfs publieke administratie, middelen die
essentieel zijn om het bestuur te verbeteren. Zonder wegen,
meststoffen, elektriciteit, veilige brandstoffen om mee te koken,
ziekenhuizen, scholen, adequaat en betaalbaar onderdak, zullen mensen
chronisch honger blijven lijden en gebukt gaan onder ziekten. Zonder
adequate lonen in de publieke sector en informatietechnologieën, blijft
het overheidsmanagement zwak. Deze landen zijn niet in staat
privé-investeringen aan te trekken of hooggeschoolde arbeidskrachten
voor het land te behouden.
Wat moeten de ontwikkelingslanden doen om de MOD's te bereiken?
Er is een weg om de ontwikkelingsaspiraties van de wereld in 2005 recht
te zetten. De aanbevelingen van het VN-Millennium Project tonen aan dat
de MOD’s in arme landen gehaald kunnen worden door een gecoördineerd
programma van gerichte investeringen in gezondheid, onderwijs en
infrastructuur. Deze gerichte investeringen moeten worden ondersteund
door verhoogde donorhulp van rijke landen en door een akkoord over
handelsliberalisering in de Doha-onderhandelingen.
Een bedachtzame implementatie van de Millennium Ontwikkelingsdoelen en
hun tijdsschema, impliceert een belangrijke verschuiving in de praktijk
van het ontwikkelingswerk. Lageloonlanden en hun ontwikkelingspartners
richten zich nu op het plannen van bescheiden uitbreidingen van sociale
voorzieningen en infrastructuur. Het VN-Millennium Project adviseert in
plaats daarvan een gewaagd investeringsplan van 10 jaar, dat gericht is
op het bereiken van de kwantitatieve doelstellingen, die in de MOD’s
zijn opgenomen. Eerder dan strategieën “om vooruitgang naar de MOD’s te
versnellen”, zijn strategieën “om de MOD’s te bereiken” nodig.
Het Project adviseert een vier-stappen benadering.
Het
is essentieel dat het tienjarige actieplan en de drie- tot vijfjarige
armoedebestrijdingstrategieën een strategie voor overheidsmanagement
bevatten. Die managementstrategie voor de overheid moet vooral gericht
zijn op transparantie, verantwoording, mensenrechten en resultaten. Als
landen al een Poverty Reduction Strategy Paper (PRSP) hebben, zou dat
opnieuw bekeken moeten worden, zodat het ambitieus genoeg kan worden
gemaakt om de MOD’s te bereiken. Verder zou er een duidelijke strategie
moeten worden uitgezet voor de privé-sector om economische groei te
stimuleren, zodat op een zeker moment de landen geen ontwikkelingshulp
meer nodig zouden hebben.
De internationale ontwikkelingspartners van het land -met inbegrip van
de bilaterale donoren, VN-agentschappen, regionale ontwikkelingsbanken
en de Bretton Woods instellingen- zouden alle mogelijke hulp, nodig
voor het verwezenlijken van de op de Doelstellingen gebaseerde
armoedebestrijdingstrategie, moeten verlenen. In het bijzonder zou de
officiële ontwikkelingshulp vrijgevig genoeg moeten zijn om de
financieringsnoden te vervullen, aangenomen dat bestuursbeperkingen
geen bindende beperking vormen en dat de ontvangende landen zelf
redelijke inspanningen leveren betreffende mobilisering van
binnenlandse middelen.
Overeenkomstig de Monterrey Consensus, beaamt het VN Millennium Project
dat de voornaamste verantwoordelijkheid voor armoedebestrijding bij de
ontwikkelingslanden zelf ligt. Het bereiken van de Doelen in de armste
landen echter -zij die oprecht de MOD’s aspireren- zal een beduidende
toename in officiële ontwikkelingshulp vereisen. De aanbevelingen van
het Project roepen alle lageinkomenslanden op tot een verhoging van hun
eigen mobilisering van middelen voor de Doelen door inkomsten van de
begroting te besteden aan prioriteitsinvesteringen. Daar waar
binnenlandse middelen echter niet voldoen, worden de donoren opgeroepen
te voldoen aan hun al lang bestaande verbintenissen om hulp beduidend
op te voeren. Samengevat, het VN Millennium Project roept op tot de
cofinanciering van steeds meer investeringen, die op de MOD’s gebaseerd
zijn.
Wat
zouden de geïndustrialiseerde landen moeten doen? Is er veel meer hulp
nodig om de Millennium Ontwikkelingsdoelen te bereiken? Is
kwijtschelding van schulden niet nog belangrijker?
Het Millennium Project beveelt de donorlanden niet alleen een snelle
verhoging en onmiddellijke vermeerdering van hulp aan, maar ook een
veel hogere kwaliteit van de hulp. Momenteel ontbreekt het veel
Officiële Ontwikkelingshulp (ODA), die naar ontwikkelingslanden gaat,
aan coherentie en onderlinge samenhang. Goed geïnvesteerde hulp in arme
landen zou wegen, water, sanitaire voorzieningen, elektriciteit,
klinieken, scholen, malaria bednetten, anti-retrovirale geneesmiddelen
en andere dringende en beproefde investeringen, voor miljarden mensen
met zich meebrengen. Hoewel wezenlijke verhogingen van hulp op zich
niet voldoende zijn, zijn ze noodzakelijk voor landen om de MOD’s te
bereiken. Net zoals ontwikkelingslanden hun verplichtingen betreffende
beter bestuur moeten nakomen, moeten rijke landen de Monterrey
verbintenis nakomen door “concrete inspanningen te leveren om het
streefcijfer van 0.7% van het BNP als Officiële Ontwikkelingshulp (ODA)
aan ontwikkelingslanden te bereiken”. Om de Doelstellingen te bereiken,
moeten donoren geloofwaardige en lange-termijn verbintenissen aangaan
voor een substantieel hogere Officiële Ontwikkelingshulp (ODA). De
toegang tot een verhoogde financiering voor ontwikkelingslanden moet
afhankelijk worden gemaakt van de kwaliteit van de op de MOD’s
gebaseerde strategieën voor armoedebestrijding en van de geloofwaardige
verbintenissen van de ontwikkelingslanden om de noodzakelijke
hervormingen door te voeren.
Na een uitgebreide kostenanalyse tonen de aanbevelingen voor het
bereiken van de MOD’s aan, dat de kost om landen te steunen om de
ontwikkelingdoelen te bereiken, vereist dat donoren hun Officiële
Ontwikkelingshulp (ODA) optrekken tot slechts 0.44 procent van hun BNP
in 2006 en een verdere verhoging tot 0.54 procent van het BNP in 2015.
Dit betekent met andere woorden, dat de helft van één procent genoeg is
om de doelstellingen tegen 2015 wereldwijd te bereiken.
Het bereiken van MOD’s vereist echter een vlugge en efficiënte
uitvoering van de hulpbeloften, die tijdens de Monterrey Conferentie
over de Financiering van de Ontwikkeling werden gemaakt en tijdens de
Top van de G8 in Evian, Frankrijk in 2003 werden herbevestigd. De
onmiddellijke verordening van uitblijvende handelshervormingen en
schuldkwijtschelding zijn eveneens essentieel. Het VN Millennium
Project berekende, dat de MOD’s met een investering van ruwweg 0.5
procent van de economische output van de geïndustrialiseerde wereld
kunnen worden bereikt. De rijke naties hebben zich principieel al lang
verbonden om 0,7 procenten van hun BNP aan internationale
ontwikkelingshulp te besteden. Momenteel echter besteden de
belangrijkste donorlanden gemiddeld slechts 0,25 procent van hun BNP.
Vijf Europese landen besteden al 0,7 procent of meer van hun inkomsten
aan hulp en nog eens zes landen hebben recent plannen en tijdschema’s
aangekondigd om voor 2015 tot 0,7 procent te komen. Als de rijke landen
nu doen wat ze al beloofden te doen, kunnen de Millennium
Ontwikkelingsdoelen zelfs in de armste regio’s bereikt worden. Het VN
Millennium Project roept bovendien op tot verregaande
schuldenverlichting en het verstrekken van ‘toelagen’ in plaats van
leningen. "Schuld duurzaamheid"
zou opnieuw gedefinieerd moeten worden als “een schuldniveau,
verenigbaar met het bereiken van de Doelstellingen”, zodat
ontwikkelingslanden de MOD’s zonder bijkomende schulden in 2015 kunnen
bereiken. Voor veel arme landen, die diep in de schulden zitten, zal
kwijtschelding van de schulden nodig zijn. Veel andere landen met een
gemiddeld inkomen die grote schulden hebben, zullen ook grotere
schuldenverlichting nodig hebben dan eerder werd aangenomen. Tenslotte
zullen sommige landen, die niet op de Heavily Indebted Poor Countries
(HIPC) lijst staan, zoals Nigeria, een beduidende schuldkwijtschelding
nodig hebben. Een logisch gevolg van dit beleid voor lage
inkomenslanden is, dat huidige en toekomstige Officiële
Ontwikkelingshulp (ODA) in de vorm van toelagen eerder dan van leningen
zal moeten komen.
Welke rol kan handel spelen in het bereiken van de Millennium Ontwikkelingsdoelen?
Hoewel heel belangrijk, is handel niet het magische medicijn dat er
voor zal zorgen dat de Millennium Ontwikkelingsdoelen worden behaald.
De bekende slagzin ‘handel, geen hulp” (“trade, not aid’) is volkomen
misleidend, zeker wat de armste landen betreft. Beide zijn essentieel.
Handelshervormingen zijn complementair met andere onderdelen van het
ontwikkelingsbeleid, zoals investeringen in de infrastructuur en
sociale programma’s, gericht op de ontwikkeling van een gezonde en goed
opgeleide beroepsbevolking. Zoals bepaald in Monterrey, zou een op de
MOD’s gebaseerd internationaal handelsbeleid zich moeten richten op
twee overkoepelende zaken:
We adviseren politieke leiders om tot een akkoord te komen over een geschikte lange-termijn doelstelling (bijvoorbeeld 2025) voor de totale opheffing van barrières voor handel in koopwaar, een substantiële liberalisering van de handel in diensten en tot slot een universele bekrachtiging van de principes van non-discriminatie en reciprociteit. Op korte termijn, in de context van de Doha Ontwikkelingsagenda en de MOD’s, adviseren we dat er vóór juli 2005 (de Doha-deadline) een akkoord wordt bereikt over deze conclusies.
Volgens
vele critici is in het verleden jarenlang ontwikkelingsgeld verspild en
gestolen door corrupte, niet-representatieve regeringen. Waarom zou het
ditmaal anders zijn?
Het VN Millennium Project erkent dat er in het verleden te vaak geld is
verspild en keurt het doorsluizen van geld naar corrupte of
dictatoriale regimes in plaats van echte investeringen in ontwikkeling
af. Hoe dan ook, er is een gestaag toenemend aantal
ontwikkelingslanden, dat hun economieën hervormt en goed bestuur
aanhangt en daarbij proberen de benarde toestand van hun armste burgers
te verbeteren; een onderneming, die zonder ontwikkelingshulp niet kan
slagen.
Discussies over
overheidsbeleid in ontwikkelingslanden verwarren doorgaans ‘inputs’ en
‘outcomes’. Er zijn twee zeer verschillende onderliggende oorzaken voor
wat ‘slecht bestuur’ genoemd wordt. De ene is echt “corrupt”
leiderschap, waarin kleptocratische of brute leiders de politieke macht
in hun greep hebben. De staat zorgt in dat geval meestal voor het
persoonlijke gewin van een kleine elite, een bepaalde belangengroep, of
een specifieke etnische groep. Dergelijke regeringen hebben niet de
wens om brede ontwikkelingsdoelen te bereiken en dus is er weinig hoop
op een serieuze vermindering van armoede.
De tweede oorzaak van zwak overheidsbeleid is niet het slechte
leiderschap, maar het ontbreken van de financiële middelen en
technische capaciteit voor efficiënt openbaar bestuur. Veel van ‘s
werelds armste landen leunen dichter tegen de tweede categorie aan,
landen dus waar overheden de middelen niet hebben om de publieke sector
efficiënt te besturen. De oplossing is in die gevallen te investeren in
het verbeteren van het beleid door het promoten van de rechtsstaat,
politieke en sociale rechten, een gezond economisch beleid,
verantwoordelijke en efficiënte overheidsinstellingen en het steunen
van de civiele maatschappij.
Verregaande, op de MOD’s gebaseerde, investeringsprogramma’s kunnen
niet verhoogd worden in landen met extreem slecht bestuur. De
internationale gemeenschap erkent echter dat veel landen met lage
inkomens een sterk bestuur en het potentieel voor ambitieuzere
investeringsprogramma’s hebben.
Voor 2005 adviseren we dat de internationale gemeenschap deze lage
inkomenslanden een ‘fast track MOD status’ verleent en dat zij een
aanzienlijke toename aan ontwikkelingshulp krijgen, die zij nodig
hebben om de op MOD’s gebaseerde armoede reductie strategieën ten
uitvoer te brengen.
Verschillende, reeds bestaande criteria zouden gebruikt kunnen worden
om deze ‘fast track’ landen te helpen identificeren. Daar zijn landen
bij, die het HIPC schuldenverlichtingsplan volledig behaald hebben;
landen, die in aanmerking komen voor hulp van de US Millennium
Challenge Corporation; landen, die zijn toegetreden tot het African
Peer Review Mechanism of the New Partnership for Africa’s Development;
en landen, die goede evaluaties kregen van de World Bank-IMF Joint
Staff Assessment of Poverty Reduction Strategy Papers.
Millennium Project
Erin Trowbridge,Tel: (+212) 906 6821, Mobile: (+917) 291 7974,
Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.
Luis Montero, Tel: (+212) 906 5754, Mobile: (+347) 267 7237,
Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.
UNDP
William Orme (New York), Tel: (+212) 906 5382, Mobile: (+917) 607 1026,
Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.
Regionaal Informatiecentrum van de Verenigde Naties (UNRIC)
Residence Palace, Wetstraat 155, Block C2, Brussel 1040, België
Tel.: +32 2 788 8484 / Fax: 32 2 788 8485