dinsdag, 29 juli 2014
UNRIC logo - Nederlands

VN in jouw taal

Het verdrag in het kort

Internationaal verdrag voor de rechten van personen met een handicap

Het verdrag in het kort

‘Het bestaande stelsel van mensenrechten was evenzeer bedoeld om de rechten van personen met een handicap te bevorderen en te beschermen,’ zei Louise Arbour, Mensenrechtencommissaris van de VN, ‘maar de bestaande normen en controlemechanismen slagen er niet in om toereikende bescherming te bieden in het specifieke geval van personen met een handicap. Het is hoog tijd dat de VN deze tekortkoming verhelpt.’

Ambassadeur Don MacKay (Nieuw-Zeeland), voorzitter van het ad hoc-comité dat onderhandelt over de verdragtekst, stelde: ‘Velen zeggen dat de rechten van personen met een handicap al zijn gewaarborgd in bestaande mensenrechtenafspraken, maar de realiteit toont dat personen met een handicap vaak van die rechten verstoken zijn [...] Het verdrag streeft ernaar om de rechten van personen met een handicap op detailniveau uit te werken en om een formule voor de tenuitvoerlegging ervan aan te reiken.’

Hieronder volgt een kort overzicht van de voornaamste verdragsbepalingen.

Landen die zich verbonden verklaren aan het verdrag, nemen de verplichting op zich om beleid, wetgeving en bestuurlijke maatregelen te ontwikkelen en uit te voeren, om de rechten te borgen die het verdrag erkent, en om wetten, regels, gewoonten en handelwijzen die discriminatie behelzen, af te schaffen (Artikel 4).

Daar een verandering van perceptie van wezenlijk belang is om de situatie van personen met een handicap te verbeteren, zijn ratificerende landen ertoe gehouden om stereotiepe opvattingen en vooroordelen te bestrijden, en te streven naar bewustwording betreffende de vaardigheden van personen met een handicap en hun bijdrage aan de samenleving (Artikel 8).

Landen moeten garanderen dat personen met een handicap op voet van gelijkwaardigheid met anderen hun onvervreemdbare recht op leven genieten (Artikel 10) en voorts dienen ze in te staan voor gelijke rechten en bevordering van vrouwen en meisjes met een handicap (Artikel 6) en kinderen met een handicap te beschermen (Artikel 7).

Kinderen met een handicap moeten gelijke rechten hebben, mogen niet tegen hun wil gescheiden worden van hun ouders – tenzij het bevoegde gezag bepaalt dat zulks de belangen van het kind dient – en in geen geval mag een kind worden gescheiden van zijn ouders op grond van een handicap, hetzij bij het kind, hetzij bij de ouders (Artikel 23).

Landen moeten erkennen dat alle personen gelijk zijn voor de wet. Ze moeten discriminatie op grond van een handicap verbieden en garanderen dat personen met een handicap gelijke wettelijke bescherming genieten (Artikel 5).

Landen dienen derhalve het gelijke recht op eigendom – en het erven ervan – te verzekeren; het recht op het beheren van financiële zaken te borgen; en erop toe te zien dat personen met een handicap op gelijkwaardige basis bankleningen, kredieten en hypotheken kunnen aangaan (Artikel 12). Ze dienen ervoor in te staan dat personen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen toegang hebben tot het rechtssysteem (Artikel 13) en dat deze personen evenzeer het recht op vrijheid en veiligheid genieten en niet onrechtmatig of willekeurig van hun vrijheid worden beroofd (Artikel 14).

Landen moeten vrijwaring van foltering of anderszins wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of straffen waarborgen, en een verbod instellen op medische of wetenschappelijke experimenten zonder de instemming van de betrokken persoon (Artikel 15), alsmede een verbod op onder dwang gepleegde ingrepen of plaatsing in een inrichting (Artikel 17).

Wetten en maatregelen van bestuur dienen vrijwaring van uitbuiting, geweld en misbruik te garanderen. In gevallen van mishandeling moeten landen zich inspannen voor het lichamelijk en psychologisch herstel en voor de revalidatie en reïntegratie van het slachtoffer, en een onderzoek instellen naar de mishandeling (Artikel 16).

Personen met een handicap mogen niet worden onderworpen aan willekeurige of onrechtmatige bemoeienis met hun persoonlijke levenssfeer, familieaangelegenheden, huisvesting, briefwisseling en andere vormen van communicatie. De vertrouwelijkheid van informatie over hun persoon en hun gezondheid dient te worden beschermd op dezelfde basis als die van anderen (Artikel 22).

Wat betreft het fundamentele thema van toegankelijkheid (Artikel 9) eist het verdrag van landen dat ze fysieke hinderpalen en andere belemmeringen inventariseren en opheffen, en dat ze ervoor instaan dat personen met een handicap adequate toegang hebben tot hun woonomgeving, vervoer, openbare gebouwen en dienstverlening, en tot informatie en communicatiemiddelen.

Personen met een handicap moeten de keuze hebben om zelfstandig te wonen, om actief deel uit te maken van hun gemeenschap, om zelf te bepalen waar en met wie ze willen wonen en ze dienen toegang te hebben tot ondersteuning in de vorm van thuiszorg of zorg verstrekt door instellingen of openbare diensten (Artikel 19). Persoonlijke mobiliteit en de grootst mogelijke zelfstandigheid dienen te worden bevorderd door faciliteiten te bieden voor betaalbare persoonlijke mobiliteit, door begeleiding te voorzien bij het aanleren van vaardigheden rond mobiliteit en door hen mobiliteitbevorderende hulpmiddelen, aangepaste technologieën en begeleiding door derden ter beschikking te stellen (Artikel 20).

Landen zijn gehouden het recht op een adequate levensstandaard en maatschappelijke opvang te bevorderen, met inbegrip van gesubsidieerde huisvesting, openbare dienstverlening en ondersteuning bij handicapgerelateerde behoeften, en, in geval van armoede, tegemoetkomingen in de kosten verbonden aan die behoeften (Artikel 28).

Landen moeten de toegankelijkheid van informatie bevorderen door informatie ter attentie van het brede publiek aan te bieden in toegankelijke communicatievormen of -technologieën, door het gebruik van braille, gebarentaal en andere communicatiemethoden te bevorderen, en door de media en internetdienstverleners aan te moedigen om online-informatie beschikbaar te stellen in toegankelijke vormen (Artikel 21).

Discriminatie ten aanzien van het huwelijk, familiebanden of persoonlijke betrekkingen moet worden uitgebannen. Personen met een handicap dienen dezelfde mogelijkheden te hebben wat betreft het aangaan van seksuele en intieme relaties, de keuze voor het ouderschap, het huwelijk en stichten van een gezin. Ook dienen zij zelf te beslissen over het aantal kinderen en over de tijdspanne tussen geboorten, en moet hun toegang worden geboden tot educatie en middelen met betrekking tot voortplanting en gezinsplanning. Voorts moeten zij ten aanzien van kinderen gelijke rechten en verantwoordelijkheden kunnen laten gelden wat betreft voogdij, hoederecht, zaakwaarneming en adoptie (Artikel 23).

Staten dienen in te staan voor gelijke toegang tot onderwijs, beroepsopleidingen, volwasseneneducatie en programma’s voor levenslang leren. Het onderwijs moet zich bedienen van geschikte leermiddelen, onderwijsmethoden en communicatievormen. Voor leerlingen die begeleiding behoeven, dienen de nodige maatregelen te worden getroffen, en leerlingen die blind of doof zijn moeten onderwijs genieten met behulp van de meest geschikte communicatiemiddelen, toegepast door docenten met een volmaakte beheersing van gebarentaal of braille. Onderwijs van personen met een handicap dient hun betrokkenheid in de samenleving te bevorderen, evenals hun gevoel van eigenwaarde en een positief zelfbeeld, en daarbij de ontwikkeling van hun potentieel, persoonlijkheid, creativiteit en vaardigheden te stimuleren (Artikel 24).

Artikel 25 bepaalt dat personen met een handicap recht hebben op de hoogst haalbare gezondheidskwaliteit, zonder discriminatie op basis van hun handicap. Ze dienen hetzelfde aanbod, dezelfde kwaliteit en hetzelfde niveau van gratis of betaalbare gezondheidszorg te ontvangen die ook andere personen krijgen, de zorg te krijgen die hun handicap behoeft en niet te worden gediscrimineerd bij het afsluiten van een zorgverzekering.

Om personen met een handicap in staat te stellen maximale zelfstandigheid te bereiken en optimaal gebruik te maken van hun mogelijkheden op lichamelijk, verstandelijk, maatschappelijk en professioneel vlak, moeten landen voorzien in een allesomvattende dienstverlening qua (her)integratie en revalidatie op het gebied van gezondheidszorg, werkgelegenheid en onderwijs (Artikel 26).

Artikel 27 bepaalt dat personen met een handicap gelijke rechten hebben op werkgelegenheid en het zich verzekeren van een inkomen. Landen moeten discriminatie bij arbeidsgebonden aangelegenheden verbieden, ondernemerschap en het starten van een eigen bedrijf of eenmansactiviteit stimuleren, personen met een handicap aannemen in overheidsdienst, hun werkgelegenheid in de particuliere sector bevorderen, en erop toezien dat hun werkplek in de mate van het redelijke is aangepast aan hun behoeften.

Landen dienen in te staan voor gelijkwaardige deelname aan het politieke en openbare leven, met inbegrip van actief en passief stemrecht en het recht een openbaar ambt te bekleden (Artikel 29).

Landen moeten de deelname aan het culturele leven – waaronder ook recreatie, vrijetijdsbesteding en sport zijn begrepen – bevorderen door ervoor in te staan dat tv-programma’s, filmvoorstellingen, theateroptredens en materiële cultuurdragers ook worden aangeboden in voor hen toegankelijke vormen, door theaters, musea, bioscopen en bibliotheken toegankelijk te maken, en door de garantie te bieden dat personen met een handicap de gelegenheid krijgen om hun creatieve potentieel te ontwikkelen en te benutten, niet alleen ten bate van zichzelf, maar ook ter verrijking van de samenleving (Artikel 30).

Krachtens Artikel 32 zijn landen gehouden om door middel van internationale samenwerking en ontwikkelingshulp steun te verlenen bij de inspanningen die ontwikkelingslanden zich getroosten om het verdrag in de praktijk te brengen.

Om zich te verzekeren van implementatie van en toezicht op het verdrag moeten landen op regeringsniveau een specifieke instantie aanwijzen en een onafhankelijk nationaal mechanisme in het leven roepen om de tenuitvoerlegging van het verdrag te bevorderen en te bewaken (Artikel 33).


Raadpleeg voor nadere informatie www.un.org/esa/socdev/enable of neem contact op met Edoardo Bellando van het Departement voor Publieksinformatie, telefonisch (+1 212 963 8275) of per e-mail ( Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien. ).
Banner
Banner
Banner
Banner
Banner

Over UNRIC

Het mandaat van het Regionaal Informatiecentrum van de Verenigde Naties in Brussel bestrijkt West-Europa en UNRIC verspreidt informatie en documentatie aan landen in deze regio, waaronder België en Nederland.