“SAMEN
VERANTWOORDELIJK VOOR EEN VEILIGERE WERELD”
Verslag
van het High-level Panel on Threats, Challenges and Change
Werkgroep van prominenten voor onderzoek naar bedreigingen,
uitdagingen en veranderingen
SAMENVATTING
SAMEN
VERANTWOORDELIJK VOOR EEN VEILIGERE WERELD!
In zijn toespraak voor de Algemene Vergadering in september 2003 waarschuwde
Kofi Annan, Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, de Lidstaten
dat de VN is aangekomen bij een tweesprong. Of de Organisatie aanvaardt
de uitdaging om adequaat te reageren op nieuwe bedreigingen óf
zij riskeert uitholling als gevolg van de toenemende onenigheid tussen
staten en van eenzijdig door hen ondernomen actie. In dat verband heeft
Annan besloten tot de vorming van het ‘High-level Panel on Threats,
Challenges en Change’ – de Werkgroep van prominenten voor
onderzoek naar bedreigingen, uitdagingen en veranderingen – belast
met het aandragen van nieuwe ideeën betreffende het beleid en de
instellingen, die de VN nodig heeft om doeltreffend te kunnen optreden
in de 21ste eeuw.
In zijn rapport presenteert het High-level Panel een resoluut nieuwe
visie op de collectieve veiligheid in de 21ste eeuw. Wij leven in een
wereld van nieuwe, steeds maar evoluerende bedreigingen; bedreigingen
die de VN niet had kunnen voorzien toen de organisatie in 1945 werd
opgericht: gevaren als nucleair terrorisme en de ineenstorting van staten
door de funeste cocktail van armoede, ziekte en burgeroorlog.
In de wereld van vandaag is een bedreiging aan het adres van de een,
een bedreiging voor allen. Mondialisering impliceert dat een grootschalige
terroristische aanval, waar ook in de geïndustrialiseerde wereld,
verwoestende gevolgen heeft voor het welzijn van miljoenen mensen in
de ontwikkelingslanden. Eender wie van de 700 miljoen mensen die jaarlijks
per vliegtuig reizen, kan zonder het zelf te weten de drager zijn van
een dodelijke infectieziekte. En de uitholling van het gezag van staten
overal ter wereld betekent een verzwakking van hun weerbaarheid tegen
grensoverschrijdende bedreigingen als terrorisme en georganiseerde criminaliteit.
Elke staat is voor zijn veiligheid aangewezen op internationale samenwerking.
De bedreigingen waarvoor de wereld nu en in de komende decennia staat,
zijn onder te brengen in zes categorieën:
Het
goede nieuws is dat de Verenigde Naties en onze gezamenlijke veiligheidsinstanties
hebben bewezen effectief te kunnen zijn. In de afgelopen 15 jaar zijn
meer burgeroorlogen beëindigd aan de onderhandelingstafel dan in
de voorbije tweehonderd jaar. In de jaren zestig waren velen van mening
dat aan het begin van de 21ste eeuw vijftien tot vijfentwintig staten
in het bezit zouden zijn van kernwapens. Het Nucleair Non-proliferatieverdrag
heeft dit echter helpen voorkomen. De Wereldgezondheids- organisatie
(WHO) heeft er toe bijgedragen dat de verspreiding van SARS kon worden
gestopt, vóórdat deze ziekte vele tienduizenden slachtoffers
heeft kunnen maken.
Maar die resultaten zijn omkeerbaar. En het reële gevaar dreigt
dat dit ook geschiedt als wij niet snel werken aan een versterking van
de Verenigde Naties. Alleen dan zal de organisatie in de toekomst een
doeltreffend antwoord kunnen bieden op alle bedreigingen waarvoor de
wereld staat.

Preventiebeleid
Willen wij adequaat de strijd aangaan met de bedreigingen van vandaag,
dan zullen wij preventie ernstig moeten nemen. Want als de wereld latente
bedreigingen de kans geeft om manifest te worden – of toelaat
dat bestaande bedreigingen verder om zich heen grijpen – dan zijn
de gevolgen daarvan eenvoudigweg te verwoestend.
Ontwikkeling is de eerste verdedigingslijn om te komen tot een collectief
veiligheidssysteem dat ernst maakt met preventie. Armoedebestrijding
redt niet alleen miljoenen levens, maar vergroot ook de capaciteit van
staten om terrorisme, georganiseerde criminaliteit en proliferatie tegen
te gaan. Ontwikkeling leidt tot meer veiligheid voor iedereen. Er bestaat
een breed gedragen internationaal raamwerk van methoden om die doelen
te bereiken, neergelegd in de Millenniumverklaring en in de Monterrey
Consensus, maar de tenuitvoerlegging komt onvoldoende op gang.
Biologische veiligheid moet de speerpunt van het preventiebeleid vormen.
De internationale respons op HIV/AIDS kwam ontstellend laat en met beschamend
geringe middelen. Het is een zaak van opperste urgentie dat de wereld
deze pandemie een halt toeroept en werkt aan haar uitbanning. Maar we
zullen meer moeten doen. Wereldwijd is ons gezondheidsstelsel verslechterd
en onvoldoende toegerust om ons te vrijwaren van bestaande en nieuwe
dodelijke infectieziekten. Het rapport pleit voor een grootschalig initiatief
om de slagkracht van de gezondheidszorg in de ontwikkelingswereld te
vergroten, zowel op lokaal als nationaal niveau. Niet alleen zal een
dergelijke versterking rechtstreeks effect sorteren met de preventie
en behandeling van ziekten in de ontwikkelingslanden zelf, ook wordt
langs die weg de basis gelegd voor een doeltreffende mondiale verdediging
tegen bioterrorisme en tegen het verpletterende natuurlijke uitbreken
van besmettelijke ziekten.
Oorlogen binnen en tussen staten voorkomen is evenzeer in ons aller
belang. Willen wij op dat punt beter presteren, dan is de VN dringend
toe aan een verruiming van haar capaciteit op het vlak van preventieve
diplomatie en bemiddeling. Wij moeten ons laten inspireren door de successen
van regionale organisaties bij het ontwikkelen van krachtige regels
om regeringen te behoeden voor ongrondwettelijke omverwerping en om
de rechten van minderheden te beschermen. Ook moeten wij ons gezamenlijk
inspannen om nieuwe methoden te vinden voor het beheren van natuurlijke
hulpbronnen; te vaak dient de wedijver om hun bezit als brandstof van
conflicten.
Het tegengaan van de verspreiding en het gebruik van nucleaire, biologische
en chemische wapens is van essentieel belang om te komen tot een veiliger
wereld. Dat betekent dat we ons actiever moeten inspannen om de vraag
naar die wapens terug te dringen en vergt ook een streng toezicht op
de aanvoerlijnen van potentiële grondstoffen voor hun aanmaak.
Deze taak impliceert voorts de inachtneming van bestaande verdragsverplichtingen,
met inbegrip van onderhandelingen over ontwapening, en een scherper
toezicht op de naleving van internationale afspraken. Het rapport oppert
specifieke aanbevelingen om maatregelen te treffen die staten aanmoedigen
en belonen om binnen de landsgrenzen af te zien van de ontwikkeling
van fabrieken voor de verrijking en opwerking van uranium. Het rapport
roept in dat licht ook op tot onderhandelingen over een nieuwe regeling
die erin voorziet dat het International Atoomenergie Agentschap (IAEA)
gaat optreden als borg voor de aanlevering van marktconform geprijsde
splijtstof aan producenten van kernenergie voor niet-militaire doeleinden.
Ook doet het rapport een beroep op regeringen om een vrijwillig, in
tijd beperkt moratorium in stellen op de bouw van nieuwe fabrieken voor
het verrijken en opwerken van uranium, dat gekoppeld aan een gegarandeerde
toelevering van splijtstof door huidige leveranciers.
Terrorisme vormt een bedreiging voor alle staten en voor de VN als geheel.
Nieuwe aspecten van die bedreiging – zoals de opmars van wereldwijd
opererende terroristische netwerken en de mogelijke inzet door terroristen
van nucleaire, biologische of chemische wapens – vereisen ook
nieuwe antwoorden. De VN heeft in dat opzicht nog niet alles gedaan
wat in haar vermogen ligt. Het rapport roept de Verenigde Naties op
een strategie tegen terrorisme te formuleren, met inachtneming van het
recht in het algemeen en de mensenrechten in het bijzonder. Een dergelijke
strategie moet wanneer nodig dwangmaatregelen kunnen toepassen en nieuwe
instrumenten aanreiken om staten te helpen binnenslands terroristische
dreiging te bestrijden. Het rapport geeft een duidelijke definitie van
het begrip terrorisme, waarbij het stelt dat terrorisme nooit gerechtvaardigd
kan zijn, en roept de Algemene Vergadering van de VN op haar onderlinge
verdeeldheid te overwinnen en eindelijk overeenstemming te bereiken
over een allesomvattend verdrag betreffende terrorisme.
De verbreiding van de grensoverschrijdende georganiseerde misdaad vergroot
het risico van alle andere bedreigingen. Terroristen bedienen zich van
misdaadsyndicaten om wereldwijd geld, mensen en materiaal te versluizen.
Regeringen en rebellen verkopen natuurlijke hulpbronnen via criminele
groeperingen om oorlogen te financieren. Het vermogen van staten om
orde en recht te handhaven wordt ondermijnd door corruptie. Het bestrijden
van de georganiseerde misdaad is onontbeerlijk om staten te helpen hun
soevereiniteit te handhaven en om strijd te leveren tegen de afschuwelijke
mensenhandel.

Reageren
op bedreigingen
Natuurlijk kan preventie falen. Soms zal met militaire middelen moeten
worden opgetreden tegen bedreigingen. Het Handvest van de VN voorziet
in een duidelijk kader betreffende het gebruik van geweld. Staten hebben
een onvervreemdbaar recht op zelfverdediging, neergelegd in artikel
51. Van oudsher stelt het internationaal gewoonterecht dat staten militaire
actie mogen ondernemen indien en zolang er sprake is van een acute aanvalsdreiging,
indien die dreiging niet met andere middelen is af te wenden en mits
het optreden zelf evenredig is. De Veiligheidsraad is bekleed met het
gezag om preventief op te treden, maar heeft dat zelden gedaan. De Veiligheidsraad
zal zich terdege moeten opmaken om in de toekomst proactiever te handelen,
mogelijk zal hij al in een vroeger stadium moeten overgaan tot adequate
actie. Staten die vrezen voor nakende bedreigingen hebben de plicht
hun bezorgdheid voor te leggen aan de Veiligheidsraad.
Het rapport onderschrijft de in wording zijnde regels betreffende de
verantwoordelijkheid om burgerbevolkingen te vrijwaren van grootschalig
geweld – een verantwoordelijkheid die in allereerste instantie
de nationale overheden toevalt. Wanneer een staat niet in staat is zijn
onderdanen te beschermen, berust de verantwoordelijkheid om op te treden
echter bij de internationale gemeenschap – in de vorm van humanitaire
acties, delegaties van toezichthouders of diplomatieke druk, of indien
nodig met geweld als allerlaatste redmiddel. Ontstaat er een conflict
of wordt er geweld gebruikt, dan impliceert dat eveneens dat de internationale
gemeenschap de onmiskenbare plicht heeft om verwoeste samenlevingen
weer op te bouwen.
De inzet van militaire middelen – zowel bij het handhaven als
bij het bewerkstelligen van vrede – is een waardevolle optie gebleken
bij het beëindigen van oorlogen en bij het bewaren van vrede in
staten na een conflict. Maar wereldwijd neemt de toevoer van beschikbare
vredeshandhavers tot een gevaarlijk laag peil af. Alleen een degelijke
vredeshandhaving in het kader van nu woedende conflicten zou wereldwijd
al bijna een verdubbeling van het aantal vredestroepen vergen. Op de
ontwikkelde staten rust de bijzondere verantwoordelijkheid om méér
te doen voor het omvormen van hun legers tot voor vredesoperaties geschikte
eenheden. Willen wij de voor ons liggende uitdagingen aangaan, dan zullen
meer staten contingenten paraat moeten houden voor VN-taken en zullen
zij ook luchttransport en andere strategische ondersteuning beschikbaar
moeten houden voor vredesoperaties.
Wanneer een oorlog voorbij is, is de “postconflict vredesopbouw”
van vitaal belang. De VN heeft vaak te weinig aandacht en te weinig
middelen besteed aan deze essentiële taak. Met succes bouwen aan
vrede vereist de inzet van vredeshandhavers met de juiste mandaten en
voldoende mogelijkheden om het optreden van vredessaboteurs af te schrikken.
Daarnaast moet op de begrotingen voor vredesoperaties geld gereserveerd
worden voor demobilisatie en ontwapening en dient er een nieuw trustfonds
te komen om gevaarlijke lacunes in de revalidatie en herintegratie van
oud strijders te compenseren en om de eerste taken in het kader van
de wederopbouw te bekostigen. Bijzondere aandacht dient voorts te gaan
naar de opzet van overheidsinstellingen en naar het bevorderen van hun
slagkracht, vooral op het vlak van politie en justitie. Dat werk met
succes verrichten zou een kerntaak van de VN moeten zijn.

Een
VN afgestemd op de 21ste eeuw
Om deze uitdagingen te kunnen aangaan, moeten de bestaande VN-instellingen
beter gaan werken. Dit betekent dat er nieuwe vitaliteit moet gaan heersen
in de Algemene Vergadering en de Economische en Sociale Raad om te verzekeren
dat deze organen de hun toegekende rol adequaat vervullen en dat de
Mensenrechtencommissie haar geloofwaardigheid moet herstellen.
Ook betekent een en ander dat de Veiligheidsraad geloofwaardiger en
doeltreffender moet worden door te bewerkstelligen dat de samenstelling
van de Raad een betere afspiegeling is van de hedendaagse realiteit.
Het rapport oppert een aantal uitgangspunten bij een dergelijke hervorming
en reikt twee modellen aan om die nieuwe opzet daadwerkelijk gestalte
te geven – één model betreft de aanstelling van
nieuwe permanente Leden zonder vetorecht, het andere voorziet in nieuwe
en vernieuwbare zittingstermijnen van vier jaar. Het rapport stelt dat
alle hervormingen in 2020 herzien moeten worden.
Wij hebben ook nieuwe instellingen nodig om het hoofd te bieden aan
de almaar veranderende uitdagingen. Het rapport pleit voor de instelling
van een commissie voor vredesopbouw – een nieuw mechanisme binnen
de VN waarbinnen rollen zijn weggelegd voor de Veiligheidsraad en de
Economische en Sociale Raad, voor donoren en voor nationale overheden.
Door nauw samen te werken met regionale organisaties en met de internationale
financiële instellingen, zou een dergelijke commissie kunnen voorzien
in een ernstige lacune door de vereiste aandacht te besteden aan landen,
die na een periode van oorlog weer oprijzen. Buiten het kader van de
VN zou een forum van regeringsleiders van de twintig grootste economieën
– zowel ontwikkelde als zich ontwikkelende staten – kunnen
bijdragen om te komen tot een coherent management op het gebied van
internationale monetaire, financiële, handels- en ontwikkelingsaangelegenheden.
Betere samenwerking met regionale organisaties is ook essentieel; het
rapport formuleert een reeks uitgangspunten als basis voor beter gestructureerde
samenwerkingsverbanden tussen hen en de VN.
Een andere aanbeveling in het rapport betreft de versterking van de
kritieke rol van de Secretaris-Generaal op het vlak van vrede en veiligheid.
Om efficiënter te zijn, zou de Secretaris-Generaal aanzienlijk
meer armslag moeten krijgen bij het beheer van het Secretariaat en ook
rekenschap moeten afleggen voor zijn handelen. Ook heeft hij betere
ondersteuning nodig bij zijn taken als bemiddelaar en bij de bijkomende
bevoegdheden om een doeltreffende strategie voor vredesopbouw te ontwikkelen.
Thans beschikt hij over één Vice-Secretaris-Generaal;
met een tweede, die verantwoordelijk zou zijn voor vrede en veiligheid,
zou de Secretaris-Generaal nauwer toezicht kunnen houden op zowel het
sociale, economische en ontwikkelingstechnische werk van de VN, als
op de vele taken op het vlak van vrede en veiligheid.
De
te bewandelen weg
Dit rapport is een begin en niet het einde van een proces. Voor de Lidstaten
wordt 2005 een belangrijk jaar: dan zullen zij overgaan tot het bespreken
en nader invullen van de aanbevelingen van het rapport. Sommige van
die suggesties zullen ter sprake komen tijdens een topontmoeting van
staatshoofden. Maar het bouwen aan een veiligere wereld vergt veel meer
dan een rapport of een topconferentie. Daarvoor zijn middelen nodig
die evenredig zijn aan de omvang van de voor ons liggende uitdagingen
en ook zullen staten lange termijn verplichtingen moeten aangaan en
die ook nakomen. Maar het is vooral noodzakelijk dat staten leiderschap
tonen – zowel binnen de eigen grenzen als in hun onderling verkeer.
DPI/RUNICBRUSSEL/2
december 2004