HOOFDSTUK 7                                             Download Hoofstuk 7 (WORD)

DEKOLONISATIE

 

Internationaal Trustschapsstelsel
Niet-zelfbesturende gebieden
Verklaring over het verlenen van onafhankelijkheid aan koloniale landen en volken
Namibië
Timor-Leste
De Westelijke Sahara

 

Meer dan 80 naties die vroeger onder koloniaal bewind stonden, zijn sinds de oprichting van de Verenigde Naties in 1945 als soevereine, onafhankelijke staten toegetreden tot de organisatie. Daarnaast bereikten andere gebieden zelfbeschikkingsrecht door een politieke unie of door integratie met een andere onafhankelijke staat. Door het onafhankelijkheidsstreven van koloniale volken aan te moedigen en door doelstellingen en normen te bepalen om onafhankelijkheid te bespoedigen, heeft de VN een doorslaggevende rol gespeeld in deze historische ommekeer. VN-missies hebben vaak toezicht gehouden op verkiezingen die tot onafhankelijkheid leidden: in Togo (1956 en 1968), West-Samoa (1961), Namibië (1989) en onlangs nog in Timor-Leste (het voormalig Oost-Timor).

De inspanningen van de VN op het vlak van dekolonisatie stoelen op een beginsel uit het Handvest dat de ‘gelijke rechten en de zelfbeschikking van volken’ vastlegt en op drie specifieke hoofdstukken in het Handvest – XI, XII en XIII – die gewijd zijn aan de belangen van afhankelijke volken. Sinds 1960 heeft de VN zich eveneens laten leiden door de Verklaring inzake het verlenen van onafhankelijkheid aan koloniale landen en volken van de Algemene Vergadering (ook bekend als de Dekolonisatieverklaring) waarin de lidstaten de noodzaak onderschrijven om het koloniale stelsel tot een spoedig einde te brengen. De VN heeft zich ook laten leiden door resolutie 1541 (XV) van de Algemene Vergadering (1960) die voor de niet-zelfbesturende gebieden drie opties omschrijft voor zelfbestuur.

Ondanks de aanzienlijke voortgang die met de dekolonisatie werd geboekt, leven nog 2 miljoen mensen onder vreemde heerschappij. De VN blijft zich inzetten om te komen tot zelfbeschikking en onafhankelijkheid van de laatste niet-zelfbesturende gebieden.

Internationaal Trustschapsstelsel

Hoofdstuk XII van het Handvest voorziet in een Internationaal Trustschapsstelsel voor het toezicht op de Trustgebieden die er, krachtens afzonderlijke overeenkomsten met de staten die de gebieden besturen, onder ressorteren.

Het stelsel was van toepassing: op (a) de mandaatgebieden die na de Eerste Wereldoorlog door de Volkenbond waren ingesteld; (b) de na de Tweede Wereldoorlog van 'vijandelijke staten' losgemaakte gebieden; en (c) op gebieden die vrijwillig onder het stelsel waren geplaatst door staten die verantwoordelijk waren voor het bestuur ervan. Hoofddoelstelling van het stelsel was de bevordering van politieke, economische en sociale vooruitgang van de Trustgebieden en hun geleidelijke ontwikkeling naar zelfbestuur of onafhankelijkheid.

De Trustschapsraad werd ingesteld krachtens hoofdstuk XIII van het Handvest om toezicht te houden op het bestuur over de Trustgebieden en om er op toe te zien dat de voor hun bestuur verantwoordelijke regeringen de aangewezen maatregelen troffen om de doelstellingen van het Handvest te verwezenlijken.

Kort na de oprichting van de VN stonden 11 gebieden onder toezicht van de Trustschapsraad (zie overzicht in deel 3). Alle Trustgebieden zijn in de loop der jaren onafhankelijk geworden of hebben zich geassocieerd met een andere staat.

Het Trustgebied van de Eilanden in de Stille Oceaan (Palau), bestuurd door de Verenigde Staten, deed dat als laatste. In 1994 maakte de VN een einde aan de Trustovereenkomst voor dat gebied, nadat het zich in 1993 in een volksstemming had uitgesproken voor vrije associatie met de Verenigde Staten. In 1994 werd Palau onafhankelijk en datzelfde jaar sloot het zich aan als 185ste staat bij de Verenigde Naties. Dit was het laatste gebied dat ressorteerde onder het Trustschapsstelsel en daarmee kwam dus een einde aan zijn historische taak.

Niet-zelfbesturende gebieden

Het Handvest van de VN voorziet ook in het toezicht op andere niet-zelfbesturende gebieden die niet onder het Trustschapsstelsel vallen.

Hoofdstuk XI van het Handvest – de Verklaring betreffende niet-zelfbesturende gebieden – bepaalt dat leden van de Verenigde Naties die de verantwoordelijkheid dragen voor het bestuur van gebieden waarvan de bevolking nog geen volledig zelfbestuur heeft verworven, het beginsel erkennen dat 'de belangen van de inwoners van die gebieden op de eerste plaats komen' en dat de opdracht om het welzijn van deze inwoners te bevorderen hun 'heilige plicht' is.

Besturende mogendheden verbinden zich ertoe om naast het verzekeren van politieke, economische, sociale en educatieve vooruitgang van deze volkeren, zelfbestuur en democratische politieke instellingen in deze gebieden te ontwikkelen. Besturende mogendheden zijn verplicht de Secretaris-Generaal op gezette tijden gegevens te verstrekken over de economische, sociale en onderwijstechnische situatie in de gebieden waarvoor ze verantwoordelijk zijn.

In 1946 stelden acht lidstaten - Australië, België, Denemarken, Frankrijk, Nederland, Nieuw-Zeeland, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten - een lijst op van de onder hun beheer staande gebieden die zij als niet-zelfbesturend beschouwden. Die lijst maakte melding van 72 gebieden; acht daarvan verwierven vóór 1959 onafhankelijkheid. In 1963 aanvaardde de Vergadering een herziene lijst van 64 gebieden waarop de Verklaring over het verlenen van onafhankelijkheid aan koloniale landen en volken van 1960 van toepassing was. In 1990 hadden 53 gebieden zelfbestuur verworven. In 2003 waren er nog 16 niet-zelfbesturende gebieden (zie tabel). De huidige besturende mogendheden zijn Frankrijk, Nieuw-Zeeland, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten.

Verklaring over het verlenen van onafhankelijkheid aan koloniale landen en volken

De roep van afhankelijke volken om bevrijding van koloniale overheersing en de opvatting van de internationale gemeenschap dat de beginselen van het Handvest te langzaam gestalte kregen, leidden er toe dat de Algemene Vergadering op 14 december 1960 de Verklaring over het verlenen van onafhankelijkheid aan koloniale landen en volken afkondigde (resolutie 1514 (XV).


Gebieden waarop de Dekolonisatieverklaring nog van toepassing is (in 2003)

Gebied

Besturende macht

   

Afrika

 

Westelijke Sahara [1]

Spanje

   

Azië en het Stille Oceaangebied

 

Amerikaans Samoa

Verenigde Staten

Guam

Verenigde Staten

Nieuw-Caledonië [2]

 

Pitcairneilanden

Verenigd Koninkrijk

Tokelau

Nieuw-Zeeland

 

Atlantische Oceaan, Caraïben en Middellandse Zeegebied

Anguilla

Verenigd Koninkrijk

Bermuda

Verenigd Koninkrijk

Britse Maagdeneilanden

Verenigd Koninkrijk

Kaaimaneilanden

Verenigd Koninkrijk

Falklandeilanden (Malvinas)

Verenigd Koninkrijk

Gibraltar

Verenigd Koninkrijk

Montserrat

Verenigd Koninkrijk

Sint-Helena

Verenigd Koninkrijk

Turks en Caicoseilanden

Verenigd Koninkrijk

Amerikaanse Maagdeneilanden

Verenigde Staten


De verklaring stelt dat de onderwerping van volken aan vreemde overheersing, onderwerping en uitbuiting indruist tegen de fundamentele rechten van de mens, strijdig is met het Handvest en ook de bevordering van wereldvrede en internationale samenwerking belemmert. De verklaring stelt dat ‘onmiddellijke stappen dienen te worden ondernomen in Trustgebieden, niet-zelfbesturende gebieden en in andere nog niet onafhankelijke gebieden, om onvoorwaardelijk en zonder enig voorbehoud alle macht over te dragen aan de bevolking van die gebieden, overeenkomstig hun vrijelijk tot uiting gebrachte wil en verlangen en zonder enig onderscheid naar ras, overtuiging of kleur, teneinde hen in staat te stellen volledige onafhankelijkheid en vrijheid te genieten’.

In 1960 aanvaardde de Algemene Vergadering resolutie 1541 (XV) waarin de drie legitieme politieke opties voor volledig zelfbestuur worden omschreven: vrije associatie met een onafhankelijke staat, integratie in een onafhankelijke staat of onafhankelijkheid. (Voor de lijst van gebieden die opgenomen zijn in of zich geassocieerd hebben met een onafhankelijke staat, zie deel III.)

In 1961 stelde de Vergadering een speciaal comité in om de toepassing van de verklaring te toetsen en voorstellen en aanbevelingen te doen over haar tenuitvoerlegging. Hoewel men doorgaans verwijst naar het ‘Speciale Comité van 24’ of het Speciaal comité inzake dekolonisatie, heet het voluit: het ‘Speciale Comité over de toestand betreffende de tenuitvoerlegging van de Verklaring over het verlenen van onafhankelijkheid aan koloniale landen en volken’.
Het Speciaal Comité komt jaarlijks bijeen, hoort petitionarissen en vertegenwoordigers van de gebieden, vaardigt missies af naar de gebieden en organiseert seminars over de politieke, sociale, economische en onderwijstechnische situatie in de gebieden.

Na aanvaarding van de Verklaring inzake Dekolonisatie van 1960 hebben ongeveer 60 vroegere koloniale gebieden (ruim 80 miljoen inwoners) door onafhankelijkheid zelfbestuur verworven en zijn ze als soevereine leden toegetreden tot de Verenigde Naties (zie deel III).

De Vergadering dringt er bij besturende mogendheden op aan alle nodige stappen te ondernemen teneinde de afhankelijke volken van koloniale gebieden in staat te stellen hun onvervreemdbare rechten op zelfbeschikking en onafhankelijkheid volledig en onvoorwaardelijk uit te oefenen. Ze roept koloniale mogendheden ook op hun militaire bases en installaties uit koloniale gebieden te verwijderen en ervoor te zorgen dat geen activiteiten in het kader van buitenlandse economische en andere belangen de tenuitvoerlegging van de Verklaring belemmeren.

In dit verband is Nieuw-Zeeland nauw gaan samenwerken met het Speciaal Comité inzake het bestuur van Tokelau. Ook Frankrijk ging samenwerken met het Comité, na ondertekening van een overeenkomst over de toekomst van Nieuw-Caledonië. Twee besturende machten zijn tot op heden nog niet betrokken bij het werk van het Comité. De Verenigde Staten verklaart zich bewust te zijn van haar rol als besturende macht en de verantwoordelijkheden krachtens het Handvest te zullen blijven nakomen. Het Verenigd Koninkrijk verklaarde dat de meeste gebieden onder haar bestuur gekozen hebben voor onafhankelijkheid, maar dat een klein aantal de voorkeur gaf aan associatie.

In 2003 stemde het Verenigd Koninkrijk er mee in dat het jaarlijks seminar over dekolonisatie kon plaatshebben in Anguilla – voor het eerst dus in een niet-zelfbesturend gebied – en vaardigde het een prominente vertegenwoordiger af.

Aan het einde van het Internationaal decennium voor de afschaffing van kolonisatie (1991-2000) stelde de Algemene Vergadering het Tweede internationaal decennium voor de afschaffing van kolonisatie (2001-2010) in en riep de Vergadering de lidstaten op hun inspanningen op te voeren teneinde volledige dekolonisatie te bewerkstelligen.

Voor sommige gebieden, waaronder de Westelijke Sahara, vertrouwde de Algemene Vergadering de Secretaris-Generaal specifieke taken toe met het oog op een spoedig en soepel dekolonisatieproces conform het Handvest en de doelstellingen van de Verklaring.

Namibië

De VN heeft actief bijgedrag tot de onafhankelijkheid van Namibië (1990), een historische mijlpaal die duidelijk aangeeft hoe complex een vreedzame overgang kan zijn.

Namibië – voorheen Zuidwest-Afrika – was een Afrikaans gebied onder het mandaatstelsel van de Volkenbond. De Algemene Vergadering vroeg Zuid-Afrika in 1946 het gebied onder het Trustschapsstelsel te plaatsen, maar Zuid-Afrika weigerde. In 1949 liet Zuid-Afrika de VN weten niet langer informatie te zullen verstrekken over het gebied, waarbij het aanvoerde dat het mandaat was vervallen met de ontbinding van de Volkenbond.

De Algemene Vergadering verklaarde in 1966 dat Zuid-Afrika zijn verplichtingen niet nakwam, besloot dat het mandaat was beëindigd en plaatste het gebied onder de rechtstreekse verantwoordelijkheid van de Raad van de Verenigde Naties voor Zuidwest-Afrika die in 1968 werd omgedoopt tot Raad van de Verenigde Naties voor Namibië.

In 1976 verzocht de Veiligheidsraad Zuid-Afrika om in het gebied verkiezingen onder toezicht en controle van de VN toe te staan. De Algemene Vergadering stelde dat Zuid-Afrika besprekingen omtrent onafhankelijkheid diende te voeren met het Volksfront van Zuidwest-Afrika (SWAPO), naar het oordeel van de Vergadering de enige officiële vertegenwoordiger van het Namibische volk.

In 1978 dienden Canada, Frankrijk, de Duitse Bondsrepubliek, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten bij de Veiligheidsraad een voorstel in voor een oplossing van de Namibische kwestie. Het voorstel ging uit van vrije verkiezingen voor een grondwetgevende assemblee, onder auspiciën van de VN. De Raad steunde de aanbevelingen van de Secretaris-Generaal voor de tenuitvoerlegging van de voorgestelde regeling en vroeg hem een speciale vertegenwoordiger voor Namibië te benoemen. De Raad besloot tot de oprichting van de VN-Overgangshulpgroep (UNTAG)

Jaren van intensieve besprekingen tussen de Secretaris-Generaal en zijn speciale vertegenwoordiger, en bemiddeling door de VN, leidden tot vredesovereenkomsten voor de regio. Krachtens die overeenkomsten verplichtte Zuid-Afrika zich er toe samen te werken met de Secretaris-Generaal aan de onafhankelijkheid van Namibië via vrije en eerlijke verkiezingen.

De operatie die leidde tot de onafhankelijkheid van Namibië ging in april 1989 van start. UNTAG hield toezicht op het volledige verkiezingsproces dat werd geleid door de Namibische autoriteiten; controleerde het bestand tussen SWAPO en het Zuid-Afrikaanse leger en de ontmanteling van alle troepen; zorgde ervoor dat het verkiezingsproces vlot verliep en superviseerde de plaatselijke politiekorpsen.

De verkiezingen voor de grondwetgevende assemblee werden gewonnen door SWAPO en de speciale vertegenwoordiger voor Namibië, Martti Ahtisaari, verklaarde dat de verkiezingen vrij en eerlijk waren verlopen. Na de verkiezingen trok Zuid-Afrika haar laatste troepen terug. De assemblee vormde een nieuwe grondwet die in februari 1990 unaniem werd goedgekeurd, en koos SWAPO-leider Sam Nujoma tot president van de republiek voor een ambtstermijn van vijf jaar. Namibië werd in maart 1990 onafhankelijk en de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties nam de eed af van de eerste president van Namibië. In april 1990 trad Namibië toe tot de Verenigde Naties.

Timor-Leste

Een meer recent succesverhaal voor de VN is het proces dat tot de onafhankelijkheid van Timor-Leste leidde – het voormalige Oost-Timor. Een belangrijke VN-operatie zag toe op de overgang naar onafhankelijkheid, nadat de Oost-Timorese bevolking zich daarvoor in 1999 in een referendum onder auspiciën van de VN had uitgesproken.

Het eiland Timor ligt ten noorden van Australië, midden in het zuidelijke deel van de archipel die de Republiek Indonesië vormt. Het westelijke gedeelte van het eiland was een Nederlandse kolonie en ging deel uitmaken van Indonesië toen dat land onafhankelijk werd. Oost-Timor was een Portugese kolonie.

De Algemene Vergadering zette Oost-Timor in 1960 op de lijst van niet-zelfbesturende gebieden. In 1974, toen Portugal het recht op zelfbeschikking en onafhankelijkheid van zijn kolonies erkende, probeerde dit land een voorlopige regering en een volksvergadering te installeren die zich moest uitspreken over de status van Oost-Timor. Maar in 1975 brak er een burgeroorlog uit tussen de nieuwe politieke partijen. Portugal trok zich terug; het kon de situatie niet langer beheersen. Een Oost-Timorese partij verklaarde het land onafhankelijk als afzonderlijke staat, een andere groepering sprak zich uit voor onafhankelijkheid en associatie met Indonesië.

In december landden Indonesische troepen op het eiland en werd een 'voorlopige regering' in het zadel geholpen. Portugal verbrak de relaties met Indonesië en legde de kwestie voor aan de Veiligheidsraad. De Raad en de Algemene Vergadering riepen Indonesië op zijn troepen terug te trekken en verzochten alle staten de territoriale integriteit van Oost-Timor en de rechten van de bevolking op zelfbeschikking te erkennen.

De 'voorlopige regering' schreef in 1976 verkiezingen uit voor een assemblee die zich uitsprak voor integratie bij Indonesië. Indonesië vaardigde een wet uit die dat besluit ondersteunde. De pro-onafhankelijkheidsbeweging startte het gewapend verzet en voerde een internationale oppositiecampagne. Portugal hield staande dat de Oost-Timorezen hun recht op zelfbeschikking niet hadden uitgeoefend, terwijl Indonesië beweerde dat het dekolonisatieproces van het land was voltooid. De VN verwierp de legitimiteit van de assemblee en de Indonesische annexatie, en beschouwde Portugal nog steeds als de legitieme besturende macht.

Op verzoek van de Algemene Vergadering begon de Secretaris-Generaal in 1983 gesprekken met Indonesië en Portugal voor een rechtvaardige en volledige oplossing. Zijn goede diensten en die van zijn persoonlijke vertegenwoordiger (in 1997 aangesteld) leidden tot de overeenkomsten van mei 1999 die de weg vrijmaakten voor een volksraadpleging waarin de Oost-Timorezen konden kiezen voor autonomie in een unie met Indonesië of voor een door de VN gecoördineerde overgang tot onafhankelijkheid.

Op basis van deze akkoorden organiseerde en leidde de VN-Missie in Oost-Timor (UNAMET) de registratie van de kiezers en een officieel referendum. Op 30 augustus verwierp 78,5 procent van de 450.000 geregistreerde kiezers het voorstel voor autonomie binnen Indonesië. Bij de bekendmaking van het resultaat ontketenden milities die tegen onafhankelijkheid waren een campagne van systematische vernietiging en geweld. Er vielen veel slachtoffers en 200.000 Oost-Timorezen sloegen op de vlucht. De meesten kwamen terecht in West-Timor. De VN evacueerde bijna al haar personeel; 86 stafleden bleven achter in het hoofdkantoor in de hoofdstad Dili, samen met 1000 Oost-Timorezen die daar hun toevlucht hadden gezocht.

Na intensieve onderhandelingen – waaraan ook een delegatie van de Veiligheidsraad deelnam – aanvaardde Indonesië de stationering van een door de VN toegestane multinationale troepenmacht om de vrede en veiligheid te herstellen. Krachtens Hoofdstuk VII van het Handvest zond de Veiligheidsraad in 1999 de Internationale troepenmacht voor Oost-Timor (INTERFET) naar het eiland die er de orde hielp herstellen.

In oktober 1999 zette de Raad het VN-Overgangsbestuur voor Oost-Timor (UNTAET) op met volledige uitvoerende en wetgevende bevoegdheden gedurende de overgang naar onafhankelijkheid. Sergio Vieira de Mello werd benoemd tot hoofd van UNTAET en tot speciale vertegenwoordiger van de Secretaris-Generaal in Oost-Timor. In februari 2000 nam de militaire component van UNTAET – bestaande uit 8800 soldaten en 1600 manschappen burgerpolitie – de taak voor het handhaven van vrede en veiligheid over. UNTAET vestigde ook een burgerlijk bestuur in het gehele gebied en hielp bij het opzetten van sociale voorzieningen, de wederopbouw en bij het creëren van de voorwaarden waaronder het land zich als zelfstandige natie zou kunnen ontwikkelen.

Op 30 augustus 2001 trok meer dan 91 procent van de Oost-Timorese kiezers naar de stembus om een 88 leden tellen wetgevende assemblee te verkiezen die een nieuwe grondwet moest opstellen en aannemen, het raamwerk moest vormen voor toekomstige verkiezingen en voor de overgang naar volledige onafhankelijkheid. Op 22 maart 2002 trad de eerste grondwet van het gebied in werking. Bij de presidentsverkiezingen van 14 april werd Xanana Gusmão met 82,7 procent van de stemmen verkozen tot president.

Aldus was aan beide voorwaarden voor de overdracht van de macht voldaan en op 20 mei 2002 werd het gebied onafhankelijk. De wetgevende assemblee werd omgevormd tot nationaal parlement en het nieuwe land koos voor de naam Timor-Leste. Op 27 september trad Timor-Leste tot als het 191ste lid van de Verenigde Naties.

Na de onafhankelijkheid bleef de VN het land steunen met de VN-Ondersteuningsmissie voor Oost-Timor (UNMISET), die op 17 mei 2002 door de Veiligheidsraad werd ingesteld. De missie moet de nieuwe staat bijstaan bij de ontwikkeling van de belangrijkste administratieve structuren die essentieel zijn voor de levensvatbaarheid en de politieke stabiliteit; bij tussentijds het handhaven van de wet, rust en orde, bij het opzetten van nationale politiediensten en het handhaven van de binnen- en buitenlandse veiligheid.

De Westelijke Sahara

De VN volgt al sinds 1963 de voortdurende onlusten in de Westelijke Sahara, een gebied aan de noordwestkust van Afrika, grenzend aan Marokko, Mauritanië en Algerije.

De Westelijke Sahara werd in 1884 een Spaanse kolonie. In 1963 maakten zowel Marokko als Mauritanië aanspraak op het gebied. In een door de Algemene Vergadering gevraagd Advies verwierp het Internationaal Gerechtshof in 1975 de territoriale aanspraken van Marokko en Mauritanië.

Al sinds de terugtrekking van Spanje uit het gebied in 1976 en de daaropvolgende gevechten tussen Marokko, dat het gebied had 'gereïntegreerd', en het Volksfront voor de bevrijding van Saguia el-Hamra en Río de Oro (Frente POLISARIO, gesteund door Algerije), streeft de VN naar een oplossing voor de Westelijke Sahara (zie voetnoot bij tabel in dit hoofdstuk).

In 1979 riep de Organisatie voor Afrikaanse Eenheid (OAE) op tot een referendum waarin de bevolking van het gebied zich kon uitspreken over zelfbeschikking. In 1982 hadden 26 OAE-leden de in 1976 door POLISARIO uitgeroepen Arabische Democratische Republiek Sahara (SADR) erkend. Marokko trok zich terug uit de OAE toen SADR deelnam aan haar topconferentie van 1984.

In 1983 en 1984 stelde de Algemene Vergadering opnieuw dat het volk van het gebied zijn recht op zelfbeschikking en onafhankelijkheid moest kunnen uitoefenen en dat de partijen moesten meewerken aan een staakt-het-vuren om de juiste voorwaarden te creëren voor een referendum.

Een gezamenlijke missie van goede diensten van de Secretaris-Generaal en de voorzitter van de OAE leidde in 1988 tot het voorstel voor een regeling om te komen tot een staakt-het-vuren en een referendum waarbij de bevolking zich kon uitspreken voor onafhankelijkheid of integratie bij Marokko. Beide partijen gingen in principe akkoord met dit voorstel en in juni 1990 keurde de Veiligheidsraad het verslag van de Secretaris-Generaal goed met deze voorstellen.

Met resolutie 690 van 29 april 1991 stelde de Veiligheidsraad de VN-missie voor het Referendum in de Westelijke Sahara (MINURSO) in die de speciale vertegenwoordiger van de Secretaris-Generaal moest bijstaan bij alle zaken die verband hielden met de organisatie van het referendum voor zelfbeschikking voor het volk van de Westelijke Sahara. Alle inwoners van de Westelijke Sahara van 18 jaar en ouder – volgens de gegevens van de Spaanse volkstelling van 1974 – zouden stemrecht hebben, of ze nu in het gebied zelf leefden of daarbuiten. Een identificatiecommissie zou de telling van 1974 bijwerken met het oog op de opstelling van de kiezerslijsten. Met de hulp van UNHCR zou een telling van vluchtelingen buiten het gebied plaatsvinden.

Naast het bureau van de speciale vertegenwoordiger bestond MINURSO ook uit civiele en militaire eenheden en beveiligingspersoneel. Op 6 september 1991 werd een bestand van kracht dat wordt gecontroleerd door de militaire waarnemers van MINURSO. Belangrijke schendingen zijn niet vastgesteld.

Beide partijen hadden nog steeds vertrouwen in de Verenigde Naties en steunden het plan, maar verschilden op hoofdlijnen toch van inzicht, in het bijzonder rond de vraag wie bij het referendum stemrecht zou hebben.

De Secretaris-Generaal had in 1991 in zijn rapport aan de Veiligheidsraad criteria voor de stemgerechtigdheid geformuleerd. Marokko beschouwde die criteria als uiterst beperkt, maar aanvaardde ze niettemin. POLISARIO hield echter vol dat beide partijen oorspronkelijk waren overeengekomen dat de Spaanse volkstelling van 1974 de enige basis voor het opstellen van de kiezerslijsten zou zijn. Volgens POLISARIO werden de criteria onterecht verruimd en zouden er mogelijk personen op de kiezerslijsten komen die geen inwoners waren van het gebied.

In augustus 1994 begon de Identificatiecommissie met de inventarisatie van mogelijke kiezers op basis van een compromisvoorstel van de Secretaris-Generaal. Maar in de loop van de jaren negentig raakte het proces geregeld in een impasse. Ondanks hun akkoord om het identificatieproces doorgang te laten vinden, bleven beide partijen bij hun standpunten omtrent de samenstelling van de kiezerslijsten. POLISARIO hield staande dat alleen de mensen die bij de Spaanse volkstelling van 1974 waren geregistreerd mochten deelnemen aan het referendum. Marokko beweerde het tegenovergestelde, namelijk dat er nog duizenden andere kiesgerechtigden waren, met inbegrip van mensen die in 1974 in het gebied leefden, maar niet in de volkstelling waren opgenomen; mensen die tijdens de voorafgaande jaren naar Marokko waren gevlucht; en de bewoners van gebieden die vroeger deel uitmaakten van de Westelijke Sahara, maar in de jaren vijftig en zestig weer door Spanje waren afgestaan aan Marokko.

In 1997 bewerkstelligde de speciale vertegenwoordiger van de Secretaris-Generaal voor de Westelijke Sahara, James Baker, een compromis: de akkoorden van Houston. Het identificatieproces werd in december 1999 afgerond en de identificatiecommissie publiceerde een voorlopige lijst van ongeveer 86.000 stemgerechtigden. Wie niet als zodanig werd aangemerkt, kon daartegen beroep aantekenen. Eind 2000 hadden 131.038 mensen beroep aangetekend.
Ondanks verschillende gespreksrondes onder auspiciën van de speciale gezant waaraan beide partijen en buurlanden deelnamen, bleef er onenigheid bestaan over de tenuitvoerlegging van het vredesplan.

Op 30 juli 2002 verzocht de Veiligheidsraad de speciale gezant verder te zoeken naar een politieke oplossing die tot zelfbeschikking zou leiden. Tijdens een bezoek aan de regio in januari 2003 legde hij zijn voorstel aan beide partijen en de buurlanden voor. Beide partijen verzetten zich tegen bepaalde aspecten van het plan, maar op 6 juli liet POLISARIO de Secretaris-Generaal schriftelijk weten het vredesplan te aanvaarden. Marokko zou in 2004 beslissen over het plan.
Op 31 juli 2003 sprak de Veiligheidsraad zich met resolutie 1495 unaniem uit voor het vredesplan als een uitstekende politieke oplossing die steunde op een akkoord tussen beide partijen. In augustus benoemde de Secretaris-Generaal Alvaro de Soto als zijn speciale vertegenwoordiger voor de Westelijke Sahara. In september stelde POLISARIO 243 Marokkaanse krijgsgevangen op vrije voeten en twee maanden later nog eens 300. POLISARIO had toen nog 613 Marokkaanse krijgsgevangen in hechtenis.

In november en december reisde De Soto naar het gebied om te overleggen met de partijen en om de situatie van de 165.000 vluchtelingen te bespreken die al bijna dertig jaar in woestijnkampen in het westen van Algerije leefden. Er kwamen plannen op tafel om het persoonlijke contact tussen de vluchtelingen en hun verwanten over de grens te herstellen. Op 5 maart 2004 hadden de eerste ontmoetingen plaats tussen Sahwari’s in het gebied en in de vluchtelingenkampen.

Op 15 april 2004 gaf Marokko in een gesprek met de persoonlijke gezant van de Secretaris-Generaal definitief antwoord op de voorstellen voor het vredesplan. Het land wilde onderhandelen over een oplossing op basis van ‘autonomie binnen het raamwerk van Marokkaanse soevereiniteit’. In zijn verslag aan de Veiligheidsraad stelde de Secretaris-Generaal dat de ‘soevereiniteitskwestie natuurlijk het heikele punt is waarover de partijen al jaren strijden. Marokko aanvaardt de schikking niet die het jaren geleden goedkeurde en verwerpt nu ook bepaalde elementen van het vredesplan’. Volgens de Secretaris-Generaal en zijn gezant moest de Raad nu beslissen om ‘het mandaat van MINURSO te beëindigen en de kwestie Westelijke Sahara terug te geven aan de Algemene Vergadering en dus te erkennen dat […] de VN het probleem van de Westelijke Sahara niet kon oplossen zonder van een of beide partijen iets te eisen dat ze niet uit vrije wil wilden doen’ of om toch nog te proberen de partijen ervan ‘te overtuigen het vredesplan goed te keuren en te implementeren’.

Op 29 april sprak de Raad nogmaals zijn steun uit voor het vredesplan en riep hij de partijen en de landen in de regio op volledige medewerking te verlenen aan de Secretaris-Generaal en zijn persoonlijke gezant. Het mandaat van MINURSO werd verlengd tot eind oktober 2004.


[1] Op 26 februari 1976 deelde Spanje de Secretaris-Generaal mee dat het vanaf die datum een einde zou maken aan zijn aanwezigheid in het gebied van de Sahara, en dat Spanje zich officieel ontslagen achtte van elke internationale verantwoordelijkheid in verband met het bestuur over het gebied, aangezien het zijn deelname aan het tijdelijk bestuur van het gebied beëindigde. In 1990 bevestigde de Algemene Vergadering opnieuw dat de aangelegenheid van de Westelijke Sahara een kwestie van dekolonisatie was die moest worden voltooid door de bevolking van de Westelijke Sahara.

[2] Op 2 december 1986 besloot de Algemene Vergadering dat Nieuw-Caledonië een niet-zelfbesturend gebied was.


UNIC Logo
Terug  Home  Terug naar boven