HOOFDSTUK 6 Download Hoofstuk 6 (WORD)
INTERNATIONAAL RECHT
Gerechtelijke regeling van geschillen (Internationaal
Gerechtshof)
Ontwikkeling
en codificatie van het internationaal recht
(Commissie voor Internationaal
Recht)
Internationaal
handelsrecht (VN-commissie
voor internationaal handelsrecht (UNCITRAL))
Milieurecht
Zeerecht
(Internationale Zeebodemautoriteit,
Internationaal Zeerechttribunaal,
Commissie voor de afbakening
van het continentaal plat)
Internationaal
humanitair recht
Internationale
tribunalen (Internationaal
straftribunaal voor voormalig Joegoslavië, Internationaal
straftribunaal voor Rwanda)
Internationaal
Strafhof (ICC)
Internationaal
terrorisme
Andere
juridische kwesties
Een
van de diepst doorwerkende successen van de Verenigde Naties is de ontwikkeling
van een internationaal rechtsstelsel verdragen, overeenkomsten en normen
dat een centrale rol vervult bij het bevorderen van economische en
sociale ontwikkeling en van de internationale vrede en veiligheid. De regelgeving
die de onderlinge relaties tussen staten bepaalt, stoelt in belangrijke mate
op verdragen die door de VN werden bewerkstelligd. Hoewel er doorgaans niet
veel aandacht wordt besteed aan de activiteiten van de VN in dezen, ondervinden
mensen over de hele wereld er dagelijks de gevolgen van.
Het Handvest doet specifiek een beroep op de Organisatie om internationale
geschillen langs vreedzame weg, met inbegrip van arbitrage en rechterlijke
uitspraken (art. 33) te beslechten en de progressieve ontwikkeling en de codificatie
van het internationaal recht te bevorderen (art. 13). De afgelopen vijftig
jaar heeft de VN meer dan 500 multilaterale overeenkomsten afgerond die een
brede waaier van gemeenschappelijke problemen tussen staten aanbelangen en
juridisch bindend zijn voor de landen die deze verdragen hebben geratificeerd.
De VN heeft op veel vlakken pionierswerk verricht. De organisatie heeft steeds
het voortouw genomen als problemen een internationale dimensie kregen en zo
een juridisch kader gecreëerd voor onder meer milieubescherming, grensoverschrijdende
arbeid, drugshandel en terrorisme. Maar het werk gaat door. De internationale
wetgeving krijgt een toenemend centrale plaats in een bredere waaier van kwesties,
met inbegrip van mensenrechten en internationale humanitaire wetgeving.
![]()
Gerechtelijke regeling van geschillen
Het
belangrijkste VN-orgaan voor de regeling van geschillen is het Internationaal
Gerechtshof. Het Wereldhof werd opgericht in 1946. Eind
2003 had het Hof 78 uitspraken gedaan over geschillen die door staten aanhangig
waren gemaakt en 24 keer advies gegeven over zaken die daartoe gemachtigde
internationale organisaties hadden voorgelegd. Vrijwel alle gevallen werden
behandeld door het voltallige Hof, maar sinds 1981 zijn zes gevallen op verzoek
van partijen doorverwezen naar speciale kamers (zie ook www.icj-cij.org).
Het Hof heeft uitspraak gedaan over internationale geschillen met betrekking
tot economische rechten, recht van doorgang, het afzien van geweld, non-interventie
in de interne aangelegenheden van staten, diplomatieke relaties, gijzelneming,
het recht op asiel en nationaliteit. Landen die een onpartijdige en op de
wet gebaseerde oplossing nastreven, maken deze geschillen aanhangig bij het
Hof. Met een vreedzame regeling voor problemen rond landsgrenzen, maritieme
grenzen en territoriale soevereiniteit, heeft het Hof vaak de escalatie van
geschillen voorkomen.
In een kenmerkende zaak over territoriale aanspraken beslechtte het Hof in
2002 een soevereiniteitsgeschil tussen Kameroen en Nigeria over het olierijke
schiereiland Bakasse, en aldus over de lands- en zeegrenzen tussen beide staten
als geheel. Eerder dat jaar oordeelde het ook in een soevereiniteitsgeschil
tussen Indonesië en Maleisië over twee eilanden in de Celebeszee;
de eilanden werden toegewezen aan Maleisië. In 2001 maakte het Hof een
einde aan een maritiem en territoriaal geschil tussen Qatar en Bahrain dat
een gespannen relatie tussen beide landen had veroorzaakt.
In 1999 beslechtte het Hof een gevoelig grensgeschil tussen Botswana en Namibië
met een voor beide partijen aanvaardbare uitspraak. In 1992 deed het Hof uitspraak
in een bijna honderd jaar aanslepend geschil tussen El Salvador en Honduras,
dat in 1969 tot een korte, maar bloedige oorlog had geleid. In 1994 sprak
het Hof zich uit over een dispuut dat door Libië en Tsjaad gezamenlijk
aan het Hof was voorgelegd, en oordeelde dat de verdeling van het gebied was
vastgelegd in een verdrag van 1955 tussen Libië en Frankrijk. Libië
trok daarop zijn troepen terug uit het gebied langs de zuidelijke grens met
Tsjaad.
In 1980, in een door de Verenigde Staten voor het Hof gebrachte zaak betreffende
de bezetting van de Amerikaanse ambassade in Teheran en de gijzeling van consulair
en diplomatiek personeel, oordeelde het Hof dat Iran de gijzelaars moest vrijlaten,
de ambassade teruggeven en schadevergoeding betalen. Voordat het Hof echter
de tijd had gehad de hoogte van de schadevergoeding vast te stellen, werd
de zaak ingetrokken nadat beide staten zelf tot een akkoord waren gekomen.
In 1989 vroeg Iran het Hof het neerschieten van een Iraans lijnvliegtuig door
een Amerikaanse oorlogsbodem te veroordelen en de Verenigde Staten te veroordelen
tot betaling van schadevergoeding. In 1996 werd de zaak gesloten nadat een
schadevergoeding was overeengekomen.
In 1986 spande Nicaragua een zaak aan tegen de VS over de steun van dit land
aan de zogeheten contra's. Het Hof oordeelde dat de Verenigde Staten zich
met de steun aan de contra's en het leggen van mijnen buiten de Nicaraguaanse
havens daden die de VS volgens het Hof niet kon billijken als collectieve
zelfverdediging niet had gehouden aan zijn internationale wettelijke
verplichtingen om zich niet te mengen in de aangelegenheden van andere staten,
geen geweld tegen een andere staat te gebruiken en de soevereiniteit van een
andere staat niet te schenden. Dienovereenkomstig veroordeelde het Hof de
Verenigde Staten tot de betaling van schadevergoeding. Maar voordat het bedrag
kon worden vastgesteld, verzocht Nicaragua in 1999 te zaak te seponeren.
In 1992 maakte Libië twee zaken aanhangig tegen het Verenigd Koninkrijk
en de Verenigde Staten betreffende de interpretatie of toepassing van het
Verdrag voor de beteugeling van onwettige daden gericht tegen de veiligheid
van de burgerluchtvaart na de crash van PanAm-vlucht 103 in het Schotse
Lockerbie op 21 december 1988. De zaken werden in september 2003 van de rol
geschrapt in het kader van een breder akkoord tussen partijen.
In 1993 maakte Bosnië-Herzegovina een zaak aanhangig tegen de Federale
Republiek Joegoslavië (Servië en Montenegro) betreffende de toepassing
van het Verdrag over de uitbanning en bestraffing van genocide. Het
Hof verzocht partijen de voortzetting van volkenmoord en escalatie van het
geschil te voorkomen. De zaak is nog hangende.
In 1996 verwierp het Hof de weigering van de Verenigde Staten om de bevoegdheid
van het Hof te erkennen in de zaak uit 1992 over de vernietiging van Iraanse
olieplatforms door Amerikaanse oorlogsbodems. In november 2003 oordeelde het
Hof dat de VS zijn optreden niet kon rechtvaardigen als bescherming van nationale
veiligheidsbelangen. Daar er echter geen inbreuk was op de verplichtingen
inzake de vrijheid van handel, werd de Iraanse aanspraak op schadevergoeding
verworpen. Het Hof verwierp ook een tegeneis van de VS.
Staten dienen vaak vragen in over economische rechten. In 1995, in het kader
van een geschil over visserijrechten tussen Canada en de Europese Unie, spande
Spanje een procedure aan tegen Canada, nadat Canada een Spaanse visserssloep
in internationale wateren had geconfisqueerd. Recent maakte Liechtenstein
een zaak aanhangig tegen Duitsland over eigendommen die tijdens de Tweede
Wereldoorlog in beslag waren genomen.
Een milieuzaak betrof een geschil tussen Hongarije en Slowakije over de geldigheid
van het verdrag dat zij in 1997 hadden gesloten over de bouw van een stuwdam
in de Donau. In 1997 oordeelde het Hof dat beide staten hun wettelijke verplichtingen
verzaakten en riep hen op het verdrag na te leven.
De laatste decennia is het aantal juridische kwesties die aan het Hof werden
voorgelegd opmerkelijk toegenomen. In de jaren zeventig stonden er telkens
slechts één of twee zaken op de rol, maar tussen 1990 en 1997
varieerde dit aantal tussen negen en dertien. Sindsdien zijn het er meer dan
20. Eind 2003 waren er 22 zaken hangende.
Adviezen (advisory opinions) van het Hof hadden onder meer betrekking
op lidmaatschap van de Verenigde Naties, schadeloosstelling voor verwondingen
opgelopen in dienst van de VN, de territoriale status van de Westelijke Sahara,
de kosten van bepaalde vredesoperaties en meer recent de status
van VN-mensenrechtenrapporteurs. Twee door de Algemene Vergadering en de Wereldgezondheidsorganisatie
gevraagde adviezen uit 1996 betroffen de wettelijkheid van de bedreiging met
of het gebruik van kernwapens.
In 1971 stelde het Hof in een door de Veiligheidsraad gevraagd advies dat
de voortdurende aanwezigheid van Zuid-Afrika in Namibië onwettig was
en dat Zuid-Afrika verplicht was zijn bestuursapparaat aldaar terug te trekken
en een einde te maken aan de bezetting van het gebied, teneinde de weg te
effenen voor de onafhankelijkheid van Namibië in maart 1990.
![]()
Ontwikkeling en codificatie van het internationaal
recht
In
1947 richtte de Algemene Vergadering de Commissie voor Internationaal
Recht op ter bevordering van de progressieve ontwikkeling en codificatie
van het internationaal recht. De Commissie komt jaarlijks bijeen en bestaat
uit 34 leden, door de Algemene Vergadering verkozen voor een ambtstermijn
van vijf jaar. Samen vertegenwoordigen de leden de belangrijkste rechtssystemen
in de wereld. Zij werken op persoonlijke titel en niet als vertegenwoordigers
van hun regeringen. Hun werk beslaat een brede waaier onderwerpen die de relaties
tussen staten regelen.
Het werk van de Commissie bestaat grotendeels uit de voorbereiding van ontwerp-teksten
over internationaal-rechtelijke thema's. Sommige onderwerpen kiest de Commissie
zelf, andere legt de Algemene Vergadering haar voor. Wanneer de Commissie
ontwerp-artikelen over een bepaald onderwerp heeft voltooid, roept de Algemene
Vergadering doorgaans een internationale conferentie van gevolmachtigden bijeen
om deze concept-bepalingen op te nemen in een verdrag dat staten vervolgens
ter bekrachtiging krijgen voorgelegd. Dit betekent dat landen zich er formeel
toe verplichten de bepalingen van het verdrag na te leven. Een aantal van
deze verdragen vormen de basis voor de wetgeving die de relaties tussen staten
regelt. Voorbeelden:
In 1999 aanvaardde de Commissie een ontwerpverdrag dat moet voorkomen dat
mensen statenloos worden ten gevolge van de splitsing van een gebied of opheffing
van een staat. Sinds de eerste zitting in 1949 is de aansprakelijkheid van
staten een belangrijk onderzoeksobject van de Commissie. In 2001 werd dit
onderzoek afgerond met de aanvaarding van een ontwerp-verdrag over de aansprakelijkheid
van staten voor internationale onrechtmatige daden. In 2001 keurde de
Commissie voorts ontwerp-artikelen goed over het voorkomen van grensoverschrijdende
schade ten gevolge van risicovolle activiteiten. Momenteel buigt de Commissie
zich over de internationale verplichtingen bij nadelige gevolgen van daden
die niet zijn verboden krachtens het internationaal recht, waaronder grensoverschrijdende
schade.
De Commissie houdt zich nu ook bezig met kwesties als unilaterale besluiten
van staten; het recht op diplomatieke bescherming; voorbehouden tegen verdragen;
de aansprakelijkheid van internationale organisaties, door staten gedeelde
natuurlijke rijkdommen en de versplintering van de internationale wetgeving,
met nadruk op problemen die ontstaan door de diversifiëring en uitbreiding
van het internationaal recht (zie ook www.un.org/law/ilc/index.htm).
Internationaal handelsrecht
De
VN-commissie voor internationaal handelsrecht (UNCITRAL)
bevordert de wereldhandel met de ontwikkeling van verdragen, wettelijke kaders,
regels en rechtsprincipes ter harmonisering van het internationaal handelsrecht.
De 60 landen tellende Commissie werd in 1966 opgericht door de Algemene Vergadering.
Haar leden vertegenwoordigen alle geografische regios en de voornaamste
economische en juridische stelsels van de wereld. UNCITRAL is in de loop der
jaren het belangrijkste juridische orgaan binnen het VN-systeem op het vlak
van internationaal handelsrecht. De afdeling Internationaal handelsrecht van
het Bureau voor juridische aangelegenheden (OLA) treedt op als secretariaat.
In haar 37-jarige bestaan ontwikkelde de Commissie breed aanvaarde teksten
die in verschillende juridische domeinen gelden als mijlpalen. Het gaat onder
meer om: de Arbitrageregels van UNCITRAL (1976), de Regels van UNCITRAL
inzake geschillenbeslechting (1980), het VN-verdrag inzake verbintenissen
regerende de internationale verkoop van goederen (1980), het Wettelijk kader
van UNCITRAL inzake arbitrage bij internationale handelsgeschillen, het Wettelijk
kader van UNCITRAL inzake goederenlevering, bouw en dienstverlening (1994);
de UNCITRAL-notas inzake de organisatie van arbitragezaken (1996) en
het Wettelijk kader inzake elektronische handelsactiviteiten (1996).
Andere belangrijke documenten zijn: het Verdrag inzake de verjaring van
de internationale verkoop van goederen (1974); het VN-verdrag inzake
het goederentransport over zee (1978, bekend als de Hamburg Rules);
het VN-verdrag inzake internationale wissels en promesses (1988);
Juridische richtlijnen van UNCITRAL voor de opstelling van internationale
contracten inzake de bouw van industriële voorzieningen (1988);
het VN-verdrag inzake de aansprakelijkheid van operatoren van transportterminals
in het internationale handelsverkeer (1991); Juridische richtlijnen
van UNCITRAL inzake internationale compensatiehandelstransacties (1992),
het VN-verdrag inzake onafhankelijke waarborgen en doorlopende kredietbrieven
(1995) en het Wettelijk kader van UNCITRAL inzake grensoverschrijdende
insolvabiliteit (1997).
Recenter goedgekeurde teksten zijn: Juridische richtlijnen van UNCITRAL
over particulier gefinancierde infrastructuurprojecten (2000); het
VN-verdrag over de toekenning van financiering voor uitstaande vorderingen
in de internationale handel (2001); het Wettelijk kader van UNCITRAL inzake
elektronische handtekeningen (2001); en het Wettelijk kader van UNCITRAL inzake
de internationale beslechting van handelsgeschillen (2002).
Op dit ogenblik is de Commissie bezig met de voorbereidingen van een ontwerp
voor richtlijnen die een aanvulling moeten vormen op de Juridische richtlijnen
van UNCITRAL over particulier gefinancierde infrastructuurprojecten;
het verzamelen en publiceren van jurisprudentie inzake UNCITRAL Teksten (CLOUT);
een ontwerp voor juridische richtlijnen voor wetgeving inzake insolvabiliteit;
een ontwerpinstrument voor het goederentransport over zee en het ontwerp van
juridische richtlijnen inzake veiligheidsbelangen. De Commissie werkt ook
verder aan een internationaal verdrag inzake elektronische verbintenissen
en zoekt voorts naar mogelijkheden om eventuele juridische hinderpalen op
het vlak van de elektronische handel in bestaande internationale handelsverdragen
te verwijderen.
Daarnaast blijft UNCITRAL zich richten op kwesties in verband met de schriftelijke
neerlegging van verbintenissen zoals bepaald in het Wettelijk kader van
UNCITRAL inzake arbitrage bij internationale handelsgeschillen (1985)
en het Verdrag inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse
scheidsrechterlijke uitspraken (1958), en verder ook met een nieuwe bepaling
betreffende de erkenning en handhaving van tussentijdse beschermingsmaatregelen
als amendement op 17 van het Wettelijk kader van UNCITRAL inzake arbitrage
bij internationale handelsgeschillen.
De VN heeft pionierswerk verricht bij de ontwikkeling van het internationale milieurecht en verdragen tot stand gebracht die een belangrijke vooruitgang betekenden voor de bescherming van het milieu wereldwijd. Het Milieuprogramma van de VN (UNEP) beheert veel van deze verdragen. Ander organen, met inbegrip van verdragssecretariaten, beheren de rest. Het gaat onder meer om onderstaande verdragen:
IMO stond aan de basis van verdragen die de vervuiling van zeeën en oceanen tegengaan. Een reeks van regionale zeeprogrammas helpt regeringen bij de bescherming van gedeelde zee- en waterrijkdommen aan de hand van door UNEP tot stand gekomen verdragen en protocollen in 13 regios.
Het
VN-Zeerechtverdrag geldt als een van de volledigste documenten in
het internationaal recht. De 320 artikelen en 9 bijlagen vormen een allesomvattend
wettelijk kader voor s wereld oceanen en zeeën met regels die alle
activiteiten op en het gebruik van de maritieme rijkdommen regelen: scheepvaart
en overvlucht, exploratie en ontginning van rijkdommen, milieubehoud en vervuiling,
visserij en vervoer. Het verdrag steunt op het principe dat alle problemen
met zeeën en oceanen nauw verweven zijn en daarom als een geheel moeten
worden aangepakt. in één instrument omvat het Zeerechtverdrag
zowel de codificatie van traditionele regelgeving rond het gebruik van de
oceanen als de ontwikkeling van nieuwe regels bij nieuwe problemen. Het is
een uniek instrument en wordt wel 'de grondwet van de zee' genoemd.
Inmiddels aanvaardt men alom dat alle activiteiten op het gebied van zeeën
en zeerecht conform de bepalingen van het Zeeverdrag moeten geschieden, dat
zijn gezag ontleent aan het feit dat het door bijna alle landen is aanvaard.
Meer dan 140 landen zijn partij, veel andere zitten in het proces van ratificering
of toetreding, en vrijwel alle landen ter wereld erkennen en voegen zich naar
het verdrag en zijn bepalingen.
In 2002 vierde de Algemene Vergadering de 20ste verjaardag van de openstelling
tot ondertekening van het verdrag met een tweedaagse plenaire zitting.
Invloed van het verdrag
Landen hebben door nationale en internationale wetgeving en aanverwante besluitvorming
consequent het gezag van het verdrag bevestigd als belangrijkste juridische
instrument ter zake. Dit onvoorwaardelijke gezag heeft tot gevolg dat vrijwel
alle landen 12 zeemijl aanvaarden als de grens van hun territoriale wateren
en dat kuststaten soevereine rechten uitoefenen over de natuurlijke rijkdommen
in een exclusieve economische zone (EEZ) van 200 zeemijl alsmede over de natuurlijke
rijkdommen van het continentaal plat dat zich voorbij deze grenzen uitstrekt.
Ook heeft het geleid tot meer stabiliteit in de zeescheepvaart o.a.
door het recht van onschuldige doorvaart door territoriale wateren vast te
leggen, evenals het recht op doorvaart door nauwe zeestraten die wordt gebruikt
door de internationale scheepvaart.
De Overeenkomst inzake de tenuitvoerlegging van deel XI van het VN-zeerechtverdrag
die in 1994 door de Algemene Vergadering werd goedgekeurd, heeft de vrijwel
universele aanvaarding van het verdrag bevorderd. De overeenkomst ruimde een
aantal belangrijke bezwaren uit de weg die met name geïndustrialiseerde
landen ervan weerhielden het verdrag te ondertekenen. Inmiddels zijn al meer
dan 110 landen partij bij de Overeenkomst.
Het verdrag heeft ook een belangrijke invloed op aspecten van de bevoegdheid
van kuststaten in verband met wetenschappelijk marine onderzoek, het voorkomen
van vervuiling en de toegang van staten zonder zeehavens tot de zee. Daarnaast
wordt het verdrag erkend als het raamwerk en de basis voor toekomstige instrumenten
gericht op de verdere uitwerking van rechten en plichten met betrekking tot
de wereldzeeën een feit dat onder meer zijn neerslag heeft gevonden
in de Overeenkomst inzake zwervende en sterk migrerende visbestanden.
Die overeenkomst stipuleert de regels voor het behoud en beheer van visbestanden
die zich blijvend ophouden in de EEZ van een kuststaat en voorraden die zich
bevinden in gebieden voorbij of grenzend aan die zone. De overeenkomst bepaalt
dat dat beheer dient te gebeuren op basis van voorzorgsmaatregelen en het
beste wetenschappelijk onderzoek. Ook werkt het de wettelijke bepaling nader
uit dat staten dienen samen te werken om een duurzaam evenwicht voor de lange
termijn te bereiken en om een optimaal gebruik van de visbestanden te bevorderen,
zowel binnen als buiten hun exclusieve economische zone.
Verdragsorganen
Het verdrag heeft geleid tot de oprichting van drie organen die zich bezighouden
met verschillende aspecten van het zeerecht.
Via de Internationale Zeebodemautoriteit organiseren en controleren
landen alle activiteiten met betrekking tot de minerale rijkdommen van de
diepzeebodem in internationale wateren, dus buiten de territoriale zone. De
organisatie werd opgericht in 1994 en zetelt in Kingston (Jamaica). In 2002
aanvaardde de Autoriteit de mijnbouwgedragslijn (de mining code)
die de exploitatie en ontginning van polymetallische knollen in het Gebied
(omschreven als de zeebedding en oceaanbodem, inclusief de ondergrond daarvan)
wettelijk regelt.
Na aanvaarding van die gedragslijn, die standaardclausules omvat voor exploratiecontracten
, werden in 2001 de eerste vijftienjarige overeenkomsten inzake de exploratie
van polymetallische knollen in de zeebodem getekend met officieel geregistreerde
investeerders: het staatsbedrijf Yuzhmorgeologiya (Russische Federatie); de
Interoceanmetal Joint Organization (een consortium waaraan Bulgarije, Cuba,
de Tsjechische Republiek, Polen, de Russische Federatie en de Slowaakse Republiek
deelnemen); de Republiek Korea; de China Ocean Minerals Research and Development
Association (COMRA); het Institut Français de Recherche pour lExploitation
de la Mer (IFREMER)/Association Française pour lEtude et la Recherche
des Nodules (AFERNOD); de Deep Ocean Resources Development Company (DORD-Japan);
en het Department of Ocean Development (India).
Deze investeerders in exploratiewerkzaamheden zijn staatsbedrijven of multinationale
consortia die reeds voor aanvaarding van het verdrag actief waren met prospectieactiviteiten
en met de lokalisering van economisch exploiteerbare afzettingen van polymetallische
knollen in het Gebied. Om die reden kregen zij bij de gunning van machtigingen
tot productie prioriteit boven andere aanvragers, behalve boven de Onderneming
zelf. De Onderneming is het orgaan van de Internationale Zeebodemautoriteit
dat zich wijdt aan de in het verdrag opgesomde activiteiten in het Gebied,
alsook met het transport, de verwerking en commercialisering van in het Gebied
gewonnen delfstoffen.
Het Internationaal Zeerechttribunaal startte zijn werkzaamheden
in 1996 en is een forum voor het regelen van geschillen die ontstaan uit de
interpretatie of toepassing van het verdrag. Het tribunaal bestaat uit 21
rechters (verkozen door de verdragsstaten) en is gevestigd in de Duitse havenstad
Hamburg. Het tribunaal ontving in november 2001 het eerste verzoekschrift
dat aanleiding gaf tot een zaak. Sindsdien heeft het tribunaal elf zaken voorgelegd
gekregen. Voor het merendeel werd daarin de onmiddellijk vrijgave geëist
van schepen en hun bemanningen die waren aangehouden op verdenking van inbreuk
op het verdrag. Sommige zaken betroffen het behoud van zeeflora en -fauna
te weten: de zuidelijke voorraden blauwvintonijn in Nieuw Zeeland
versus Japan en Australië versus Japan; en zwaardvisbestanden in
het zuidoostelijk deel van de Grote Oceaan in een zaak tussen Chili en de
Europese Gemeenschap. Weer een andere zaak handelde over het voorkomen van
door aan wal veroorzaakte vervuiling door een fabriek voor het verwerken van
verarmde nucleaire splijtstof tot nieuwe brandstof (MOX-brandstof) in Ierland
versus het Verenigd Koninkrijk.
De Commissie voor de afbakening van het continentaal plat
is ingesteld om de tenuitvoerlegging het verdrag te begeleiden wat betreft
de afbakening van de buitengrenzen van het continentaal plat op een afstand
van meer dan 200 zeemijl van de basislijnen ter bepaling van de breedte van
de territoriale zee. Krachtens het verdrag bepaalt een kuststaat de buitengrenzen
van zijn continentaal plat, waar dit een breedte van 200 zeemijl overtreft
op basis van een aanbeveling van de Commissie.
De Commissie vergaderde in 1997 voor de eerste keer op het VN-hoofdkantoor.
De 21 commissieleden worden verkozen door de verdragsstaten en handelen op
persoonlijke titel. Zij zijn deskundigen in de disciplines geologie, geofysica,
hydrografie of geodesie. De Commissie werd in december 2001 voor het eerst
door een verdragsstaat (de Russische Federatie) om een aanbeveling gevraagd.
Bijeenkomst van verdragsstaten
Het verdrag voorziet niet in regelmatige samenkomsten of conferenties van
verdragsstaten, maar de jaarlijks door de Secretaris-Generaal bijeengeroepen
vergadering vormt het forum waar zorgwekkende kwesties worden besproken. Dit
gebeurt naast de vastgestelde taken zoals de verkiezing van de leden van het
tribunaal en de commissie en budgettaire en administratieve aangelegenheden.
De Algemene Vergadering treedt op als toezichthoudster bij kwesties met betrekking
tot de oceanen en het zeerecht. In 2000 maakte de Vergadering een aanvang
met een informele overlegprocedure in het leven ter versoepeling van haar
jaarlijkse toetsing van de ontwikkelingen in deze materie. Dergelijk overleg
heeft jaarlijks plaats en doet aanbevelingen aan de Algemene Vergadering over
specifieke kwesties. Daarbij ligt de nadruk op het vaststellen van gebieden
waar de coördinatie en samenwerking tussen regeringen en organisaties
nog te wensen overlaat, met name op het vlak van veilige scheepvaart en bescherming
van kwetsbare ecosystemen. Het overlegproces waarvoor aanvankelijk een looptijd
van drie jaar was voorzien, is met drie jaar verlengd omdat er veel positieve
resultaten worden geboekt.
![]()
Internationaal humanitair recht
Het
internationaal humanitair recht voorziet in principes en regels die de oorlogsvoering
en de humanitaire bescherming van de burgerbevolking en van zieke en gewonde
soldaten of krijgsgevangenen reglementeert. De belangrijkste instrumenten
op dit vlak zijn de Conventies van Genève ter bescherming
van oorlogsslachtoffers (1949) en de twee Aanvullende protocollen (1977)
die tot stand zijn gekomen onder auspiciën van het Internationale Comité
van het Rode Kruis.
De laatste jaren is de VN een van de belangrijkste initiatiefnemers bij de
ontwikkeling van het internationaal humanitair recht. De Veiligheidsraad raakt
steeds vaker betrokken bij het beschermen van burgers in gewapende conflicten,
het bevorderen van de mensenrechten en het behoeden van kinderen in oorlogen.
Met de oprichting van de internationale straftribunalen voor voormalig Joegoslavië
en Rwanda, en van tribunalen in Timor-Leste, Sierra Leone en Cambodja, wordt
niet alleen een bijdrage geleverd tot het voorkomen van straffeloosheid, maar
vergroot de VN ook de inachtneming van regels van humanitair recht. De voorbereidende
commissie voor het Internationaal Strafhof heeft een overzicht opgesteld van
zogeheten elements of crimes, die de begrippen genocide, oorlogsmisdaden en
misdaden tegen de menselijkheid definiëren, en leverde daarmee eveneens
een concrete bijdrage tot een beter begrip van het internationaal humanitair
recht.
De Algemene Vergadering, die dienst doet als het politieke forum van de VN,
droeg ook bij aan de totstandkoming van een aantal instrumenten. Voorbeelden
zijn het Verdrag inzake de voorkoming en bestraffing van genocide
(1948), het Verdrag inzake de niet-verjaring van oorlogsmisdaden en misdaden
tegen de menselijkheid (1968), het Verdrag inzake het verbod of de
beperking van het gebruik van bepaalde conventionele wapens die geacht kunnen
worden buitensporig leed te veroorzaken of een niet-onderscheidende werking
te hebben (1980) en de vier aanvullende Protocollen daarop,
en de Principes voor internationale samenwerking bij het opsporen, arresteren,
uitleveren en bestraffen van personen die zich schuldig hebben gemaakt aan
oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid, die in 1973 door
de Vergadering zijn goedgekeurd. De Algemene Vergadering vervulde ook een
faciliterende rol bij de organisatie van de diplomatieke conferentie die in
1998 het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof
heeft goedgekeurd.
Na massale schendingen van het internationaal humanitair recht in voormalig Joegoslavië en in Rwanda stelde de Veiligheidsraad twee internationale tribunalen in om de daders te berechten. Beide tribunalen zijn opgezet krachtens Hoofdstuk VII van het Handvest, dat betrekking heeft op dwangmaatregelen, en zijn ondergeschikte organen van de Veiligheidsraad.
De tribunalen hebben een gezamenlijke kamer van beroep en aanvankelijk ook
een gemeenschappelijke aanklager. Ze voeren diverse strafprocedures en hebben
meer dan 150 personen aangeklaagd. In augustus 2003 besliste de Veiligheidsraad
dat elk tribunaal zijn eigen openbare aanklager moet hebben.
Het Speciale Tribunaal voor Sierra Leone, een onafhankelijke gerechtelijk
orgaan, is opgericht in januari 2002 conform een overeenkomst tussen de Sierraleoonse
regering en de VN om de belangrijkste verantwoordelijken te vervolgen voor
misdaden tegen de menselijkheid, oorlogsmisdaden, andere grove schendingen
van het internationaal humanitair recht, evenals voor krachtens de Sierraleoonse
wet strafbare feiten sinds 30 november 1996 gepleegd op het grondgebied van
Sierra Leone. Het hof is gevestigd in Freetown, de hoofdstad van Sierra Leone.
De VN-Secretaris-Generaal benoemt de openbare aanklager en de griffier. De
Secretaris-Generaal en de regering van Sierra Leone benoemen de rechters voor
de straf- en beroepskamers van het hof.
![]()
Internationaal Strafhof (ICC)
(www.icc-cpi.int/php/index.php)
De
idee voor een permanent internationaal hof voor de vervolging van misdaden
tegen de menselijkheid kwam in de VN voor het eerst ter sprake in het kader
van de aanvaarding van het Genocideverdrag van 1948. Meningsverschillen stonden
verdere ontwikkelingen echter jarenlang in de weg. In 1992 gaf de Algemene
Vergadering de Commissie voor Internationaal Recht de opdracht een ontwerpstatuut
voor het hof op te stellen. De bloedbaden in Cambodja, voormalig Joegoslavië
en Rwanda duidden op de dringend noodzaak van een dergelijk strafhof.
Een conferentie van gevolmachtigden heeft op 17 juli 1998 met het Statuut
van Rome voor het Internationaal Strafhof (www.un.org/law/icc)
de oprichting goedgekeurd van het Internationaal Strafhof dat bevoegd is om
personen die zich schuldig maken aan genocide, oorlogsmisdaden en misdaden
tegen de menselijkheid te vervolgen. Het zal ook bevoegd zijn voor daden van
agressie indien er overeenkomst wordt bereikt over de definitie van dit misdrijf.
Het Statuut werd op 1 juli 2002 van kracht. In december 2003 waren 92 staten
partij bij het Statuut.
Het Hof bestaat uit 18 rechters die worden verkozen door de verdragsstaten
voor een termijn van maximaal negen jaar en die allen afkomstig zijn uit verschillende
landen. De rechters werden in februari 2003 verkozen en aanvaardden hun ambt
in maart. President van het Hof is Philippe Kirsch (Canada), de openbare aanklager
Luis Moreno Ocampo (Argentinië) en de griffier Bruno Cathala (Frankrijk).
Het Internationaal Strafhof zetelt in Den Haag. De begroting voor het eerste
financiële jaar (september 2002-december 2003) beliep 30.893.500 euro.
De
VN blijft met juridische en politieke maatregelen strijden tegen terrorisme.
Op juridisch vlak hebben de VN en haar gespecialiseerde organisaties
onder meer ICAO, IMO en IAEA een apparaat van internationale verdragen
ontwikkeld die de belangrijkste juridische instrumenten tegen terrorisme omvatten.
Het betreft:
De Algemene Vergadering stond aan de basis van vier verdragen:
Een commissie die in 1996 door de Algemene Vergadering werd opgericht, werkt
aan een verdrag ter voorkoming van terroristische aanslagen met kernwapens
en aan een allesomvattend verdrag inzake internationaal terrorisme.
Op politiek vlak aanvaardde de Algemene Vergadering in 1994 de Verklaring
over maatregelen ter bestrijding van internationaal terrorisme. In 1996
volgde de Verklaring ter aanvulling van de verklaring van 1994, die
alle terroristische daden en praktijken, waar en door wie ook verricht, veroordeelt
als strafbaar en niet te rechtvaardigen. De Vergadering riep staten op dringend
maatregelen te nemen op nationaal en internationaal niveau om het internationale
terrorisme te bestrijden.
De
Algemene Vergadering heeft ook verdragen en juridische instrumenten over diverse
andere kwesties aanvaard. Zo kwamen er de Internationale conventie tegen
rekrutering, inzet, financiering en opleiding van huurlingen (1989),
het Kader van beginselen ter bescherming van alle personen verkerend in
enige vorm van detentie of gevangenschap (1988), en de Verklaring
over de versterking van de doeltreffendheid van het beginsel van het afzien
van dreiging met of gebruik van geweld in internationale betrekkingen (1987).
Daarnaast heeft de Algemene Vergadering ook een aantal juridische instrumenten
aangenomen op voorstel van het Speciale comité inzake het Handvest
van de Verenigde Naties en inzake de versterking van de rol van de Organisatie,
ingesteld door de Vergadering in 1974. Het betreft: de VN-modelregels
bij de beslechting van geschillen tussen staten (1995); de Verklaring over
de versterking van de samenwerking tussen de Verenigde Naties en regionale
akkoorden of organisaties voor het handhaven van de internationale vrede en
veiligheid (1994) en de Verklaring over feitenonderzoek door de Verenigde
Naties in het kader van de handhaving van de internationale vrede en veiligheid
(1991); de Verklaring omtrent het voorkomen en wegnemen van geschillen en
situaties die een bedreiging inhouden voor de internationale vrede en veiligheid
en omtrent de rol van de Verenigde Naties in dezen (1988); en de Verklaring
over de vreedzame beslechting van internationale geschillen (1982).
Krachtens het Handvest (Artikel 102) moeten lidstaten bij de VN registreren
welke internationale verdragen zij ondertekenen. Het Bureau voor Juridische
Aangelegenheden van de VN (OLA; - zie hoofdstuk 1) staat in voor de registratie,
publicatie en het deponeren van verdragen. Het OLA publiceert de United
Nations Treaty Series waarin de teksten van meer dan 50.000 verdragen
en parallelle initiatieven zijn opgenomen. Daarnaast geeft het OLA ook het
document Multilateral Treaties deposited with the Secretary-General
uit waarin meer dan 500 belangrijke verdragen zijn opgenomen die zijn gedeponeerd
door lidstaten (zie http://untreaty.un.org).